Populisme als traditie

Direct na zijn verkiezingswinst in juni van dit jaar, zei Geert Wilders in een interview met de televisie iets interessants: hij was blij met zijn 24 zetels en had het idee dat hij daarmee het karwei van Pim Fortuyn kon afmaken. Wilders beroept zich zelden op Fortuyn, misschien wel omdat hij vermoedt dat een vergelijking al snel in zijn nadeel uitvalt. Maar op dat moment deed hij het uitdrukkelijk, al is hij er sindsdien niet meer op teruggekomen.

Is met het beroep van Wilders op Fortuyn een populistische traditie in de Nederlandse politiek geboren?

Volgens de historicus Henk te Velde, hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden, kent ons politiek leven geen uitgesproken tradities – op het ritueel van Prinsjesdag na, met koets en kroon en een echte koningin. Tradities in de Nederlandse politiek zijn veel implicieter en minder zichtbaar. Onze traditie bestaat vooral uit een specifieke vorm van bestuur, waarbij de regenten al eeuwenlang de dienst uitmaken, tot op de dag van vandaag, ondanks provo en Fortuyn. Nederland is geen land van grote gebaren. Besturen is een zaak van schikken en plooien, niet van drama en theater. Wij willen geen emoties en visies, dat leidt immers maar tot polarisatie. Kabinet en parlement schikken belangen in onderling overleg. Geen dualisme. Ook geen grote mannen. De minister-president is niet meer dan de eerste onder zijn gelijken, de technisch voorzitter van een college van bewindslieden.

Dit systeem wordt voortdurend uitgedaagd. Door de provo’s, door Fortuyn, door Rita Verdonk, en nu – succesvoller dan ooit – door Geert Wilders en diens PVV. Juist omdat wij de rust en het evenwicht in ons politieke leven altijd zo hebben gekoesterd, heeft het rauwe en wilde en ongepaste in hun optreden tot zoveel commotie geleid. We spraken al snel van een crisis, zo niet van crises.

Het populisme is ongrijpbaar: voor de peilingen, voor de media, voor de andere politieke partijen. Is het populisme een blijvertje, of zal het weer verdwijnen – zoals boer Koekoek in de jaren zestig en Hans Janmaat in de jaren tachtig niets blijvend hebben weten te realiseren? Het zou best kunnen, zo’n blijvende rol voor een nieuwe beweging die opkomt voor de belangen van een nieuwe, ontzuilde bevolkingsgroep.


Te Velde vergelijkt Fortuyn en Wilders met de gereformeerde voorman Abraham Kuyper, die ook op de vleugels van een beweging de Tweede Kamer binnenkwam, met vooral veel intuïtie een groot charisma tentoonspreidde, als schreeuwlelijk werd weggezet door de liberale burgerheren, maar voor zijn achterban een vaste plek in het Nederlandse bestel wist te veroveren. Zijn nazaten (mannen als Aantjes) klagen bij Fortuyn en Wilders over eigenschappen en stijlen van optreden die hun politieke aartsvader in minstens dezelfde mate liet zien.

Fortuyn heeft nooit iets aan Wilders overgedragen. Maar met zijn voorzichtige beroep op Fortuyn lijkt Wilders een piepklein traditietje te hebben willen scheppen – en lijkt daarmee misschien ook wel bereid te zijn om als insider een plek in te nemen in ons bestel.

De paradox van het populisme is dus dat het uiteindelijk het systeem dat het aanvankelijk heeft uitgedaagd, alleen maar sterker maakt. Door de stem van protest vanaf de zijlijn naar het centrum van de politiek te verplaatsen en de oplossing van lang genegeerde problemen op die manier wat stapjes dichterbij te brengen.

Henk te Velde: Van regentenmentaliteit tot populisme – Politieke tradities in Nederland. Bert Bakker. €24,95. Ook via www.ako.nl.

Bart Jan Spruyt