‘Niet vies kijken!’

Geert Wilders wil af van ‘linkse hobby’s’ zoals het subsidiëren van allerlei culturele en welzijnsprojecten. Terecht? HP/De Tijd ging kijken bij verschillende linkse hobby’s. Deze week: de cursus ‘Omgaan met hangjongeren’. ‘In feite leer je hier: sorry dat ik er wat van zeg.’

‘Hoerrrrr: Tssss: Hoerrrrrr:” sissen de hangjongeren als de vrouw met het opgestoken blonde haar en de blote armen langsloopt. Zodra ze het merkt, draait ze zich om en loopt met een brede glimlach op ze af. Eén van de jongens – hij draagt een blauw trainingsjasje – benadert ze van dichtbij. Met haar volle boezem raakt ze hem bijna aan.

Van zijn à propos gebracht door haar onverwachte intimiteit deinst de jongen achteruit. Op hetzelfde moment reikt de dame hem de hand en stelt ze zich voor, om daarna te vragen hoe het met hem gaat. Nu vormt het blauwe jasje geen enkele dreiging meer.

Zulk kordaat gedrag zien trainers Hans Kaldenbach en Ramon Ramnath (de man met het blauwe trainingsjasje) niet vaak tijdens de rollenspellen die ze in TL-verlichte buurtzaaltjes laten uitvoeren voor de cursus ‘Omgaan met hangjongeren’.

Integendeel zelfs, de deelnemers tasten dikwijls in het duister over de juiste reactie op groepjes hangjongeren die zich vervelend gedragen. Ze voelen zich geïntimideerd en zijn niet in staat ad rem te reageren op straatschoffies. En als ze dan eens de moed verzamelen om heel vriendelijk te vragen of die puber met dat petje zijn voeten van de treinbank wil verwijderen, dan krijgen ze een ‘Rot op, man’ of erger op het rekest.

Op cursusavonden geeft Kaldenbach burgers daarom handvatten voor de omgang met de ‘korte lontjes’, zoals hij de hangjongeren noemt. En waar leer je dat beter dan in de praktijk?

Zelf hebben Kaldenbach en Ramnath daar ook hun skills vandaan. Ze liepen mee met buschauffeurs, badmeesters en straatjongeren zelf om te kijken welke reacties in welke situaties het meeste effect hadden. Een jongere neemt tegenwoordig niets meer aan van een vreemde, merkten ze. Je moet eerst contact leggen en ze dan pas corrigeren. Of ze verantwoordelijkheid geven, dan hebben ze het gevoel dat ze erbij horen. Met deze en andere trucs struinen ze nu stad en land af, en reiken zo de onzekere burger de hand.


Papendrecht, Heemstede, Zeist, Heiloo, Hoorn, Nieuwegein, Utrecht – Kaldenbach heeft met zijn cursus de afgelopen jarne veel plaatsen bezocht. Zelfs Werkendam en Staphorst (ja, daar hebben ze ook hangjongeren) heeft hij getraind. Maar pas sinds kort is hij landelijk bekend.

Toen onze hoofdstad afgelopen zomer de workshops aankondigde, steigerden politici namelijk plotseling en masse. De verontwaardiging was groot over deze ‘omgekeerde wereld’ waarin Amsterdam de brave burgers wilde opvoeden over omgaan met straatcultuur en brutale reacties van straatschoffies in plaats van de hangjeugd aan te pakken.

Maurice Limmen van het Amsterdamse CDA wond zich er bijzonder over op. In de Telegraaf zei hij: “Als een jongen in je portiek pist, moet je vragen ‘Zo, de nood was hoog?’ Of als er iemand met zijn scooter over de stoep scheurt, dien je te zeggen ‘Zo, had je haast?’ In feite leer je op die cursus te zeggen: ‘Sorry dat ik er wat van zeg’. Belachelijk dat daar geld voor wordt uitgetrokken!”

De Tweede Kamerfractie van de VVD stelde begin september zelfs Kamervragen over de workshops. Op de antwoorden wordt nog gewacht.

Om ons zelf een mening te kunnen vormen, vervoegen we ons op woensdagavond 22 september tegen achten bij de andere gegadigden in wijkcentrum Jordaanaan de Eerste Laurierdwarsstraat.

De eerste vraag bij aankomst is: “Bent u pers of buurtbewoner?”

Er is vandaag namelijk een ruime vertegenwoordiging van de pers, gewapend met opnameapparatuur en blocnotes. We treffen onder meer NRC Handelsblad, Radio Noord Holland en Buurtleven.nl aan. Geen geringe vangst op een totaal van zo’n twintig aanwezigen.


Een andere opvallende gast is de geüniformeerde politieagent die met zijn kogelvrije vest in de hand afwachtend in de hoek van de zaal staat. Bureau Lijnbaansgracht is zijn thuisbasis, vertelt hij, en hij is hier in functie. Niet omdat ze vanavond bang zijn voor onruststokers, maar omdat hij zich bezighoudt met jeugdwerk. Hij wil graag weten hoe de buurtbewoners over hangjeugd denken. Dat kan hij in zijn contacten met jongeren dan weer gebruiken.

Dat de brave burgers hier nu zitten in plaats van de lastige jongeren zelf, bekijkt hij pragmatisch. “Buurtbewoners staan ervoor open. Jongeren nog niet. Die bereik je hier niet mee. Daar hebben we andere manieren voor.”

Ook Kaldenbach stipt de vraag aan waarom wj hier zitten en niet de overlastgevers. Hij maakt een vergelijking met de relatie tussen een leraar en zijn leerlingen. In een ideale wereld zouden leerlingen zichzelf motiveren en zou vervelende hangjeugd niet bestaan, maar de werkelijkheid is nu eenmaal anders. We moeten daarom niet blijven steken in hoe het hoort te zijn, maar met de feiten leren omgaan. Net als een leraar.

Bovendien behoort tachtig procent van de jongeren tot de zogeheten hangjeugd. Een overige vijftien procent is braaf en vijf procent écht crimineel. Op die laatsten is deze workshop niet gericht. Die kan alleen de politie aanpakken, volgens Kaldenbach. Wij kijken naar de tachtig procent waar nog wel een land mee te bezeilen valt.

De rollenspellen baseert Kaldenbach op ervaringen van mensen uit het publiek. Een deelnemer woont bijvoorbeeld boven een school waar elke avond een groepje jongeren zit te ouwehoeren; mensen zijn uitgescholden voor ‘hoer’ of ‘homo’ en een dame heeft zich bij een tramhalte geïntimideerd gevoeld door een groep stenengooiende jongeren.


Er zijn eerst enkele algemene adviezen als:

“Niet vies kijken.”

“Altijd dóórlopen.”

“Als je wat zegt, nooit langer dan vijf seconden blijven staan.”

“Humor werkt.”

“Neem ’s avonds een fluitje mee, dan voel je je veiliger.”

Het eerste advies klinkt al bijzonder, want wat is ‘vies kijken’? Als een deelnemer dat vraagt, antwoordt Kaldenbach dat er een rechtszaak bekend is waarbij de dader aangaf het slachtoffer te hebben aangevallen omdat hij ‘vies keek’.

Daaraan voegt Kaldenbach toe dat de vragensteller in kwestie weleens als ‘vies kijkend’ bestempeld zou kunnen worden. Die erkent dat hij wel vaker hoort dat hij nors overkomt, dus dat zal het wel zijn. Verder met het rollenspel.

Nadat we een paar keer met de kordate dame het ‘Hoer!’ hebben geoefend, volgt het ‘Homo!’ Een meneer uit het publiek vertelt dat hij zich tot drie keer toe zeer geïntimideerd heeft gevoeld toen hij werd uitgemaakt voor homo door een groepje – blanke, zegt hij erbij – jongens.

Hij mag als eerste langslopen. Ramnath en twee aanwezige studenten spelen de hangjeugd.

Bij poging één loopt de man gefrustreerd door. Hij voelt zich zichtbaar geïntimideerd, maar zegt niets.

De tweede keer blijft hij staan en vraagt de jongens waarom ze dat nou zeggen. Een zwaktebod, waarop ze doorgaan met zuigen. Ook geen succes dus.

De derde keer loopt hij door, maar vraagt in het voorbijgaan: “Kan je dat zien dan?’

De jongens roepen: “Ja, homo.”

De vierde keer stopt hij even en vraagt hij uitdagend of de jongens soms belangstelling hebben. Dat vinden ze niet leuk. Een succesmethode dus.

Maar je moet het maar willen zeggen.


Daarna mag een van de studenten het proberen. Als hij uitgescholden wordt, loopt hij naar de ‘korte lontjes’ toe en begint een gesprek over waarom ze ‘homo’ zeggen. Het mondt uit in een hevige discussie die nergens toe leidt. De student raakt steeds geïrriteerder en de jongens gaan steeds meer zuigen.

Kaldenbach legt uit dat dit geen zin heeft. De student kan het echter niet zomaar aan zich voorbij laten gaan. Zijn handen jeuken, geeft hij toe.

Als ik vraag of niet elke reactie er een te veel is – daar zijn zulke jongens immers op uit – antwoordt Ramnath dat het inderdaad net als belletje trekken is: bij een bewoner die boos reageert, ga je juist nóg een keer op de bel drukken. Je moet dus voor jezelf kijken wat werkt. Mooi advies is dat.

Vervolgens mag de dame die boven de school woont een poging wagen de jongeren weg te krijgen. Op aanwijzing van Kaldenbach probeert ze eerst een praatje te maken en vervolgens uit te leggen dat ze last heeft van het geluid. Het gaat haar al redelijk af, maar ze vindt het fijn om een keer te zien wat de consequenties zijn van verschillende manieren van aanspreken.

Compromissen sluiten (‘Als jullie nou over een halfuurtje eens naar huis gaan, dan kunnen wij rustig slapen’) werkt goed, daarmee hebben de jongens namelijk het idee dat ze een eigen keuze maken.

De rollenspellen vreten tijd en algauw zijn we twee uur verder. Ter afsluiting deelt Kaldenbach boek Hangjongeren uit, met ’99 tips voor buurtbewoners en voorbijgangers’, plus blauwe kaartjes met spreuken en zijn telefoonnummer. Op zijn vraag wat men ervan vond, krijgt Kaldenbach positieve reacties uit het publiek. “Heel praktisch, duidelijk en herkenbaar.”


Na afloop sta ik even met de studenten te praten die zich als hangjongeren mochten voordoen. Ook zij zijn hier vanwege alle media-aandacht. Ze wilden zelf kijken of zo’n cursus nou echt wat is. Net als ik zijn ze een beetje verward.

“Tsja, aan het begin van de avond dacht ik: dit gaat de goede kant op. Maar nu? Ik weet niet of dit nou nuttig is. Volgens mij zou een boete van tweehonderd euro toch meer indruk maken.”

“Toch is het in ieder geval goed dat er iets gebeurt. Die homoseksuele man is zeker geholpen met deze cursus.”

“Misschien wel, maar moeten we daar dan per avond zestienhonderd euro belastinggeld voor betalen?”

Karen Geurtsen