Een Turkse Ostpolitik

De Turkse bevolking heeft deze maand voor een grondwetshervorming gestemd die de positie van het leger – bewaker van de seculiere staatsorde – aan banden moet leggen. Of dat een keuze is voor ‘meer democratie’, de uitleg die westerse media er graag aan geven, of dat het de autoritaire trekjes van de regering-Erdogan versterkt, is moeilijk te zeggen. Beide zijn mogelijk, want met de democratisering is ook het islamitische karakter van Turkije komen bovendrijven.

Maar Turkije is niet alleen binnenlands in beweging. Ook de buitenlandse politiek, die sinds het toetreden tot de NAVO in 1952 op inbedding in het Westen was gericht, is aan verandering onderhevig. Onder leiding van minister Ahmet Davutoglu streeft Turkije naar ‘nul problemen’ met de buurlanden.

Dat is niet onopgemerkt gebleven. In juni kwam het tot een botsing tussen de Israëlische marine en een Turkse ‘vredesvloot’ die de blokkade van de Gazastrook wilde doorbreken. Bij het incident vielen negen doden, tot groot misbaar van de Turkse regering, die de confrontatie bepaald niet uit de weg was gegaan. Ook is de Turkse regering geen voorstander van aanscherping van sancties tegen Iran en werd president Ahmadinejad hartelijk ontvangen. Minder aandacht kreeg de opening naar Syrië (de afschaffing van de visumplicht zorgt voor levendig grensverkeer), terwijl de Turkse diplomatie actief was op de Balkan en in Griekenland. De toenadering tot Armenië stokte, maar Ankara wist de weg te vinden naar Arbil (de Koerdische hoofdstad in Noord-Irak), ondanks een offensief tegen de ‘eigen’ PKK. Wendt de republiek van Atatürk zich van het Westen af, of zien we een emancipatie waarbij Turkije de eigen regio herontdekt en gaat zwabberen tussen Oost en West?

Mij lijkt een heroriëntatie hoe dan ook onvermijdelijk, want Turkije kan niet eeuwig met de rug naar de moslimwereld staan, en een volwaardig Turks EU-lidmaatschap zit er voorlopig niet in. Gesteld dat de banden met Amerika en Israël, die ernstig verstoord zijn, de huidige stormen doorstaan, dan kan zo’n herontdekking van de oude invloedssfeer (academici spreken van ‘neo-ottomanisering’) voor het Westen zelfs gunstig zijn. De verhoudingen in het hele Midden-Oosten zijn nu zo schizofreen dat een doorbraak dringend gewenst is. Ik was bovendien benieuwd of de nieuwe Turkse koers inspiratie vindt in de Duitse Ostpolitik, die vanaf 1970 naar meer leefbare verhoudingen tussen Oost- en West-Europa streefde. Het was het begin van een verzoeningspolitiek die ook voor Turkije als voorbeeld kan dienen. Maar toen ik de Turkse professor Soli zel daar bij een lezing op Clingendael naar vroeg, zei hij daaraan nog nooit te hebben gedacht. Wel verwees hij naar het gaullistische Frankrijk, dat zich ook graag onafhankelijk tegenover Amerika opstelde, net als Turkije nu.


Het antwoord van zel stelde mij een tikje teleur, omdat Turken en Duitsers geen vreemden voor elkaar zijn en de ‘Jong-Turken’ die in 1908 het Ottomaanse Rijk wilden moderniseren zich door het opkomende Duitsland lieten inspireren. In de Eerste Wereldoorlog waren zij bondgenoten. De onbekendheid met de Ostpolitik, een Europese klassieker, die ik ook in gesprekken met zels landgenoten bespeur, laat ook zien hoe weinig gevoel er in Turkije bestaat voor de Duitse prioriteiten in het huidige Europa, een manco dat mij al eens eerder is opgevallen. Vandaar de frustratie dat bij de EU-uitbreiding achter al die Oost-Europese landen moet worden aangesloten, hoewel Turkije al veel langer NAVO-lid is. Toch denk ik dat de Turken kunnen leren van de Duitse ervaringen.

Toen Willy Brandt met zijn Ostpolitik begon, waren er in Washington, Londen en Parijs vergelijkbare zorgen over Westbindung van de Bondsrepubliek als nu over Turkije. Maar het Witte Huis besloot Brandt te steunen, omdat hij anders alleen tegenover Moskou zou komen te staan. Bovendien waren Nixon en Kissinger bezig met hun eigen toenadering tot de communistische wereld, en dan kun je de Duitsers niet tegenhouden. Opeenvolgende bondsregeringen bouwden zo in Oost-Europa hun eigen netwerken op die later bij de onttakeling van het Oostblok nog van pas zouden komen. Amerika vond Duitsland soms te toegeeflijk, maar politiek vulden ze elkaar aan.

Vergelijk dat met Turkije, dat eveneens vrede wil met de eigen omgeving. De Turken zijn te trots voor een knieval als die van Brandt in het getto van Warschau, maar ook zij hebben (Armeense) genocideperikelen. Nu doet Barack Obama de handreikingen richting moslimwereld, wat de Turken extra kansen biedt. Zelfs het nucleaire pokerspel met Iran lijkt op het soort koude oorlog waaraan de Duitse Ostpolitik destijds het hoofd wilde bieden. Stemmingmakerij tegen Israël is uiteraard uit den boze. Het raamwerk voor succesvolle Turkse diplomatie ligt er dus al, je moet het alleen even zien.

import dirk jan van baar