Oppositie voeren

Met het kabinet-Rutte 1 breken er mooie tijden aan voor de oppositie. Want de parlementaire basis is smal en Geert Wilders doet serieus mee. Dat wordt prijsschieten. Maar wie gaat het verzet leiden tegen het meest rechtse kabinet van na de oorlog?

Democratie is georganiseerd wantrouwen, luidt een gezegde. De oppositie controleert de regering, en daarmee de uitvoerende ambtenarij, nu eenmaal grondiger dan de fracties die mede regeringsverantwoordelijkheid dragen. Het Voornemen van een regering en het Alternatief van de oppositie horen bij de democratie als ledematen aan een romp. Oppositie houdt bestuurders scherp en bovendien verhoogt het de amusementswaarde van het politieke spel.
Maar hoe je dat, oppositie voeren? “Macht bestaat niet in hard of dikwijls slaan, maar raak slaan,” zei de Franse schrijver Honore de Balzac. Vrij vertaald: oppositie voer je met mate. Dus niet verder stoken in een regeringsploeg die onderling ruziet, want dan kan weerstand van buitenaf juist gevoelens van saamhorigheid oproepen en sluiten de rijen zich weer. Een goede oppositie doet eigenlijk niks; zij zwijgt vaker dan haar lief zal zijn. Eigenlijk hoeven opposanten er alleen maar te zijn, in hun bankjes te zitten en aldus het Alternatief te belichamen dat er altijd is en op elk moment op een presenteerblaadje kan worden aangeboden.
In de naoorlogse parlementaire geschiedenis hebben er eigenlijk maar drie politici die subtiele kunst van het dreigende zwijgen goed beheerst. Dat waren Jan Marijnissen van de SP, die met zijn klassiek-socialistische bevlogenheid vooral de broodnuchtere rekenmeester Wim Kok in ideologische verlegenheid wist te brengen, en Paul Rosenmöller van GroenLinks, altijd zeer alert op tegenstrijdigheden of inconsequenties van tegenstrevers en daarbij zeer drammerig en verontwaardigd, maar op een of andere manier zelden over the top. En dat was vooral Hans Wiegel van de VVD, alom beschouwd als de beste oppositieleider van onze tijd.
Ed van Thijn was fractievoorzitter van de PvdA ten tijde van het eerste kabinet-Den Uyl (1973-1977) en bekende in zijn eerste jaren ‘een soort Wiegel-angst’ te hebben tijdens debatten. In een interview met Jan Hoedeman uit 1993 erkende Van Thijn dat hij vaak niet wist hoe hij moest reageren op de interrupties van de VVD-leider. “Het ging zelden over de zaak zelf. Ik raakte erdoor van slag. Het was zeer doeltreffend.” Het kabinet-Den Uyl viel na dagenlang beraad uiteindelijk op hervorming van de grondpolitiek, mede door de druk die Wiegel uitoefende op minister-president Joop den Uyl. Het was Wiegels meest glorieuze moment.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Frans van Deijl en Frank Verhoef