Ouderwetse romanticus

Zlatan Ibrahimovic is een van de grootste voetballers van dit moment. Ook letterlijk – niet voor niets imiteerde Andy van der Meyde na een succesvolle assist van de Zweed altijd een olifantenslurf. Zlatan heeft voeten waarmee hij een half stadion kan vullen, schuiten die de legendarische sleepboten van Nwankwo Kanu in herinnering brengen. En met een van die maatjes 56 zag ik hem iets ongelooflijk moois doen, ergens in de tweede helft van Ajax-AC Milan. Ter hoogte van de kruising middenlijn/zijlijn kreeg Zlatan de bal, terwijl hij hemelsbreed met zijn rug naar het vijandige doel stond. De knikker werd redelijk stevig ingespeeld, maar dat was voor de aanvaller geen beletsel om ‘m onmiddellijk onder controle te hebben. In een split second, zoals dat in goed Nederlands heet, tikte hij het speeltuig naar een vrijstaande medespeler in de as van het veld. Zomaar, achteloos en loepzuiver, en zonder zijn been te bewegen. De bal werd gewoon doorgetikt via een scharnierbeweging in de enkel. En ik moest aan John Bonham denken, de diepbetreurde drummer van Led Zeppelin.

Onder kenners van het metier geldt Bonzo als de grootste rockdrummer die ooit heeft geleefd, niet in het minst vanwege zijn unieke techniek. Waar doorsnee trommelaars, zeker in het harde segment, de neiging hebben om met hun armen als dolgedraaide molenwieken boven hun drumkit te zwaaien, daar zat de besnorde (en later bebaarde) Brit stoïcijns achter zijn apparatuur, waarbij hij zijn mokerslagen niet vanuit zijn schouders, maar vanuit zijn polsen verzond. Ik zat met een opengevallen bek in de Amsterdam ArenA en noteerde: “Zlatan Ibrahimovic is de John Bonham van het voetbal.”

Kon ik wat met die waarneming? Nauwelijks. Te bloemrijk, te romantisch. Niet zakelijk genoeg. Zoveel werd me na afloop op ondubbelzinnige wijze duidelijk gemaakt toen we in de perskamer van Ajax uit handen van een waterdrager van de UEFA een half regenwoud aan papier kregen overhandigd. De met moeite door een nietje bij elkaar gehouden paperassen bevatten gegevens waarmee wij verslaggevers onze wedstrijdrapportage zouden moeten – laat ik niet al te negatief zijn – kúnnen larderen. Dat de meeste dagbladjournalisten vanwege het krankzinnig late aanvangsuur van Champions League-duels amper nog de tijd hebben om een simpel 1-0-, 1-1-verslag te maken, is kennelijk geen moment tot de hersenpannen der hoge heren doorgedrongen. Met als gevolg dat kilo’s papier ongelezen in de prullenbak verdwenen.

En dat is jammer, want deze gratis verstrekte statistieken bevatten zo veel boeiends. Voor alle duidelijkheid: dit tik ik met een cynische ondertoon. Want wat moeten we in vredesnaam met de wetenschap dat Maarten Stekelenburg tijdens Ajax-AC Milan 94 minuten en 39 seconden zuivere speeltijd heeft gehad, tegen 81 minuten en 47 seconden voor Demy de Zeeuw? Dat Ajaxspelers in de eerste helft 281 keer een pass hebben verzonden, onderverdeeld in long (57), medium (156) en short (68), tegenover 240 voor Milan (34, 145, 61)? Dat Ajax in de eerste helft een afstand van 55.564 meter aflegde – en 54.155 in de tweede? En wat – oh horror – moet een verslaggever die is opgegroeid in de tijd dat na rust de bordjes waren verhangen en de rood-witten uit een heel ander vaatje tapten, in godshemelsnaam met het volgende: “Delivery/solo runs into the attacking third: 55 (33 – 22).”


Zorgvuldige bestudering van deze UEFA-variant van kernfysica leert dat Ajax dit CL-seizoen een gemiddelde van 0,5 assists op z’n naam heeft staan. Een halve assist! Die gaf ik vroeger ook weleens, waarna we de bal dan uit de sloot moesten halen met behulp van kluitjes aarde en een tak. Dat ik daar meteen aan moest denken, bewijst dat ik op voetbalgebied een ouderwetse romanticus ben. Voor 100 procent.

import michiel blijboom