Volgens Van de Camp ziet het er als volgt uit: opa gaat op zondag vissen en stoft af en toe zijn postzegelalbum af, en oma kookt, strijkt en lapt op zaterdagmiddag de ramen, maar meer ook niet. Deze mensen hebben de rest van de week dus niets te doen, en kunnen best die ‘superelitaire’ kinderopvang vervangen.
Wat Van de Camp zich even niet realiseert is dat opa’s en oma’s deze grootouderstatus meestal bereiken als ze net in de 50 zijn. Deze mensen moeten dan nog werken tot hun 67ste. Hoe Van de Camp voor zich ziet hoe grootouders hun baan gaan combineren met oppas spelen is niet bekend. Wellicht weet hij een constructie te verzinnen waar de kleinkinderen dan naar een soort opvang kunnen, terwijl de grootouders werken. Of wil hij de pensioensgerechtigde leeftijd verlagen naar pak ‘m beet 55 jaar?


