‘Linkse mensen zijn ongelukkiger’

Filosoof Sebastien Valkenberg (1978) schreef het boek ‘Geluksvogels’ over de geneugten van het leven in het huidige tijdvak. Een gesprekover geluk, politiek en het doorgeschoten kritisch denken. ‘Twijfelenis niet hetzelfde als denken dat je alles zelf beter weet.’

De ondertitel van uw boek luidt: Waarom we het nog nooit zo goed hadden. Toch hoor je mensen vaak dingen zeggen als: “Vroeger was alles beter” of: “In mijn tijd…”

“Voor een deel hoort dat gewoon bij elke oudere generatie die het over de jongere generatie heeft – ‘De jeugd van tegenwoordig…’ Daarom zijn het ook vaste uitdrukkingen geworden. Maar over het huidig tijdsgewricht zeggen dit soort zegswijzen niet zoveel. Wat is nou het karakteristieke waardoor mensen op dit moment zeggen: ‘Ach, die huidige tijd, dat is helemaal niks.’ En waaróm zeggen ze het? Het lastige is dat je dan op het terrein van de psychologie terechtkomt. In de inleiding van mijn boek geef ik een opsomming van de kwalen waaraan de hedendaagse tijd zou lijden. Dat zijn meestal woorden die eindigen op -isme: individualisme, kapitalisme, cynisme, consumentisme. Allemaal dingen die tegenwoordig niet zouden deugen. Waarom weet men de huidige tijd toch zo matig te waarderen?”

Laat ik het dan anders vragen: waarom hebben we het nog nooit zo goed gehad?

“Om te beginnen hebben we meer welvaart dan ooit. Nog nooit hebben zoveel mensen in het Westen het financieel gezien zo goed gehad. De vrijheden die we daardoor hebben, vind ik zo indrukwekkend dat ik er stil van kan worden. Dat is een deel van het antwoord. Maar in mijn boek probeer ik het nader te specificeren. Want vooruitgang kun je niet alléén in euro’s uitdrukken. Ik kies ervoor om onderscheid te maken tussen het overleven en het goede leven. Overleven is iets wat we gemeen hebben met dieren. Die activiteiten die we ondernemen om te zorgen dat we de dag van morgen halen. Maar wij mensen willen meer, en dat maakt ons uniek. Dat we het nu beter hebben dan ooit, heeft er vooral mee te maken dat het overleven dusdanig ‘gegarandeerd’ is, dat we ons eindelijk kunnen bezighouden met dat goede leven. Dat we niet op ons vijftiende aan het werk moeten, maar kunnen nadenken over vragen als: ‘Hoe richt ik mijn leven in?’ en ‘Wat wil ik later worden?’ Dat is echt een verworvenheid van deze tijd, waardoor je kunt zeggen dat we het nog nooit zo goed hebben gehad.”


Zijn we dat dan zo normaal gaan vinden dat we het niet meer op waarde schatten?

“Ja. We zitten op dat ontzettend hoge welvaartspeil, we hebben die enorme hoeveelheid rechten. Maar denk niet dat als je eenmaal op dat niveau zit, je vanzelf doorgaat naar het volgende niveau. Je kunt ook weer terugvallen. Het zijn geen vanzelfsprekendheden, maar verworvenheden. Iets waarvoor moeite is gedaan, en waarvoor je moeite moet blijven doen.”

U heeft het in uw boek over de ‘veil of ignorance’, de ‘sluier van onwetendheid’. Wat is dat precies?

“Dat is een concept dat de Amerikaanse politiek-filosoof John Rawls heeft ontwikkeld in zijn meesterwerk A Theory of Justice uit 1971. In dat boek gaat hij op zoek naar ‘de rechtvaardige samenleving’. Hij zegt dat we die samenleving niet krijgen als we het aan de mensen zelf overlaten. Die willen allemaal een samenleving waarin ze het zelf zo goed mogelijk hebben. Iemand van adel bijvoorbeeld, zou gek zijn om te kiezen voor de liberale democratie, want dat zou ten koste gaan van zijn eigen verworvenheden. Rawls zegt dus dat je jezelf los moet zien van je eigen positie, verworvenheden en rijkdommen. Je zou jezelf die fictieve sluier voor moeten doen. En jezelf dan nog een keer moeten afvragen welke samenleving rechtvaardig is, in welke samenleving je zou willen leven. Dan zou je het beste kunnen kiezen voor de huidige samenleving, de liberale democratie.”

Toch blijven we verlangen naar vroeger. Is die nostalgie iets van alle tijden?

“Ja, dat geloof ik zeker. Je ziet het in de literatuur al 2500 jaar dat de oudere generatie zich afkeurend uitlaat over de nieuwe generatie, die de ondergang nabij zou brengen. Maar dat wil niet zeggen dat je per definitie niet naar de oudere generatie zou moeten luisteren. Dat wil ik helemaal niet betogen. Wat ik wil zeggen, ook in mijn boek, is dat een groot deel van de kritiek op het hier en nu tamelijk ongefundeerd is. Neem nou termen als individualisme, of consumentisme – die hoef je niet eens meer toe te lichten. Het is heel gewoon geworden om ons tijdsgewricht met zulke termen weg te zetten, te diskwalificeren. En niemand vraagt meer waaróm.”


Dat verlangen naar vroeger is ook iets waar de politiek al sinds mensenheugenis op inspeelt. Is dat oprechte bezorgdheid? Of gewoon een manier om de kiezers te bespelen?

“Dat zou een erg cynisch beeld zijn van politici, dat ze weten dat het electoraat terug wil naar vroeger en dat ze daar munt uit proberen te slaan. Een politicus moet worden gedreven door het idee dat het anders moet, door het verlangen om de wereld te verbeteren. Dat wil ik niet per definitie afdoen als populisme.”

Over politiek gesproken: een van de essays in uw boek heet ‘Waarom links nooit lacht’. Leg eens uit?

“Het is een clichébeeld: met links kun je niet lachen. VVD-coryfee Hans Wiegel heeft het ook vaak geroepen, dat links altijd zo serieus is. Ik ben op zoek gegaan naar de filosofische wortels van dat vermeende gebrek aan humor bij links. Tegelijkertijd moet je je ook afvragen of zo’n uitspraak niet meer is dan een cliché alleen, dan een politieke sneer van Hans Wiegel. Ik baseer me daarbij onder meer op een Deens onderzoek naar het verband tussen iemands politieke oriëntatie en zijn of haar gemoedstoestand. Daaruit bleek dat links georiënteerde mensen in het algemeen ongelukkiger zijn. Van daaruit ben ik verder gaan kijken, en toen kwam ik uit bij de Franse filosoof Alain Finkielkraut. Die heeft een paar jaar geleden een lezing gegeven in Amsterdam, waarin de radicale politiek een sleutelbegrip was. Die radicale politiek, zegt Finkielkraut, is in de achttiende eeuw begonnen bij Jean-Jacques Rousseau. Rousseau zegt dat de mens van nature goed is, maar dat het misgaat zodra de mens in een samenleving terechtkomt. Dan komen ineens dingen als hebzucht om de hoek kijken. Het is eigenlijk een omkering van het bijbelse wereldbeeld, dat de zondeval inherent is aan de menselijke natuur en dat de mens hooguit kan proberen om de ellende te beperken. Dus uit dat idee van Rousseau spreekt een geweldige belofte. Want als je ervan uitgaat dat de mens van zichzelf goed is, krijg je de neiging om dat kwaad ook op te willen lossen. Daar is het de radicale politiek volgens Finkielkraut om te doen.”


Maar waarom is die radicale politiek dan slecht voor het humeur?

“Radicale politiek houdt de belofte in dat er voor alles een oplossing is, een politieke oplossing. Er wordt van uitgegaan dat er geen kwaad bestaat, alleen onrecht, en dat dat onrecht kan worden opgelost. Dat is een hoopvol uitgangspunt: als we maar genoeg ons best doen, is dat kwaad, dat onrecht, de wereld uit te helpen. Maar je kunt je natuurlijk afvragen of we daarmee niet te veel hooi op onze vork nemen. Want de werkelijkheid blijkt toch weerbarstiger te zijn dan we in eerste instantie denken. Ondanks al die inspanningen blijkt de wereld zich toch niet naar onze wensen te voegen. En zo kom je terug bij de titel van dat hoofdstuk in het boek, ‘Waarom links nooit lacht’. Want als je niet oppast, kan de werkelijkheid uitgroeien tot een trauma. Die herinnert je er voortdurend aan hoeveel werk er nog moet worden verzet. En tot dat moment valt er niets te lachen.”

Linkse mensen lachen dus niet omdat ze constant bezig zijn met de ellende om zich heen. Waarom lachen rechtse mensen dan wel? Zien ze die ellende niet, of kan het ze niet schelen?

“Ik geloof niet dat ze het niet zien. Het is alleen zo dat ze niet al het leed op hun schouders willen nemen. Dat is iets anders dan onverschilligheid. Eerder een zekere nederigheid. Helpen, problemen oplossen, is vaak heel ingewikkeld. Daar denkt links volgens mij vaak te lichtvaardig over. Je zou jezelf de vraag moeten durven te stellen of het in sommige gevallen niet beter is om níet te helpen. Dat zie ik te weinig bij links: de gedachte dat het streven naar de perfecte wereld misschien te hoog gegrepen is.”


We proberen inderdaad heel veel problemen op te lossen, bijvoorbeeld door middel van ontwikkelingshulp. Kennelijk zijn we toch niet zo individualistisch of egoïstisch als je vaak hoort zeggen.

“Nee, integendeel. Kijk eens naar puur naar empirisch bewijs, naar de bereidheid om belasting te betalen, al is het soms morrend. Die belastingdruk is bij ons erg hoog, vergeleken met de rest van de wereld. Dus egoïstisch zijn Nederlanders wat dat betreft in mijn ogen juist niet.”

In uw boek heeft u het over ‘de onttovering van de wereld’. Of zoals Friedrich Nietzsche zei: ‘God is dood.’ Wat bedoelde hij daar precies mee?

“Nietzsche wilde niet zozeer zeggen dat hij atheïst was of dat hij niet geloofde in God als schepper, maar dat het idee van God als beginpunt van de moraal zijn tijd gehad had. Dat God niet meer de wetgever is wat betreft morele vraagstukken. En ook dat God, en zijn representanten op aarde, niet meer de bron van alle kennis zijn. De opkomst van het kritisch denken – dat je niet meer naar de pastoor gaat als je ziek bent, maar naar een arts.”

Is dat kritisch denken in de huidige tijd niet een beetje doorgeslagen? Er wordt tegenwoordig standaard getwijfeld aan wat experts zeggen door mensen die zelf niets van een onderwerp af weten.

“Twijfelen is niet hetzelfde als denken dat je alles zelf beter weet, zoals je inderdaad tegenwoordig bij veel mensen ziet. In mijn boek noem ik het voorbeeld van Joost Zwagerman die op bezoek gaat op een middelbare school om over literatuur te praten met leerlingen van de tweede fase. Die hebben nauwelijks algemene ontwikkeling of parate kennis; ze leren alleen waar je dingen opzoekt. Van Vestdijk of Multatuli hebben ze nog nooit gehoord. Dat is nog tot daar aan toe. Maar dan de reactie van de docent. Die denkt niet: ik heb hier iets laten liggen. Nee, die zegt: ‘Geweldig, kijk eens wat een kritische, twijfelende leerlingen ik in mijn klas heb.’ Ik denk dat dit niet het soort twijfel is dat ons verder helpt. Dat leidt tot een soort schouderophalend relativisme. Echt twijfelen over een onderwerp kan alleen als je eerst daar eerst kennis van neemt en daar vervolgens vraagtekens bij zet. Niet van tevoren al denken dat die kennis niet nodig is.”


U haalt een aantal grote filosofen aan in uw boek: Nietzsche, Rousseau, Spinoza. Zijn er ook vakgenoten van nu van wie u denkt dat die over honderd of tweehonderd jaar worden gezien als ‘de grote filosofen van de 21ste eeuw’? Of ligt de tijd van de grote filosofen achter ons?

“Dat is een lastige vraag. En het feit dat dat een moeilijke vraag is, zegt iets over de grootheid over de filosofen die je noemt. Je kunt het vergelijken met muziek. We zien nu ook niet een nieuwe Bach of Beethoven; de muziek van nu komt allemaal veel meer gefragmenteerd op ons over. En ik denk dat dat ook voor de filosofie geldt. Dus, om terug te komen op de vraag, ik zou geen kandidaat kunnen noemen.”

Sebastien Valkenberg: Gelukvogels. Ambo. €18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Richard Funnekotter