Dagboek van een dakloze

In 2013 wil de overheid alle daklozen van de straat hebben. Tegelijkertijd luiden opvangcentra de noodklok omdat ze de toeloop niet aankunnen. Om wat voor mensen gaat het eigenlijk? En hoe leven ze? HP/De Tijd duikt onder in het zwerversbestaan. Deel 1 van een tweeluik: Dakloos in Utrecht. ‘De meesten hebben gewoon een afslag gemist.’

Nog één keer controleer ik of ik alles bij me heb: tandenborstel, strippenkaart, extra kleren en vier briefjes van twintig euro. Ik kijk even achterom naar de comfortabele bank waar mijn kater opgerold ligt te dutten. Dan stap ik met een diepe zucht naar buiten en trek de deur achter me dicht. Als ik in de warme zomerlucht naar de bushalte wandel, dringt het tot me door dat ik geen idee heb waar ik aan begin.

Even later loop ik rond op het Centraal Station van Utrecht, op zoek naar daklozen met wie ik contact zou kunnen leggen. Maar ik zie nergens zwervers die aan mijn beeld voldoen: met versleten kleren aan, ongekamd en ongewassen haar, een verlopen gezicht en veel tassen bij zich. Ik ben zelf de enige die er sjofel bij loopt, met ontploft haar in een staartje, smoezelige kleren en vieze nagels. De verkoper van Straatnieuws, de Utrechtse daklozenkrant, ziet er netter uit dan ik.

Terwijl ik de man nauwlettend in de gaten hou, loop ik naar de kiosk om shag te kopen. Daarmee kan ik vast makkelijker contact maken. Hoewel de klanten vóór me hun wisselgeld in hun hand hebben gekregen, legt de verkoopster na een blik op mijn nagels en mijn gezicht mijn wisselgeld op de toonbank. Ik moet het zelf pakken. Ontdaan ga ik bij een kebabkraampje zitten wachten tot de man van de daklozenkrant aanstalten maakt om te vertrekken. Binnen tien minuten word ik weggekeken door de kebabverkopers. Ik ben hier duidelijk ongewenst, een ervaring die sterke emoties oproept. Verbazing – dit is me nog nooit gebeurd -, verontwaardiging – ik mag hier toch zeker wel zitten – en het verlangen om mezelf zo klein te maken dat ik verdwijn.


Zodra de Straatnieuws-verkoper even alleen is, schiet ik hem aan. “Ik zoek een slaapplaats voor vannacht. Weet jij waar ik naartoe kan?” Een tikje verwonderd begint hij over hotels en hostels, tot ik vertel dat ik geen geld heb. Dan begrijpt hij waar ik heen wil. “O, je bedoelt een shelter? Dan kun je naar de Sleep-Inn bij de Voorstraat,” en hij wijst richting centrum.

Buiten vraag ik voorbijgangers de weg naar de nachtopvang. Een paar jongeren lachen me uit, een enkeling heeft geen idee waar ik het over heb, maar verder krijg ik vriendelijke reacties en wordt me keurig uitgelegd hoe ik moet lopen. En zo kom ik bij het zijstraatje van de Voorstraat waar Sleep-Inn Het Snurkhuis is gevestigd.

“Heb je nog een plaatsje voor vannacht?” vraag ik aan de portier. Ze brengt me naar de balie, waar ik mijn naam moet opgeven en vier euro moet betalen. Dan mag ik naar binnen. Een medewerker noteert op een formulier mijn (verzonnen) gegevens: de plaats waar ik vandaan kom, mijn naam en geboortedatum. Hij vraagt of ik hulp nodig heb. Nee, antwoord ik, ik wil alleen slapen. Dan informeert hij zo terloops mogelijk of ik nog iets wil vertellen. Ik trek een droevig gezicht en sla zijn aanbod af. Gelukkig vraagt hij niet verder. In het informatieboekje van de Sleep-Inn dat hij me meegeeft, lees ik later dat mijn gegevens worden doorgegeven aan de GG&GD om te controleren of ik wel recht heb op een slaapplek. Kennelijk is dat niet gebeurd, want ik kan hier zonder problemen blijven.

De ‘woonkamer’ staat vol tafels en stoelen, in een hoek hangt een televisie aan de muur, en door de aangrenzende serre oogt de ruimte licht en open. De openslaande deuren komen uit op een kleine, knusse tuin. Binnen is een grote bar, bediend door medewerkers en vrijwilligers die voor koffie, thee, ontbijt en beddengoed zorgen.


Als ik handdoeken, lakens en een deken heb gekregen, neemt een jonge vrouw me mee naar boven, waar ik op de vrouwenkamer een bed mag uitkiezen. Er staan vier genummerde stapelbedden. Ik neem een onderbed met nummer 8, dat het dichtst bij de ramen staat. Het wordt warm de komende weken.

Even later zoek ik een rustig plekje in de tuin. Maar al snel komen de eerste lotgenoten naar me toe om zich voor te stellen en een praatje te maken. Al de eerste avond komen de verhalen vanzelf naar me toe. Ik voel me er nog wat ongemakkelijk bij, maar tegelijkertijd is het een opluchting om te merken dat het ‘infiltreren’ makkelijker gaat dan ik had verwacht.

Na een onrustige nacht word ik om zeven uur wakker van het gesnurk. Een oudere vrouw staat op. De rest blijft liggen, en ik probeer ook nog even verder te slapen. Uiteindelijk sta ik maar op en ga ik ontbijten in de woonkamer.

Ik sta wat verloren midden in de kamer. De meeste anderen verdiepen zich in hun ochtendritueel; in een hoek lachen drie mannen hardop om een grap. Dan vraagt de oudere dame die het eerste op was of ik bij haar wil komen zitten. “Het is moeilijk als je niemand kent en het is moeilijk als je iedereen kent,” zegt de vrouw, die Lia blijkt te heten. Ze begint me ongevraagd advies te geven terwijl ik droog brood naar binnen probeer te werken. “Laat je spullen nooit onbeheerd achter, ook niet op de slaapzaal. Heb je al een uitkering aangevraagd? Zulke dingen moet je meteen regelen, want je moet zo snel mogelijk weer op eigen benen staan. Dit is niks.” Ze vertelt me dat je hier vanaf zes uur ’s avonds voor drie euro kunt eten en drukt me op het hart een ‘garantstelling’ van de Sociale Dienst te regelen, zodat ik gratis kan overnachten. Dan legt ze uit dat er ook een dagopvang bestaat. “Daar komt wel al het gespuis op af: verslaafden, alcoholisten en gekken. Maar je krijgt er koffie voor 15 cent en je kunt er naar de wc.”


Lia heeft spierwit haar in een paardenstaart en vermoeide ogen, waarmee ze me moederlijk aankijkt. Als een andere vrouw me zover krijgt dat ik haar een shaggie laat draaien, zegt Lia: “Moeilijk hè, nee zeggen. Dat moet je wel leren, hoor.”

Op de dagopvang in de Catharijnesteeg kunnen daklozen terecht voor een kop soep, een douche of een spelletje schaak. Weer moet ik me laten inschrijven. Ik krijg te horen dat ik hier ook terechtkan bij een dokter, een tandarts en hulpverleners. In een hoek zit Lia, die haar hand naar me opsteekt. Ik ga bij haar aan tafel zitten, tussen een groepje mensen die elkaar blijken te kennen. Als een medewerkster me een hand geeft om zich voor te stellen, antwoord ik: “Hallo, Coco.” Tot mijn schrik flap ik mijn eigen naam eruit. Ik hoop dat niemand het gehoord heeft.

In de Catharijnesteeg ontmoet ik Sander, een net geklede man van eind dertig. Omdat het binnen zo warm is en ik niet net als gisteren de hele dag in een stoel wil hangen, stel ik hem voor een eindje te gaan wandelen. Terwijl we door de stad lopen, doet Sander zijn verhaal. Nog niet zo lang geleden had hij een goede baan, een leuk gezin, een mooi huis én een gokverslaving. Nadat hij zich had laten behandelen, liep zijn huwelijk op de klippen. Hij bleef achter met schulden en zonder huis. Sindsdien zwerft hij langs de verschillende opvangcentra van Utrecht. Hij wil niets liever dan weer een dak boven zijn hoofd, maar vindt het moeilijk om zijn leven op orde te krijgen. Dat komt door die enorme schulden, zegt hij: alles wat hij verdient, verdwijnt meteen naar zijn schuldeisers. “Als je al aan de voorwaarden voldoet om in die schuldhulpverlening te komen, wordt je leven overgenomen door instanties en verdwijnt elk gevoel van zelfbeschikking en zelfrespect. Dat is het laatste wat je nog hebt, en ook dat nemen ze je af.”


Als we een groepje goed uitziende jongemannen passeren, zegt Sander: “Dat zijn ook daklozen. De meeste daklozen zijn heel normale mensen die door omstandigheden in deze situatie terecht zijn gekomen. Ze hebben gewoon een afslag gemist.”

Nu begrijp ik waarom ik de eerste dag geen daklozen herkende: ze zien er niet zo uit. Ze wassen zich elke dag, dragen gewone kleren en bewaren hun spullen in een opvangcentrum. Alleen de verslaafden, de psychiatrische patiënten en de buitenslapers lopen er vaak onverzorgd bij en zien er als ouderwetse zwervers uit.

’s Morgens sta ik gebroken op. De matrassen zijn te dun en de andere vrouwen op de slaapzaal hebben de hele nacht liggen snurken. Ik maak in de tuin wat notities en dwaal door de stad. ’s Avonds eet ik in het Smulhuis, dat in hetzelfde pand zit als het Snurkhuis: Thaise kip met rijst en paksoi.

Na het eten zie ik de tweede helft van de WK-wedstrijd Spanje-Chili. Het is een mooie wedstrijd, maar zorgeloos genieten is er niet bij. Dakloze Harry is dronken en rochelt luidruchtig, en achter me zit een stelletje tegen elkaar te snauwen. Het is de derde week van de maand en veel daklozen wachten in spanning af of hun uitkering wel wordt gestort.

Blijkbaar ben ik nog steeds niet door de mand gevallen, want ik mag gewoon in de nachtopvang blijven. Ik ken al best veel mensen: Lia, Sander, Harry, Ronnie, die een vriendin heeft bij wil hij weleens slaapt maar bij wie hij het nooit lang uithoudt, en Giuseppe, een Italiaan van middelbare leeftijd.

Ze overladen me met tips over hoe ik via sluiproutes en omwegen uit mijn situatie kan komen. De meesten raden me af om bij hulpinstanties aan te kloppen. “Ze doen niets anders dan de boel blokkeren,” zegt Giuseppe. “Die instanties leven van ons en doen er alles aan om ons in deze situatie te houden. Steeds als je een beetje vooruitgang boekt, hebben ze wel weer een procedure om je binnen te houden. Elke beweging naar boven wordt tegengewerkt.”


Giuseppe voelt zich behandeld als een kleine jongen. “Als ik via de organisaties aan een huis wil komen, moet ik al mijn inkomen afstaan en krijg ik een tientje zakgeld. Een volwassen man zijn geld afpakken en zakgeld geven, is dat nou hulp bieden?”

Hoe meer ik met mensen praat, hoe vaker ik hoor dat ik andermans verhalen met een korreltje zout moet nemen. Sander vertelt me dat veel daklozen wel terug willen naar een geregeld bestaan met werk en een huis, en zich daar ook bij laten helpen. Maar anderen in de nachtopvang zijn volgens hem helemaal niet bezig met het vinden van een woning. “Sommige daklozen raken verslaafd aan dit bestaan. In het begin is het een soort vakantie, dan wordt het een sleur en daarna kun je eigenlijk niet meer terug. Sommige mensen zitten al twintig jaar in deze situatie.” Sander loopt nu anderhalf jaar mee in het circuit van trajecten, schuldhulpverlening en nachtopvang.

Zelf doe ik geen ervaring op met dit systeem, omdat ik me niet voor een daklozenuitkering en een hulptraject kan inschrijven. Ik moet dus afgaan op de verhalen van de daklozen die ik spreek. Dat zijn vooral de mensen die tussen wal en schip vallen of die bewust de hulpverlening de rug toekeren. Maar dat is nou net de groep waar de overheid, die alle daklozen in 2013 van de straat wil hebben, geen vat op heeft.

Razend en tierend staat hij voor de poort, de Pool die altijd dronken is. Hij spuugt en hij schreeuwt. Achmed, de medewerker die me binnenlaat, legt uit wat er aan de hand is. “Hij is voor vannacht geweigerd omdat hij zich niet aan de regels houdt. Maar over een week mag hij weer naar binnen en dan hoor je hem niet meer.”


In eerste instantie lijkt de Sleep-Inn een comfortabele omgeving waar alles netjes is geregeld: de ruimtes zijn redelijk schoon, er zijn genoeg wasbakken, wc’s en douches voor iedereen, ’s morgens is er een gratis ontbijt en er staat altijd koffie en thee klaar. Het personeel is vriendelijk en oprecht geïnteresseerd. En de bezoekers van de nachtopvang zijn meestal vrij rustig. Alcohol, harddrugs en wapens mogen niet mee naar binnen; alleen blowen is toegestaan. Vaak is het best gezellig in het Snurkhuis.

Maar er zijn incidenten. Eind vorig jaar is er iemand zwaargewond geraakt bij een steekpartij. Als ik zelf iemand een aardappelschilmesje tevoorschijn zie halen om een boterham te smeren, realiseer ik me dat ik alert moet blijven. Al kijken we samen naar het voetbal en zitten we te kaarten en te schaken, ik leef hier tussen moordenaars, drinkers, drugsgebruikers, dealers en dieven.

Het is zes uur ’s ochtends als ik naar beneden loop. Langer blijven liggen heeft geen zin, ook al ben ik oververmoeid door de korte nachten en het wachten tot de dag voorbij is. Ik krijg meer last van de hitte, vermoeidheid, de emoties en mijn dubbele identiteit. En ik word ook steeds meer geconfronteerd met de beperkingen, de wanhoop en de machteloosheid van de anderen. Ook zij vullen hun dagen noodgedwongen met hangen in het park of in de Catharijnesteeg, door de stad slenteren, soms een dagje werken, de daklozenkrant verkopen of meehelpen in de opvang.

Maar gelukkig wordt er ook gelachen om het daklozenbestaan. Op een avond zitten we met een stel in de tuin te genieten van een zwoele avond. Sander en Ronnie hebben allebei de winter doorgebracht in de Vaartserijn, een andere nachtopvang in Utrecht. “Weet je nog van die keer dat we met z’n tienen in het gastenverblijf zaten en allemaal lam waren? Toen die pedofiel hapjes en drank voor ons ging halen? Hij kwam terug met twee grote AH-tassen, een vol hapjes en een vol blikjes bier. Met de hapjestas ging hij netjes langs de nachtwaker, maar toen hij daarna de tas vol bier door het raam naar binnen wilde loodsen, stond de nachtwaker opeens achter hem: ‘Zal ik even bijschijnen?'” Het zijn kleine momenten van plezier.


Het begint een sleur te worden. Het heeft wel iets van wonen in een commune, waar je gezellig met z’n allen eet en ontspant. Ik begrijp nu waarom sommige mensen aan dit leven verslingerd raken.

Toch ben ik na twee weken logeren in de nachtopvang volledig ingestort. Als ik dan ook nog ontmaskerd word door een oud-studiegenootje dat als vrijwilligster in de Sleep-Inn werkt, besluit ik dat ik lang genoeg door Utrecht heb gezworven. Ik vertel Lia en de anderen dat ik een kamer kan krijgen bij mijn tante en reis naar Den Haag, waar het daklozenbestaan volgens de verhalen pas echt een hel moet zijn.

Volgende week: Dakloos in Den Haag

Coco Gubbels