De kunst van het raak slaan

Met het kabinet-Rutte I breken er mooie tijden aan voor de oppositie. Want de parlementaire basis is smal en Geert Wilders doet serieus mee. Dat wordt prijsschieten. Maar wie gaat het verzet leiden tegen het meest rechtse kabinet van na de oorlog?

Democratie is georganiseerd wantrouwen, luidt een gezegde. De oppositie controleert de regering, en daarmee de uitvoerende ambtenarij, nu eenmaal grondiger dan de fracties die mede regeringsverantwoordelijkheid dragen. Het voornemen van een regering en het alternatief van de oppositie horen bij de democratie als ledematen aan een romp. Oppositie houdt bestuurders scherp en bovendien verhoogt het de amusementswaarde van het politieke spel.

Maar hoe je dat, oppositie voeren? “Macht bestaat niet uit hard of dikwijls slaan, maar uit raak slaan,” zei de Franse schrijver Honoré de Balzac uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Vrij vertaald: oppositie voer je met mate. Dus niet verder stoken in een regeringsploeg die onderling ruziet, want dan kan weerstand van buitenaf juist gevoelens van saamhorigheid oproepen en sluiten de rijen zich weer. Een goede oppositie doet eigenlijk niks; zij zwijgt vaker dan haar lief zal zijn. Eigenlijk hoeven opposanten er alleen maar te zijn, in hun bankjes te zitten en aldus het alternatief te belichamen dat er altijd is en op elk moment op een presenteerblaadje kan worden aangeboden.

In de naoorlogse parlementaire geschie-denis hebben eigenlijk maar drie politicide subtiele kunst van het dreigende zwijgen goed beheerst. Dat waren Jan Marijnissen van de SP, die met zijn klassiek-socialistische bevlogenheid vooral de broodnuchtere rekenmeester Wim Kok in ideologische verlegenheid wist te brengen, en Paul Rosenmöller van GroenLinks, altijd zeer alert op tegenstrijdigheden of inconsequenties van tegenstrevers en daarbij zeer drammerig en verontwaardigd, maar op een of anderemanier zelden over the top. En dat was vooral Hans Wiegel van de VVD, alom beschouwd als de beste oppositieleider van deze periode.


Ed van Thijn was fractievoorzitter van de PvdA ten tijde van het eerste kabinet-Den Uyl (1973-1977) en bekende in zijn eerste jaren ‘een soort Wiegel-angst’ te hebben tijdens debatten. In een interview met Jan Hoedeman uit 1993 erkende Van Thijn dat hij vaak niet wist hoe hij moest reageren op de interrupties van de VVD-leider. “Het ging zelden over de zaak zelf. Ik raakte erdoor van slag. Het was zeer doeltreffend.” Het kabinet-Den Uyl viel na dagenlang beraad uiteindelijk op hervorming van de grondpolitiek, mede door de druk die Wiegel uitoefende op minister-president Joop den Uyl. Het was Wiegels meest glorieuze moment.

Wiegel reageert laconiek als we hem vragen hoe hij oppositieleider is geworden. “Dat kwam door het kabinet-Den Uyl. Ik was fractievoorzitter van de grootste oppositiepartij en dan ben je natuurlijk al snel oppositieleider.” Een belangrijke voorwaarde voor een kabinet is dat coalitiepartijen écht samen willen werken, op basis van gelijkwaardigheid. “In het kabinet-Den Uyl maakte vooral de PvdA de dienst uit, de ARP en KVP waren bijwagens. Ik zag het aan de gezichten van de Kamerleden; ze vonden het maar niks. Kortom, er was stof genoeg.”

Volgens Wiegel moet een potentiële oppositieleider ervoor zorgen dat hij bij de presentatie van de regeringsverklaring van het nieuwe kabinet een goed verhaal klaar heeft: “Bij het debat over die verklaring laat je in feite je visitekaartje achter. Zo kun je je goed positioneren tegenover het kabinet.” Maar er is veel meer voor nodig om oppositieleider te worden. “Het is handwerk. Een coalitie moet je uit elkaar spelen. Je moet de zwakke punten zoeken en ze scherp houden. Niemand is gebaat bij een zwakke regering.”


Maar oppositie moet wel worden gedoseerd. “Het is als een schermwedstrijd – je moet op het juiste moment prikken.” Daarbij moeten de mensen thuis niet worden vergeten; alleen de zaal met collega’s bespelen is niet voldoende. “Je wilt namelijk ook de dag erna in de kranten worden genoemd.” Tegelijkertijd moet je ervoor waken dat je te veel op televisie komt. En soms moet je helemaal niets doen. Dat merkte Wiegel in de jaren zeventig, toen hij besloot een aantal weken niet op televisie te verschijnen. Zijn VVD steeg gestaag in de peilingen. Het is van belang om oppositie voeren niet te zien als een last waar je onder gebukt gaat, benadrukt Wiegel. “Je moet het met ongelooflijk veel plezier doen.” Het is een vak, een kunst, oppositie voeren. “Je leert het in de praktijk. Je moet het in de vingers krijgen. Het lijkt misschien alsof het vanzelf gaat, maar het vergt veel voorbereiding.”

Daaronder valt het oefenen in speechen en debaten in samenwerking met ervaren mediatrainers en zelfs acteurs. Het kost een flinke duit, maar dan heb je ook wat. Elke dag een uurtje voor de spiegel staan en doen alsof is evengoed mogelijk, als je het maar vaak genoeg oefent.

Er is een lange adem voor nodig om een coalitie te breken. Wiegel: “Het is heel belangrijk dat je geloofwaardig blijft en niet alles bij voorbaat afschiet.” Hij is daarom kritisch op de oppositiestrategie van de PvdA, een interne nota waarin staat dat de sociaal-democraten opportunistisch zullen handelen om het ‘kabinet-Wilders’ maar ten val te kunnen brengen. “Hoe haal je het in je hoofd? Zoiets moet je niet op een papiertje krabbelen. Oppositie voeren moet je gewoon dóen. Voor de oppositie komt er nu wat moois. Met zo’n kabinet zou ik het wel weten als ik in de oppositie zat.”


Wat zou Wiegel doen bij dit kabinet? Het wordt gemakkelijk scoren, want een meer uitgesproken kabinet dan dit bestaat er niet. De oppositie bestaat geheel uit linkse partijen, de parlementaire basis voor het kabinet is smal. Een goede oppositieleider zoekt de zwakke plekken op, zowel in de deelnemende fracties als in het kabinet zelf, en de inschatting is dat dat niet al te moeilijk zal worden met een aantal CDA-dissidenten aan boord.

Er bestaat nog een andere categorie van parlementaire opposanten, die weliswaar veelal splinterpartijen vertegenwoordigen, maar die opvallen door hun gespecialiseerde kennis over bijvoorbeeld het staatsrecht, of die gewoon gevat zijn of zelfs een tikje vreemd. Het bekendste voorbeeld van een opposant die zich geen zorgen hoefde te maken dat hij ooit écht verantwoordelijkheid zou dragen, was Marcus Bakker. Hij leidde van 1956 tot 1982 de communistische verzetspartij CPN, en dat deed hij met on-Nederlands harde hand. Geen enkele kritiek op de Sovjet-Unie werd geduld en degene die dat wel deed, kon rekenen op een onverbiddelijk royement. Naar aanleiding van de Hongaarse opstand in 1956 tegen de Russische overheersing, schreef Bakker in het partijorgaan De Waarheid dat het de machthebbers van het Kremlin ‘hopelijk snel zal lukken met dit gespuis (de Hongaarse opstandelingen dus – red.) korte metten te maken’.

In Kamerdebatten vertoonde Bakkers onverzettelijkheid ook luchtiger kantjes en was hij niet alleen vaak zeer scherp en op het vileine af, maar bleek hij ook zeer geestig te zijn.

Dan herinneren wij ons Hendrik (‘boer’) Koekoek, van 1963 tot 1981 fractieleider van de Boerenpartij, wiens Achterhoekse accent in combinatie met een aandoenlijke onbeholpenheid alom aandacht trok. Koekoek zou in 1974 de eerste en tot nu toe enige parlementariër worden die een nummer-1-hit scoorde met het door hem meegezongen carnavalsplaatje van Pierre Kartner Den Uyl is den olie, in den olie is Den Uyl, waarbij boer Koekoek dan het refrein zong: ‘Koekoek, koekoek/Ja, Joop moet in den hoek/koekoek, koekoek/Ja, Joop krijgt voor z’n broek.’ Later raakte boer Koekoek verstrikt in kleine en grote affaires – zo werd hij ervan beschuldigd een paar pony’s in een weiland te hebben verwaarloosd – en verbleekte zijn ster. Hij overleed in 1987 en werd niet eens herdacht in de Tweede Kamer.


Andere kleurrijke opposanten die niet onvermeld mogen blijven, waren Christine (‘de freule’) Wttewall van Stoetwegen, een gezellige mopperkont met innige banden met het Koninklijk Huis die van 1945 tot 1971 in de Kamer zat voor de CHU, en Hans Janmaat, van 1982 tot 1998 de extreem-rechtse fractievoorzitter van achtereenvolgens de Centrumpartij, de Groep Janmaat en de Centrumdemocraten.

Wie niet extreem verbaal vaardig is of al dan niet prettig gestoord, trekt als kleine partij de aandacht met specialistische kennis. De GPV van Gert Schutte en later de SGP van Bas van der Vlies zijn daarvan voorbeelden. Schutte ontwikkelde zich als het staatsrechtelijke geweten van de Kamer, Bas van der Vlies zette die traditie na Schuttes vertrek voort. Inmiddels is ook hij met pensioen en legt hij terugkijkend uit: “Omdat wij als SGP maar één of twee zetels hadden, waren wij in debatten vaak de laatste sprekers. De volgorde van de sprekers is namelijk afhankelijk van de fractiegrootte. Dus dan liep je soms na een lange, vermoeiende dag naar het spreekgestoelte en wist je dat er mensen waren die dachten: daar heb je hen ook nog eens een keer. Dus dan zorgde je ervoor dat je iets had waarmee je je kon onderscheiden, zodat ze bleven luisteren.”

Van der Vlies verhaalt van het Kamerlid dat in het DSB-debat van eind 2009 aan nota bene minister Wouter Bos vroeg om een parlementaire enqute. “Dat sloeg nergens op, want de Kamer kan zelf het initiatief daartoe nemen. En ik heb het meegemaakt dat een D66-Kamerlid een paar amendementen wilde indienen bij de ratificatie van een verdrag, wat helemaal niet kan. Wel bij een wet, maar niet bij een verdrag, want dan is het nog een kwestie van ja of nee stemmen. Pure onwetendheid. Ik heb het als een taak gevoeld om nieuwkomers op dat vlak bij te staan en te helpen.” De verwachting is dat zijn opvolger Kees van der Staaij, die sinds 1998 in de Kamer zit, die rol voortzet.


Met de ministers van Rutte I bijna rammelend aan het hek van paleis Noordeinde in Den Haag, lopen de oppositionele fractieleiders zich warm voor de naderende regeringsverklaring, de uitgestelde Algemene Beschouwingen en al die andere debatten die nog in het verschiet liggen. Ter linkerzijde zijn Femke Halsema en Alexander Pechtold de meest ervaren volksvertegenwoordigers, al hebben zij – om de woorden van De Balzac aan te halen – te vaak en te hard om zich heen gemept. In de huidige mediacratie is de houdbaarheidsdatum van mensen die geregeld op het televisiescherm verschijnen beperkter dan ooit. De kijker raakt sneller verveeld van de koppen en van het bijbehorende stemgeluid. Nog eens vier jaar de kakkineuze verontwaardiging aan te moeten horen van Halsema of de zich superieur wanende Pechtold zal menig toehoorder irriteren of verleiden tot een gaapje. Overigens moet niet uitgesloten worden dat Halsema en Pechtold op enig moment uit de Tweede Kamer vertrekken en elders een nieuwe uitdaging zoeken. Voor Pechtold kan Boris van der Ham komen en voor Halsema haar al eerder getipte collega Jolande Sap.

Blijven over PvdA-leider Job Cohen en SP-voorman Emile Roemer. Eerst Cohen.

Tot nu toe heeft hij in debatten niet de indruk gewekt Wilders of iemand anders dermate verbaal te kunnen ontregelen, dat dat uitgelegd kon worden als een proeve van oppositionele bekwaamheid. Partijgenoot Bram Peper, oud-burgemeester van Rotterdam en voormalig minister van Binnenlandse Zaken, zei onlangs in dit blad: “Mijn gevoel is dat Cohen niet erg happy is in Den Haag. Ik ken hem redelijk; dit is niet zijn biotoop. Hij voelt zich niet thuis in de Haagse slangenkuil. Cohen is een bestuurder, geen oppositieleider. Het is een rustige, integere man, maar het is lastig om met die eigenschappen oppositie te voeren. Nu wordt hij in de Kamer van alle kanten besprongen, maar hij is geen straatvechter, snap je?”


Maar wat niet is, kan nog komen. Frits Bolkestein was in de jaren negentig bij zijn eerste Algemene Beschouwingen een ramp, maar hij ontwikkelde zich razendsnel en boekte in 1998 voor zijn partij de tot nu toe grootste verkiezingsoverwinning.

Of bekwaamt Job Cohen zich dezer dagen in het diepste geheim met enkele sparringpartners toch in het gangbare oppositie voeren, waarbij zaken aan de orde komen als ‘wanneer ren ik naar de interruptiemicrofoon’, ‘hoe krijg ik de lachers op mijn hand’ en ‘hoe word ik gemeen’? Angela de Jong, Cohens woordvoerder, zegt dat hij wel debatten oefende voor de verkiezingsdebatten op televisie, maar ze weet niet of dat nu ook gebeurt met het oog op zijn mogelijke rol als oppositieleider. Partijvoorzitter Lilian Ploumen: “Job moet vooral zichzelf blijven, dus rustig en bedachtzaam oppositie voeren en dat, waar mogelijk, samen met andere partijen. Misschien introduceert hij wel een nieuwe stijl die niet alleen bij hemzelf past, maar die ook bij het publiek aanslaat. Aan die verfijnde, fatsoenlijke stijl zou na alle verruwing die ook de Tweede Kamer heeft bereikt, weleens grote behoefte kunnen zijn.”

Wiegel meent dat het je moet liggen om als oppositieleider tegendraads te zijn. Volgens hem komt dat bij Cohen niet vanzelf. “Zo is hij gewoon niet gebakken.”

Maar is er een vervanger voor Cohen? Oud-minister Ronald Plasterk zou het kunnen, want hij is een snelle denker en vanuit zijn universitaire achtergrond gewend te debatteren op het scherpst van de snede.

Wiegel is enthousiast over SP-leider Emile Roemer, want hij bezit zelfspot. Wiegel zei dat in een interview in het opinieprogramma Uitgesproken WNL: “Roemer vind ik wel wat, die straalt ook een soort vreugde uit. Hij zou het best eens heel goed kunnen gaan doen.” Maar staan wij aan de vooravond van het tijdperk-Roemer? Wordt de guitige grappenmaker uit Noord-Brabant degene die de oppositie leidt tegen het rechtse kabinet? VU-politicoloog André Krouwel denkt dat het zich nog moet uitwijzen of de ‘jolige’ Roemer oppositieleider wordt. Volgens Krouwel is het wel zo dat hij beter oppositie kan voeren dan Cohen en flink wat zetels kan winnen. “Communicatief is Roemer een goede, maar zijn partij, de SP, is niet relevant. Er wordt ook gekeken naar het alternatief voor een rechts kabinet, en dan is de PvdA toch aantrekkelijker.” Maar Roemer kan wel de rol van beschermer van de oude verzorgingsstaat op zich nemen. “Dan wordt het toch weer een protestpartij, terwijl de SP zich de laatste jaren juist ontwikkelde tot een potentiële regeringspartij. Als het rechtse kabinet er komt, kan Roemer op links-populistische wijze oppositie blijven voeren en zo een belangrijke stem in het debat worden.”


Of Roemer de oppositieleider wordt, ligt helemaal aan de rol van Cohen en de duur van het nieuwe kabinet. Hoe langer het kabinet blijft zitten, hoe lastiger het wordt voor Cohen om zich te profileren, waarna hij uiteindelijk uit de politiek verdwijnt, meent Krouwel.

Hoe dan ook, Roemer komt eraan, Den Haag is gewaarschuwd. Overigens is van de SP-voorman bekend dat Martin Luther King zijn grote voorbeeld is. Uit het navolgende fragment uit een speech van King in 1956 wordt duidelijk waarom. King sprak een menigte toe, kort na een mislukte aanslag aan de voorkant van zijn pastorie in het plaatsje Montgomery, Alabama, zijn eerste standplaats als baptisten-dominee. “Raak niet in paniek,” roept hij, “haal niet jullie wapens. Want die door het zwaard leven, zullen door het zwaard omkomen. Wij zijn tegen geweld. Ik wil dat jullie je vijanden liefhebben. Wees goed voor ze. Heb ze lief en laat ze weten dat je ze lief hebt. (…) Ik wil dat het bekend wordt over de lengte en de breedte van het land, dat als ze mij stoppen, deze beweging niet zal stoppen. Als ik gestopt word, zal ons werk niet stoppen, want wat wij doen is juist.”

Een oppositieleider wordt niet zomaar een oppositieleider; daar moet keihard voor worden gewerkt. Het belangrijkste wat hij moet doen, is analyseren welke fracties verdeeld zijn over de kabinetsdeelname en welke Kamerleden kunnen worden aangemerkt als potentiële afvalligen. Dan moet er langzaamaan worden begonnen met het aanwakkeren van sluimerende onrust binnen de deelnemende partijen om zo de coalitie uit elkaar te spelen. Buit die verdeeldheid uit. Ook niet onbelangrijk: een aantrekkelijk doelwit om je pijlen op te richten. De oppositie moet niet tegen ieder lid van het kabinet worden gevoerd. Zoek één zondebok en vraag hem, desnoods dagen achter elkaar, ter verantwoording in de Tweede Kamer. Op enig moment kan het gebeuren dat zo’n minister breekt. Een ander belangrijk middel in de Kamer: durf de tegenspelers te intimideren. Doe net alsof je weet waar je het over hebt, ook al is dat niet het geval. Vaak kom je er mee weg, omdat de tegenspeler het zelf ook niet helemaal weet. Een andere belangrijke tip: de mensen thuis verwachten soms een spektakel, dus vergeet niet dat je niet alleen de Kamerleden en kabinetsleden moet imponeren, óók de mensen die meekijken via de tv verwachten wat van je. Aan de andere kant: wees niet te veel op televisie. Oppositie voeren moet je doseren, net als de mediaoptredens.

Frans van Deijl en Frank Verhoef