Alles zoop en naaide

Zouden jongeren nog weten wat de ‘flipstand’ was? Of beter: wat het níet was, want nergens in zijn bestseller Ik Jan Cremer legt de schrijver uit wat de lezer zich moet voorstellen bij dit kennelijk ongeëvenaarde seksstandje, dat was nu juist de grap. Sommige critici konden er niet om lachen, zoals Trouw-recensent J. van Doorne, die de auteur het liefst had verbannen naar ‘het tuchthuis of een kliniek’. Voor straf, om hem die smeerpijperij voorgoed af te leren.

Dit achterhoedegevecht werd geleverd in 1964, hetzelfde jaar waarin de omroepbazen van de AVRO decreteerden dat een bepaald vers (‘Dit gebeurde overal’) van Remco Campert niet integraal mocht worden voorgelezen in het tv-programma Literaire ontmoetingen. Campert typeerde de sfeer van vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen de bevrijding ieders hoofd op hol joeg, met de feestelijke regels: “Alles zoop en naaide/heel Europa was één groot matras/en de hemel het plafond/van een derderangshotel.”

Dat kon dus niet hardop gezegd worden, vanwege het woordje ‘naaide’. Het verbod leidde tot een nationale rel, alle kranten schreven erover, maar geen enkele drukte het gewraakte woord gewoon af. De Haagse Post verving ‘naaide’ bijvoorbeeld door drie puntjes.

Pas toen de VPRO zowel baldadig als dapper genoeg was geworden om Joop van Tijn het woord ‘neuken’ te laten bezigen – en zelden in zijn geschiedenis zal dat woord zo innig beschaafd om niet te zeggen bekakt zijn uitgesproken – werd zulk onverbloemd taalgebruik salonfähig, zij het nog lang niet overal. Alleen in wat toen ‘linkse, weldenkende kringen’ heette ging men voortaan aan de schaamte op dit punt voorbij. In confessionele en meer traditionele, ‘rechtse’ milieus duurde het aanzienlijk langer eer zulke duistere en verdekte zaken bij hun naam konden worden genoemd.

Al die angsthazerij en hysterische opwinding over helemaal niks, dat kun je je nu nog maar nauwelijks voorstellen.

In Venus in minirok gaat letterkundige Piet Calis nader in op die veelzeggende puntjes in de Haagse Post, en wat ze moesten verhullen. Hij betitelt van het begin jaren vijftig tot midden jaren zestig, als ‘de jaren der onschuld’. Enigszins tot mijn verbazing, want je zou die periode met evenveel recht kunnen karakteriseren als ‘de jaren van de hypocrisie’, ‘de jaren van het benepen burgermansfatsoen’ of ‘de jaren van het grote zwijgen’.


Calis behandelt al die onderdrukte frustraties en stiekeme verlangens in thematisch geordende hoofdstukjes, die onder andere gewijd zijn aan de literaire manifestaties van de zelfbevrediging; de beklemming van de obligate seks binnen het huwelijk; de dubieuze geneugten van de prostitutie; de taboes rond sadomasochisme, pedofilie, homoseksualiteit en incest; het (zelf)destructieve aspect van hoogromantische bevliegingen; de wankele constructie van het omstreden ‘open huwelijk’, en de leugens die gepaard gingen met overspel. De beerput van een beschimmelde, overleefde en onderdrukkende moraal ging in de jaren zestig en zeventig eindelijk open, onder het motto dat ‘alles moest kunnen’, maar wat er toen tevoorschijn kwam, stemde toch niet echt optimistisch.

Wat dat betreft onthult dit boek niets nieuws, maar het is de grote verdienste en charme (!) van Calis, dat hij al die ontwikkelingen zichtbaar maakt met behulp van literaire citaten, die – juist omdat ze uit hun context zijn gelicht – fungeren als fascinerende lichtbeelden bij een onthutsende, historische lezing.

Piet Calis: Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945. Meulenhoff. €19,95. Ook verkrijgbaar bij www.ako.nl.

Emma Brunt