Kunstkermis

Aan het begin van het culturele seizoen gooit Rotterdam de deuren open met het Witte de Withfestival, een openluchtlaboratorium voor jonge kunstenaars. ‘Musea en galerieën zijn dood. Nieuwe kunst gaat de straat op!’

Kunst. Nog niet zo lang geleden was het haast een schande als je er nooit een poging toe had gedaan of openlijk blijk gaf geen benul te hebben van de allernieuwste kunst-stromingen. Want kunst, zo luidde de ongeschreven wet, dat was het Walhalla van de Vrije Creatieve Wil. Dáár gebeurde ‘t! Wat jij in al je onschuld als je bestaan zag – je dierbaren, je bezittingen, je zorgen, je overwinningen, je nederlagen – was in de ogen van de kunstmaffia een tweederangs ‘schijnwereld’, waarin ‘gecreëerde behoeften’ de boventoon voerden en je gedoemd was als een dwaallicht achter te blijven. Geluk was lange tijd fout en oppervlakkig. Depressie juist een hoopvol teken van ‘oprechte gevoelens’, die (helaas) vaak ruzie kregen en in golven van wanhoop keihard met elkaar botsten. Maar ook de oorlog in je hoofd was juist goed en heerlijk creatief, zo heette het, want kunst met de grote K moest ‘ontregelen’ en de kunstenaar die een beetje wilde meetellen, zat geestelijk derhalve diep in de penarie.

Anno 2010 is de doctrine van heiligheid rond kunst flink afgebrokkeld, zo niet volledig ingestort. Wie heeft het tegenwoordig nog over kunst als zelfgekozen lijdensweg? Welke artiest reikt nog zonder ironietekens naar de zin van het bestaan? Wie kijkt er nog koortsig van nieuwsgierigheid uit naar een nieuwe tentoonstelling? Wanneer gonst het nog rond een kakelvers schilderij, een recente installatie of een pas uitgebrachte arthousefilm? Moderne kunst is een doodgewone industrie geworden, net als de mode- of filmindustrie: berekenend, realistisch, resultaatgericht. Erwin Olaf gaat tegenwoordig door voor een groot kunstenaar, terwijl zijn werk voor een substantieel deel uit betaalde klusjes bestaat. Onlangs beweerde de conservatieve cultuurcriticus Roger Scruton doodleuk dat Picasso, vertaald naar nu, gewoon ‘een handige reclamejongen’ zou zijn geweest. En het opvallende: in geen velden of wegen was er een kunstpaus meer te bekennen die boos werd en het voor Picasso opnam! (Waar is Rudi Fuchs?)


Als je heden ten dage jonge kunstenaars tegen het lijf loopt, zijn ze doorgaans beweeglijk en ondernemend: niet zelden zoeven ze in razende vaart langs je heen, ze hebben verschillende 06-nummers, ze draven achter diverse ‘projecten’ aan en je mag blij zijn wanneer ze zich tussen twee afspraken door willen neervlijen om een samenhangend betoog te houden. Het zijn, kortom, heel drukke baasjes geworden. Sommigen rennen met een eigen KvK-nummer op amechtige wijze voor de blauwe enveloppen van de Belastingdienst uit.

Om de temperatuur van de nieuwste kunst een beetje te kunnen peilen en bovenstaande ideeën (misselijkmakende vooroordelen?) te verifiëren, stort ik me in de Wereld van Witte de With: de elfde editie van het festival dat elk jaar begin september zijn tenten opslaat in hartje Rotterdam en zich volgens de website en bijbehorende foldermaterialen bezighoudt met ‘visual arts’. Om alvast voor te proeven, spreek ik met de projectleider van het festival, Nienke van Wijk, die zich op een grauwe etage in het stationsgebied een heel jaar voorbereidt op dit driedaagse spektakel. Haar grootste vijanden, zo blijkt alras in het gesprek, zijn politie en brandweer. Het almaar strakker wordende veiligheidsregime van de Maasstad (remember Hoek van Holland) staat de frivoliteit van het spontane amper nog toe. “En dat is nu precies wat ik zoek!” zegt van Wijk, haar vuisten gebald, haar ogen oplichtend. “Crowd participation! Mensen die met onverwachte kunst worden geconfronteerd, nieuwe mogelijkheden zien en nooitgedachte verbindingen met elkaar tot stand brengen.”

Op vrijdagmiddag, tijdens de opening van het festival, staat Van Wijk voortdurend in contact met een politiechef, die haar op de hoogte houdt van elke verdachte beweging of ongescripte manoeuvre. Zodra de chef na een kort overlegje weer weg is, buigt ze zich naar me toe: “Ik zal je verklappen: ik heb hier nachtmerries van gehad. De eisen die aan je gesteld worden! Het detailniveau waarop je alles van tevoren met de autoriteiten moet doorspreken! De scenario’s waar zij in denken! En ondertussen moet ik, op het andere front, dan ook nog even uitleggen aan die kunstenaars waarom dit of dat niet kan. Terwijl ik zelf ook amper begrijp wat het probleem is.” De afrekencultuur in de plaatselijke politiek versus de kunstenaar die nieuwe wegen in wil slaan; van die frictie heeft Nienke het afgelopen jaar flink wat extra lijntjes in haar gezicht gekregen.


En zij niet alleen. Artistiek leider Ruud Reutelingsperger ervaart een enorme druk vanuit de bestuurlijke gremia, al ziet hij ook kansen. En vindt hij dat je op het Witte de Withfestival de boeiende contouren ziet van de toekomstige kunst, die niet stilstaat of -hangt in musea of galerieën, maar op straat ‘de confrontatie aangaat’. Reutelingsperger: “Met alle respect: musea en galerieën zijn dood. De blanke vijftigers en zestigers komen er nog, maar de jonge garde vindt dergelijke omgevingen saai en voorspelbaar. Die wil de straat op! Een ervaring creëren! En daar proberen wij gehoor aan te geven.”

In de hang naar avontuur, naar buiten spelen, speelt het ego van de kunstenaar een bescheiden rol: de kunstenaar is ondernemer geworden, zijn installatie of onzichtbare toneelstuk moet gewoon werken, effect sorteren. Net als reclame. Reutelingsperger zegt functionele verbindingen te zien ontstaan tussen jonge kunstenaars en bijvoorbeeld projectontwikkelaars, die nieuwe projecten alleen nog verkocht krijgen als ze leven in de brouwerij kunnen beloven. “Bouwen draait steeds minder om stenen en steeds meer om beleving. Om: hoe krijgen we het leven terug in onze steden? Gelukkig is ‘projectontwikkelaar’ allang geen vies woord meer voor jonge kunstenaars. Ze denken allebei even praktisch en positief: hoe maak je iets dat onderscheidend is en emotionele waarde heeft? En waar je graag naar terug wilt gaan?”

Mooi voorbeeld van dat praktijkgerichte is de ‘mobiele tuin’ van de Franse kunstenaar Lucas Grandin, die een rijk geschakeerde vegetatie over de bodem en de zijkanten van een winkelwagentje heeft gedrapeerd en zo, in zijn eigen woorden, ‘een zelfvoorzienende en ecologisch vrij evoluerende tuin’ heeft gecreëerd, die je overal mee naartoe kunt nemen, net als een koffer. Om de Rotterdammers met zijn bijzondere tuin te laten kennismaken, loopt hij twee keer vanaf de wijk Charlois, op Zuid, via de Erasmusbrug naar het festivalterrein op de Witte de Withstraat. “Inhoudelijk zie je hier geen loodzware projecten,” licht Reutelingsperger toe. “Maar zo’n mobiele tuin brengt voorbijgangers, behalve een hilarische ervaring, hopelijk ook op ideeën. En het laat zien dat je in een handomdraai een eigen klein ecosysteempje kunt bouwen. Zelfs in een winkelwagentje.” De kleine Fransman, wonend in een klein dorpje bij Le Mans, legt de achtergronden en bedoelingen van zijn project geduldig uit, maar wordt uiteindelijk weggeblazen door een optocht van majoretteachtige dames die sensueel met paraplu’s zwaaien. Het is misschien wel symbolisch voor de verfrissende/verstikkende (invullen naar keuze) stamppot aan ervaringen en disciplines die je als bezoeker van Witte de With over je heen krijgt uitgestort.


Hoewel galeries en kunstinstituten als Boymans, NAi (Nederlands Architectuurinstituut), TENT., V2 en galerie MAMA tijdens het festival hun deuren openen en de extra stroom mensen volgaarne langs hun meest aansprekende werk loodsen, zijn de straatattracties toch de hoofdmoot. Vorig jaar haalde het festival veelvuldig de pers met een zogenaamde Tietenrace (jawel, gekoppeld aan de strijd tegen borstkanker) en het jaar daarvoor pakte men uit met een heuse wedren voor rollators: de 100 meter voor honderdjarigen. Het geeft aan hoezeer het festival balanceert (of dobbert?) tussen serieuze kunst, hilarische straatgimmicks en puur feesten. “Na acht uur ’s avonds wordt het gewoon een streetparty,” zegt Reutelingsperger met lichte spijt in zijn stem. Hij heeft het nog niet gezegd of bij de Westersingel beleeft Rotterdam zijn eigen kleine Dam-incident wanneer te veel mensen op een bootje springen, het ding vervaarlijk heen en weer begint te schommelen en uiteindelijk omkiepert. Er ontstaat groot tumult. Politiemensen schieten in enorme hoeveelheden toe, toeschouwers kijken ontredderd om zich heen (gillen soms) en pas na een minuut of vijf, als alle bootpassagiers kletsnat maar veilig op de kant getrokken zijn, keert de rust weer enigszins terug. Dan roept iemand ‘godverdomme!’; later blijkt dat zijn portemonnee naar een onbekende plek op de grachtbodem is gezonken.

Enigszins uitgeput door alle attracties, de colleges van Reutelingsperger en de paniek na het omgeslagen bootje zijg ik neer op het terras van Zatkini. Waar ben ik in verzeild geraakt? vraag ik mezelf af, zo nuchter en bedaard als maar mogelijk is. Het beeld van een vreemdsoortige draaikolk, waarin iedereen op keurige afstand achter elkaar aan draait, dringt zich op. De autoriteiten willen geen risico’s lopen, maar de plaatselijke kunstscene ook niet nodeloos afknijpen. De festivalleiding wil de autoriteiten geen aanleiding geven tot diepe ontstemdheid, maar de deelnemende kunstenaars ook niet te veel in een keurslijf stoppen. De kunstenaars willen zo weinig mogelijk concessies doen aan hun eigen ding, maar tegelijkertijd de festivalleiding niet teleurstellen. En de bezoekers? De bezoekers willen – naar mijn stellige indruk – geen gezeik aan hun hoofd, maar ze willen het festival ook niet verlaten zonder te kunnen meepraten over de hoogtepunten. Als straatartiesten te dichtbij komen, zie ik menigeen terugdeinzen. Maar hier, op het terras, met een drankje erbij, delibereert iedereen over wat ze wel en niet leuk vonden. “De wachtkamer vond ik cool,” zegt een meisje van een jaar of twintig. “En die Ikea-achtige stellage die naar hout rook!” zegt haar vriendin. “Die was ook vét!”


De Duitse academicus en conservator Lukas Feireiss, die de volgende dag met de handen op zijn rug door de straat loopt, vindt het festival een iets te vrijblijvende kermis waar het publiek iets te snel naar het bier en de bitterballen kan grijpen. Feireiss: “Het zou goed zijn als er wat meer dwarse en dwingende elementen zouden zijn opgesteld. Dan krijg je meer regie, meer verwondering en verbondenheid.” Reutelingsperger knikt heftig, maar moet terugvallen op zijn standaardantwoord. “Polizei! Feuerwehr! Keine Zustimmung.” Na Hoek van Holland heeft ook de Love Parade in Duisburg zijn afschrikwekkende werk gedaan. Dat wil zeggen: autoriteiten zijn meer dan ooit geobsedeerd door het vermijden van grote mensenconcentraties en het maximeren van vluchtwegen.

Na al het geouwehoer wil ik tot slot nog wel een heuse attractie beleven. Tijdens een blik in het festivalprogramma valt mijn oog op een summier omschreven programmaonderdeel. Ik meld me op de voorgeschreven plek, brug Westersingel, bij een geheimzinnig bordje waar ‘Vloeistof’ op staat. Geen idee wat het is of waar het op slaat, maar na vijf minuten word ik vriendelijk verzocht mee te gaan met een onbekend gezelschap van drie vrouwen en twee mannen en worden we door een steward in een oude Volvo opgesloten. Dit zal de ontregeling zijn! De vervreemding! De nieuwe blik op het urbane! “Volgens mij zijn we erin geluisd,” zegt de vrouw, die tussen mij en de andere man op de achterbank zit ingeklemd. Er ontstaat een lacherig sfeertje. “Let maar op. Er gaat helemaal niks gebeuren,” beaamt een van de vrouwen voorin. “Of toch…?” Een vrouw in een donkerrood jack, op een meter of twintig afstand van onze Volvo, buigt met haar hoofd heel abrupt en heel diep in een plantenbak. “Ze is aan het ruiken,” vindt de vrouw voorin. “Nee hoor, ze kotst,” poneer ik. Even later gaat ze uitdagend op de grond liggen; mensen lopen om haar heen. Het unanieme oordeel in de Volvo luidt dat de openluchtvoorstelling is begonnen. Als er een tweede actrice verschijnt, die na vreemde capriolen op het dak van de auto klimt, grijpen de Rotterdammers in. “Blijf daar van af!” roept iemand. Haha! Nu wordt het menens. Bezit is heilig! We lachen ons een hoedje, de stemming zit er ineens goed in. “Moet je die mensen zien! Die zijn doodsbang! Die durven niet achterom te kijken!” De actrices voeren op het trottoir een spontane choreografie op, inclusief pirouettes, huppeltjes en sprongen. Het onwennige gezelschap in de auto is binnen enkele minuten veranderd in een verwend en zelfverzekerd groepje voyeurs. Ikzelf incluis. Wanneer we na 25 minuten met een glimlach op ons gezicht uitstappen, ontmoeten we de steward, de regisseur en de beide actrices die dankbaar en geïnteresseerd (bijna nederig) naar ‘onze ervaringen’ vragen.


“Het moderne kunstwerk bestaat uit de reacties óp het kunstwerk,” lees ik even later in een interview met curator Feireiss. Volgens deze definitie zou Guerníca van Picasso ophouden te bestaan zodra mensen ophouden erop te reageren. Het zal klassieke kunstliefhebbers ongetwijfeld voor het hoofd stoten, zo’n blasfemische conclusie. Maar het biedt – eerlijk is eerlijk – een naadloze verklaring voor de kermisachtige attracties op het Witte de Withfestival en voor de hedendaagse Facebook- en Twittermanie, waarmee menigeen zichzelf tot kunstwerk of beroemdheid poogt te promoveren.

Hans van Willigenburg