‘Laat ze maar ademloos luisteren’

Na twaalf jaar lachen, gieren, brullen samen met Erik van Muiswinkel staat Diederik van Vleuten nu alleen op de planken. Met een aangrijpende voorstelling over zijn oom Jan, die in Indië is geboren en meedeed aan de politionele acties. ‘Met de kennis van nu is het makkelijk praten.’

Landgoed Schuylenburg, Kerstavond 1982. Net op het moment dat vader Ron van Vleuten wil gaan voorlezen uit de enorme familiebijbel, wordt er gebeld. Een stevige vloek ontsnapt aan de mond van de patriarch, waarna hij zijn 21-jarige zoon Diederik opdraagt te gaan kijken wie het in godsnaam in zijn hoofd haalt om op Kerstavond bij de Van Vleutentjes aan te bellen. “Het was de buurvrouw,” zegt Diederik terwijl hij zijn vader een pakketje in de handen drukt. “Oom Jan is dit vanmiddag komen brengen, maar we waren er niet.” In het pakket zitten de memoires van oom Jan, de broer van Diederiks opa van vaderskant. En met die ‘daad van overdracht’ begint in feite de geschiedenis van de voorstelling Daar werd wat groots verricht.

Oom Jan van Vleuten werd in 1906 geboren in Nederlands-Indië. In 1914 gaat de familie met verlof naar Nederland en blijft Jan, met het oog op ‘gedegen onderwijs’, achter in Nederland. In 1930 keert hij naar zijn geboorteland terug, waar hij de liefde van zijn leven ontmoet: de prominent in de voorstelling aanwezige onderwijzeres Aukje van der Werff. Tijdens de oorlog komen ze in een Jappenkamp terecht, een hel die ze beiden overleven. Uitgemergeld maar zielsgelukkig dat ze elkaar nog hebben, keert het echtpaar tijdelijk terug naar Nederland. Na de oorlog gaat oom Jan ten tijde van de politionele acties weer terug naar ‘zijn Indië’, om in kaart te brengen welke ondernemingen nog rendabel zijn. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 verruilt oom Jan de Gordel van Smaragd definitief voor de Hollandse klei. Na de dood van zijn vrouw zet hij zich aan het schrijven van zijn levensverhaal, dat begint met de memorabele regels: “Het is niet omdat ik mijzelf zo belangrijk vind dat ik dit geschreven heb, maar ik vind wel dat ik in een belangrijke tijd geleefd heb. De veranderingen die zich tijdens mijn leven in de wereld voltrokken zijn als een waterval over ons heen gekomen. Daarvan wil ik nog eenmaal getuigen.”


Pas jaren later wordt Diederik van Vleuten daadwerkelijk eigenaar van de memoires van oom Jan. Hij vindt ze in een kist vol andere familieparafernalia uit Indië. Nadat hij in de kist gesnuffeld had, de foto’s had bekeken en oom Jans bijna 700 pagina’s tellende memoires had gelezen, wist Diederik van Vleuten het: dit is mijn nieuwe voorstelling. Het was het juiste moment, want Van Vleuten zat net even met zijn handen in het zeer schaarse haar. Vlak voor een voorstelling, en met nog vele optredens te gaan, had Erik van Muiswinkel al aangekondigd dat hij na Prediker en Hooglied geen nieuwe voorstelling meer wilde maken. Twaalf jaar lang hadden Muiswinkel en Van Vleuten samengewerkt. En in die twaalf jaar maakte het duo voorstellingen die niet alleen tot de leukste, maar vooral tot de meest intelligente vormen van cabaret kunnen worden gerekend.

Was het een klap toen Van Muiswinkel liet weten dat een nieuwe voorstelling een te grote druk op zijn agenda zou leggen?

“Ik reed die avond wel met rode oogjes naar huis. En dan was er de timing: vlak voor een voorstelling en midden in een tournee. Maar nu ik met Daar werd wat groots verricht bezig ben, realiseer ik me dat het ook een grote bevrijding is – en dat bedoel ik helemaal niet lullig tegenover Erik. Wij hadden een natuurlijke rolverdeling. Erik was het Archie Bunker-achtige type. Ik zal niet zeggen dat ik de aangever was van Erik of dat ik in een harnas zat, maar ik was wel een beetje de beschouwende man die de boude beweringen van Erik wat trachtte te relativeren. En dan kwam Erik daar weer met een waanzinnige imitatie overheen en lag de zaal meteen plat. Ik heb wat dat betreft wel water bij de wijn moeten doen, omdat veel teksten die Erik in de mond kreeg wel door míj werden geschreven en dus wel degelijk ook mijn persoon waren. Maar ja, dat werkte niet op het toneel. De mensen zagen mij als de sombere filosoof en Erik als de man met wie je ontzettend kon lachen. Nu ben ik vrij om te zeggen of te doen wat ik wil.”


U heeft altijd met verzonnen verhalen op het podium gestaan, waar veel om werd gelachen. Is het niet eng om met een waar verhaal zonder al te veel humor door het land te trekken?

“Jazeker. Ik sta nu in m’n nakie. Daarom waarschuw ik de mensen vooraf dat het geen avondje dijenkletsen wordt, en dat ze nú nog kunnen vertrekken als ze dat willen. Vlak voor de zomer dacht ik: dit verhaal is zo goed, daar heb ik geen lach bij nodig. Laat ze maar op het puntje van hun stoel zitten en ademloos luisteren – en dat is gelukt. Dat is een grootse overwinning.”

Heeft u zich nog dichterlijke vrijheden veroorloofd bij het schrijven van de tekst?

“Het is honderd procent waar wat ik vertel. Ik heb alleen verdicht en naar elkaar toegehaald, want je kunt niet alles in extenso behandelen; dan kom je aan een programma van vier uur. Hoe Jan de ondernemingen aantrof toen hij na de oorlog terugkeerde. Of hoe hij de politionele acties heeft ervaren. Over die acties heb ik wel mening. Dat was een verkeerde oorlog, ja. Maar dat is een open deur waar je op het podium niks voor koopt.

“‘Met de kennis van nu’ is het makkelijk praten. Met de kennis van nu had je Van Nistelrooy moeten meenemen naar het WK. Mensen maken oorlog. Ik weet niet of het wel zoveel zin heeft om na afloop excuses aan elkaar te gaan lopen maken. Hetzelfde geldt voor de ereschuld van Japan. Zou het uitgemaakt hebben als Hirohito naar een vol Congresgebouw was gekomen om daar namens Japan zijn excuses aan te bieden? Zou iedereen daarna huppelend naar buiten zijn gelopen? Ik weet het niet.

“Maar goed: ik heb het natuurlijk ook niet meegemaakt. Ik weet niet wat het is om honger te hebben. Ik weet niet wat het is om in een kamp opgesloten te zitten. Ik heb een keer tien minuten op het politiebureau van Alkmaar gezeten omdat het lampje van mijn brommer het niet deed. Dat was mijn internering.”


Met de kennis van nu zeggen wij dat Nederland Indië heeft leeggeroofd. Uw familie heeft daaraan meegedaan. Hoe voelt dat voor u?

“Wat is leegroven? Mijn betovergrootvader is daar een veilinghuis begonnen. Hij kocht daar de spulletjes van mensen die terug naar Nederland gingen en verkocht ze weer aan de mensen die in Batavia aankwamen. En inderdaad: mijn overgrootvader had een grote suikerfabriek en oom Jan heeft op negen ondernemingen gewerkt.

“Ik lees in de memoires van oom Jan dat er in Laren – vlakbij het huis van zijn vader in Bussum – een laan was die ‘de Bloedzuigerslaan’ werd genoemd, omdat daar oud-Indiëgangers woonden. Dus ja: mijn familie maakte deel uit van het koloniale systeem en aan het grote bloedzuigen hebben zij in die zin bijgedragen. Maar ik voel dat helemaal niet zo. Ik haal dat ook niet uit die memoires, al is het natuurlijk wel zo. Maar ik pas ervoor om als vertegenwoordiger van de linkse kerk daar een geweldige mening over te hebben. De huidige generatie die de generaties daarvoor veroordeelt: daar ben ik niet zo voor. De joden hebben vreselijk geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar waren een paar eeuwen eerder de allerbeste slavenhandelaars op de westkust van Afrika. Dat kun je óók stellen, maar wat moet je ermee? Dat is het lastige van geschiedenis: hoe meer je je erin verdiept, des te meer valt er te begrijpen.”

Maar hoe ver moet het begrip gaan?

“En hoe ver moeten de excuses gaan? En hoe ver moet het herschrijven van de geschiedenis gaan? Nu heb je de discussie, door enige historici aangewakkerd, of de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië niet moet worden aangepast.”


In onze geschiedenisboeken lezen we: 27 december 1949, soevereiniteitsoverdracht, Paleis op de Dam. In Indonesië wordt de onafhankelijkheid gevierd op 17 augustus, de dag dat Soekarno in 1945 te Batavia in zijn voortuintje de vrije staat Indonesië uitriep. Moet de Nederlandse regering die datum nu officieel wijzigen?

“Dat zijn ook van die dingen. Je kunt de geschiedenis niet meer veranderen. Je kunt wel erkennen dat op 17 augustus 1945 het land kreeg waar het al eeuwen recht op had. Maar je kunt de soevereiniteitsoverdracht op 27 december niet meer uitwissen. Het is wél gebeurd.”

De voorstelling bevat historische feiten. In de wandelgangen wordt, zowel in positieve als negatieve zin, gesproken over ‘een geschiedenisles’. Had u het geheel niet kunnen verluchtigen met wat meer liederen? Te meer omdat Toetie in de sneeuw en Varende paleizen, liedjes die u met Jan Boerstoel schreef, behoren tot de mooiste in het Nederlandse taalgebied.

“Er zitten weinig liedjes in omdat er zoveel te vertellen is. Met nog meer liedjes, die er wel waren, was de voorstelling te lang geworden. Een liedje duurt toch al gauw vier minuten. Bovendien moet een liedje iets extra’s zijn, iets wezenlijks bijdragen, de voorstelling even boven zichzelf uit trekken.Toetie in de sneeuw is daar een voorbeeld van. Het verhaal over Toetie, een buitenechtelijk kind dat in een kampong is verwekt en door mijn overgrootouders is geadopteerd, en uiteindelijk terechtkomt in Holland. Dat moet je écht in een lied vertellen. Maar dat kun je niet met alles.”

Nederlands-Indië wordt in Nederland vaak geassocieerd met De stille kracht, de roemruchte televisieserie uit de jaren zeventig naar de roman van Louis Couperus. Heeft u tijdens het schrijven nog iets paranormaals meegemaakt?


“Of het paranormaal was, weet ik niet. Maar raar was het wel. Ik had net een foto van Aukje gevonden, de vrouw van oom Jan, maar die was in een erbarmelijke staat. De hoekjes waren eraf, en ik heb hem goed schoon moeten maken om te kunnen zien wat erop stond. En toen kwam die mooie vrouw tevoorschijn. Ik heb thuis een fotoprinter die op groot formaat kan afdrukken. Precies op het moment dat Aukje voor de eerste keer naar buiten kwam rollen, kreeg ik een mail binnen van een meneer die schreef dat hij Aukje van der Werff persoonlijk had gekend. Hij had mij op televisie bij de Indië-herdenking horen spreken over mijn archief. Ik had toen al een andere foto van Aukje laten zien. Dat was nog voor ik het programma aan het maken was.

“Die meneer had er een jaar over gedaan om mij op te sporen. Hij had net een computer van zijn zoon gekregen, en het eerste wat hij deed nadat hij op het netwerk was aangesloten, was mijn naam intikken. Zo kon het gebeuren dat op het moment dat ik Aukje voor het eerst goed zag, er een mail binnenkwam van een man die schreef dat hij als jongetje bij Aukje in kamp Tjideng had gezeten. Ik ben niet bijgelovig, maar dan sta je wel even te shaken op je benen.”

Verder nog iets gehoord van die meneer?

Na afloop van een optreden in Voorburg stond hij ineens voor mij. Ik wist niet dat hij zou komen. Hij wilde mij bedanken en gaf mij een grote bos rozen. Er hing een kaartje aan, waar op stond: ‘Had Aukje dit nog maar mogen meemaken.’ Ik kan je zeggen dat ik toen wel even moest gaan zitten.”


Diederik van Vleuten: Daar werd wat groots verricht. Tournee tot en met mei 2011.

Ruud Meijer