‘Schuld is een lastig begrip’

De Duitse strafadvocaat en schrijver Ferdinand von Schirach brengt de misdaad in zijn boeken terug naar de kern, duikt diep in de geest van zijn cliënt en roept daarbij tot frustratie van lezers empathie voor de dader op. ‘Iedereen heeft recht op een verdediging, maar niet iedereen heeft het recht door míj verdedigd te worden.’

Steeds kleiner worden ze, die opnameapparaatjes, zo valt Ferdinand von Schirach op. Hij is even aan zijn drukke promotieschema ontsnapt om buiten een broodnodig sigaretje te roken. De Berlijnse strafadvocaat gebruikt in zijn praktijk nooit opnameapparatuur. Hij tikt met een vinger tegen zijn voorhoofd: “Alles wat gezegd wordt, onthoud ik hier. Wat er op zo’n apparaatje komt te staan, heeft niets met de werkelijkheid te maken. Dat wat je onthoudt, is het wezenlijke. Dáár gaat het om.”

Over het wezenlijke van de misdaad gaan ook zijn korte verhalen. Ontdaan van tierelantijnen die het zicht vertroebelen, brengt Von Schirach de misdaad terug tot haar essentie. In weinig, maar precies gekozen woorden legt hij de mechanismen bloot die ertoe kunnen leiden dat een zus haar broer verdrinkt, een zwerver een lijk in stukken zaagt of een arts na veertig jaar huwelijk zijn vrouw in mootjes hakt. Een indringend beeld van vooral de gewone man die het leven niet meer in de hand heeft. Want de dader is bij Von Schirach doorgaans een mens als u en ik – beroepsmisdadigers boeien hem maar matig.

“Beroepscriminelen hebben bewust besloten zich niet aan de regels te houden, voor hen is misdaad niets bijzonders. De gewone man die een misstap begaat is veel interessanter, ook voor de lezer.” Want ook die heeft weleens op de drempel gestaan van een situatie die vreselijk uit de hand had kunnen lopen. “Daarom identificeren ze zich met deze verhalen, ze herkennen wat er gebeurt. Stel je een echtpaar voor aan het ontbijt: het is zondagmorgen, het zonnetje schijnt en er komt geen familie op bezoek. Een wonderschone dag dus. Dan beginnen ze te kibbelen over de jam. Het gekibbel gaat over in geschreeuw en voor je het weet valt er een klap.” Een situatie die zich volgens Von Schirach slechts kwantitatief van moord onderscheidt. “Het stapelt zich op. Het volgende moment kan iemand een mes van tafel pakken. Dat is hetzelfde mechanisme.”


Misdaden werd uit slapeloosheid geboren. Von Schirach bedacht op een gegeven moment dat hij in plaats van ’s nachts door het huis te dolen beter eens wat kon gaan schrijven. Een plezierige bezigheid, zo ontdekte hij, en één waar hij ook nog talent voor bleek te hebben. “Ik hoor het als de zinnen geen ritme hebben, als de woorden niet kloppen.” En veel tijd kostte het ook niet: binnen acht maanden lag er een manuscript. “Maar het beleven van die verhalen, daar heb ik natuurlijk jaren over gedaan. Als ik nu twintig was geweest, had ik er vier jaar aan kunnen schrijven en dan nog was het niet dit boek geworden.”

Von Schirach baseert zijn verhalen weliswaar op zaken uit zijn praktijk, maar niet één op één. Dat staat zijn zwijgplicht niet toe en daar gaat het hem bovendien niet om. Hij ontleedt de verschillende typen misdaad en daarvoor put hij uit de honderden zaken en meters dossiers die hij in de loop der jaren voorbij heeft zien komen. “Literatuur werkt hetzelfde als een strafproces; je distilleert een verhaal uit een grote hoeveelheid materiaal. Misdaden is dus een verdichting van de werkelijkheid en literatuur is altijd een beetje meer waar dan het echte leven.” Een boodschap heeft Von Schirach overigens niet. “Boeken met een boodschap zijn vervelend.”

Dat schrijven bevalt – afgelopen zomer publiceerde hij in Duitsland zijn tweede bundel, Schuld.

Maar Von Schirach is toch bovenal strafpleiter; in de Duitse pers geldt hij als een ‘sterverdediger’. Volkomen ‘stompzinnig’, vindt hij. “Daarvoor zijn de zaken die ik behandel veel te ernstig. Ik ben geen stervoetballer of zoiets, het gaat om de cliënt, de advocaat is niet belangrijk.” Hij is tegenwoordig weliswaar met enige regelmaat op televisie, maar dat is voor zijn boek. “En daar blijft het bij. Het strafrecht hoort niet thuis op televisie, het is geen amusement.”


Zelf kan hij zich geen beter beroep voorstellen, al was het maar omdat het goed aansluit op zijn vaardigheden. “Ik verkeer graag in de situatie dat ik het als eenling, met alleen mijn hersens als wapen, moet opnemen tegen het immense apparaat van het Openbaar Ministerie en het machtige gerecht. Als kind voelde ik me al sterk aangetrokken tot dergelijke uitdagingen.” Bovendien leert hij de mens graag in al zijn ‘naakte existentie’ kennen.

“Het moment waarop de Gucci-handtas er niet meer toe doet. Dat ze niets meer hebben, geen uitweg meer zien. Dat vertelt je veel over iemand, en ik krijg al die verhalen gratis te horen. Vuiligheid hoort bij de mens. Hij kan Figaro’s Hochzeit componeren, Guernica schilderen en het Élysée-paleis bouwen, maar hij kan ook moorden.” Daartoe acht Von Schirach ook zichzelf in staat. “Maar ik ben gewaarschuwd; ik ken de rechters voor wie ik moet verschijnen en dat houdt me wel enigszins tegen. Bovendien herken ik het moment waarop een conflict de verkeerde kant op dreigt te gaan.”

Von Schirach afficheert zichzelf als toeschouwer. Hij houdt afstand, óók van zijn cliënten. Hij heeft het nu eenmaal niet zo op al te grote menselijke nabijheid. “Dat verdraagt zich eigenlijk niet zo met dit vak, want je bent de laatste strohalm voor je cliënt. Jij bent degene op wie hij al zijn hoop heeft gevestigd en op wiens bordje hij uiteindelijk al zijn angsten en problemen deponeert. Dat is én een grote verantwoordelijkheid, én een grote belasting.” Von Schirach vergelijkt het met een potje schaken: een emotionele speler verliest. “Je moet het hoofd koel houden. Dat lukt alleen als je afstand houdt. Dat kost mij geen enkele moeite, maar voor sommige cliënten is dat lastig.”


Toch duikt hij in Misdaden diep in het innerlijke van zijn cliënten. En er spreekt empathie uit zijn verhalen – zijn vertaler spreekt later op de avond zelfs van ‘een diep medegevoel’. Niet voor de misdaden, maar voor de mensen die ze begaan. Bijna alsof ze niet anders hadden gekund. Zoals Fähner, de arts over wiens leven ‘eigenlijk niets te vertellen viel’, maar die na veertig jaar vernedering een gewelddadig einde maakte aan zijn verstikkende huwelijk. Von Schirach leest het verhaal die avond voor in een bomvol zaaltje in het Goethe-instituut aan de Amsterdamse Herengracht. Drie jaar kreeg Fähner, die hij mocht uitzitten in een open afdeling. “Wie vindt die straf te hoog?” vraagt Von Schirach als hij het boek dichtklapt. Van sommige heren had het wel wat minder gemogen. Als Von Schirach wil weten wie de straf te mild vindt, gaan er alleen wat vrouwenvingers omhoog.

Zo’n oordeel bestaat alleen in het hoofd van de lezers, vertelt Von Schirach eerder die middag. “Zij zijn in dit geval de rechters, ik vertel alleen het verhaal.” Maar dan wel vanuit zijn perspectief als schrijver én advocaat. “Schuld is een lastig begrip. Honderd jaar geleden betekende het iets anders dan nu en het verandert ook als mensen meer informatie over bijvoorbeeld een dader krijgen. Als verdediger heb ik de taak het verhaal van mijn cliënt zo te vertellen dat mensen empathie voor hem gaan voelen.” Dat maakt de schuld minder zwart-wit – tot ontsteltenis van sommige van Von Schirachs lezers. “Die waren na het lezen woedend dat ze begrip hadden gekregen voor de dader.”

Empathie, ja. Maar een moreel oordeel velt Von Schirach niet – ook niet in het echte leven. “Het interesseert mij ook niet of iemand het gedaan heeft of niet, dat moet mijn cliënt maar met zijn god uitmaken. Mij gaat het erom of het Openbaar Ministerie het kan bewijzen. Als ik met een moreel vingertje zou wijzen – ‘hij heeft het gedaan’ – dan functioneert het systeem niet meer, want dan stel ik me aan de kant van de aanklager. Zo werkt het in totalitaire systemen zoals het Derde Rijk, dan dienen advocaten vooral de staat.”


Von Schirach beperkt zich inmiddels tot zo’n tien tot twaalf zaken per jaar – hij kan zich financieel veroorloven kieskeurig te zijn. En dat is hij. “Iedereen heeft recht op een verdediging, natuurlijk. Maar niet iedereen heeft het recht door míj verdedigd te worden.” Zaken die hem vervelen, doet hij sowieso niet. Dat vindt hij zonde van zijn tijd, en zaken waarin sprake is van (vermeend) kindermisbruik neemt hij ook niet aan. Daarvoor is hij naar eigen zeggen te scrupuleus en te bang dat hij het slachtoffer nog meer beschadigd. “Als advocaat moet je zo’n kind ondervragen en voor een kind dat de waarheid vertelt moet zo’n ondervraging het ergste zijn dat er is. Ik zou mijzelf daarbij in de weg staan. Ik weet ook niet of je zo’n kind er uiteindelijk mee helpt.”

Bovendien kan hij niet peilen of een kind liegt – bij volwassenen voelt hij dat feilloos aan. “Dat leer je door ervaring. Jonge collega’s komen naar mij toe in de volle overtuiging dat ze een cliënt hebben die volkomen onschuldig in de gevangenis zit. Als ik dan met zo iemand ga praten, dan denk ik: die is zo schuldig als ik weet niet wat. Twintig jaar geleden had ik dat niet gezien.”

Rechts-radicalen verdedigt hij ook niet, al was het maar vanwege zijn achternaam. Zijn grootvader, een nazi-kopstuk, werd in Neurenberg tot twintig jaar veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid. “Goebbels en Göring kregen de doodstraf, maar dat is een nietszeggend onderscheid. De enige verdienste die Baldur misschien heeft gehad, is dat hij als enige schuld heeft bekend. Maar ja, wat heb je daaraan? Ik geloof ook niet dat het iets voor de slachtoffers heeft betekend. Die misdaden waren zo verschrikkelijk dat een schuldbekentenis er niet meer toe doet.”


Von Schirach heeft zijn grootvader nog even als vrij man meegemaakt, toen hij een jaar of zes was. “Hij was zoals alle opa’s: een nette oude man die naar pijptabak rook.” Later heeft hij zijn dossier gelezen en geprobeerd te begrijpen waarom Baldur geworden is wie hij was. “Maar ik kan het niet verklaren – nog steeds niet. Een beschaafde opvoeding weerhoudt een mens in elk geval niet van het plegen van een misdaad.” Baldur, door historici omschreven als een romantische en sentimentele jongen, groeide op in een keizersgezind milieu vol muziek, theater en literatuur. Zijn vader diende bij de cavalerie onder Wilhelm II en werd later directeur van het nationale theater in Weimar. “Zeg maar een kunstenaar in de voetsporen van Goethe.” Zijn moeder was een ontwikkelde Amerikaanse die uitsluitend Duits sprak met de keizer en wiens familie bovendien twee medeondertekenaars van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring telt. “En hoe Baldur dan zo geworden is… Ik heb me afgevraagd wat ik zou hebben gedaan en ik weet zeker dat ik al direct na de boekverbrandingen (10 mei 1933 – red.) Duitsland had verlaten.”

Voor zijn familie was het een zware belasting. “Mijn vader en zijn broers en zusters zijn onder moeilijke omstandigheden grootgebracht. Maar mij heeft het nooit belemmerd. Het is te lang geleden, en zo zit ik ook niet in elkaar. In wezen heeft het niets met mij te maken.” Hij kijkt opeens bijna olijk: “Ich bin ja ganz vergnügt!”

Ferdinand van Schirach: Misdaden. De Arbeiderspers. €18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

(München, 1964) is straf-advocaat in Berlijn. Hij stamt uit een welgestelde bourgeoisfamilie. Het verhaal wil dat de familie het enige Europese geslacht is dat sinds vierhonderd jaar in elke generatie minstens twee boeken publiceert – Von Schirach was dus iets aan zijn stand verplicht. De familienaam raakte na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet door zijn grootvader Baldur von Schirach, leider van de Hitlerjugend en als latere Gauleiter van Wenen medeverantwoordelijk voor de deportatie van 60.000 joden.


Ferdinand studeerde rechten in Bonn. Hij kwam in 1992 naar Berlijn om het proces tegen de voormalige DDR-leider Erich Honecker bij te wonen als stagiair-advocaat van Honeckers verdediger. Hij maakte al snel naam toen hij in 1995 zelf de verdediging op zich nam van Günther Schabowski. Schabowski, een partijbons uit de voormalige DDR, was in 1989 verantwoordelijk voor de onmiddellijke opening van de Berlijnse muur. In 1995 stond hij terecht voor het laten neerschieten van DDR-burgers die vóór de val van de muur naar het Westen probeerden te vluchten.

Tot Von Schirachs cliënten behoren prominenten, industriëlen, leden van de onderwereld – en gewone mensen. Aan de hand van voorbeelden uit zijn praktijk schreef hij Verbrechen, een bundel misdaadverhalen die de lezer een blik gunt in de afgrond van de menselijke natuur. Het veelgeprezen debuut stond 45 weken op de bestsellerlijst van Der Spiegel en is aan circa dertig landen verkocht. In Nederland verscheen het onlangs bij De Arbeiderspers onder de titel Misdaden.

Marcella van der Weg