‘Verbeelding geeft troost’

‘Mama Tandoori’ is een groot succes. Toch vond de hoofdpersoon, de moeder van schrijver Ernest van der Kwast, het verschrikkelijk dat haar zoon voor de letteren koos. Maar hij moest wel. ‘Als ik schrijf, wil ik vooral mezelf ontroeren. Ik wil mezelf ráken.’

Eigenlijk werd hij al met eenverhaal geboren, die eerste dag van januari 1981, de dag dat zijnIndiase moeder hem in een ziekenhuis in Bombay het leven schonk.Ernest zou hij heten, Ernest Roelof Arend van der Kwast. Maar zijn vader, die thuis in Nederland was achtergebleven en het nieuws via de telefoon hoorde, dacht te verstaan dat hij na twee zoons eindelijk een dochter had gekregen: Eva Maria. De geboortekaartjes waren al gedrukt toen het misverstand werd opgehelderd. Eva Maria bleek Ernest te zijn.

Een voorbode van meer onheil wellicht, want deze derde zoon – drie is inIndia een ongelukscijfer – zou tot groot verdriet van zijn moeder verkiezen schrijver te worden, haar offers en gebeden tot alle goden in India ten spijt.

Ernest van der Kwast verruilde echter niet voor niets zijn studie fiscale economie voor het schrijverschap. Met Mama Tandoori, zijn vierde boek en het tweede onder eigen naam, heeft hij de weg naar het grote publiek gevonden. Van der Kwast haalde de longlist van de AKO Literatuurpijs enis een van de genomineerden voor de NS Publieksprijs, die op 19 oktober wordt uitgereikt.

In een half jaar tijd werden er 30.000 exemplaren verkocht van Mama Tandoori. Inmiddels ligt de achtste druk in de winkel en zijn de filmrechten al verkocht. Het scenario komt vermoedelijk in handen van Karen van Holst Pellekaan, die ook het script schreef voor De gelukkige huisvrouw. Daarnaast wordt het boek door het productiebedrijf van Ivo Niehe bewerkt tot een theaterstuk.

Mama Tandoori is een liefdevol portret van de kleurrijke familie van Ernest van der Kwast, waarin de hoofdrol is weggelegd voor zijn temperamentvolle Indiase moeder. Van der Kwast beschrijft de figuren en gebeurtenissen op levendige wijze, met veel humor waaronder de traan vaak subtiel verborgen ligt.


Het boek biedt een aardig inkijkje in de achtergrond van de auteur. Hij groeide op in Rotterdam, in de jaren tachtig en negentig, een tijd waarin er nog niet zoveel mensen van vreemde origine in Nederland woonden als nu. Vader Van der Kwast was patholoog-anatoom, een man die belangrijk internationaal onderzoek deed, maar thuis weinig in de melk te brokkelen had. Moeder Van der Kwast was een vrouw die het huishouden met ijzeren hand bestierde, alle kamers volstouwde met afgedankte spullen en koopjes uit de supermarkt, en die menigeen met haar onverzettelijkheid en temperament tot wanhoop wist te drijven. Een vrouw ook die diep getekend was door de armoede in haar jeugd en door verdriet, onder meer over de verstandelijke handicap van haar oudste zoon, Ashirwad. Ze stelde alles in het werk om haar kinderen een betere toekomst te geven. Haar zoons moesten minder dokter, advocaat of econoom worden – met minder hoefden ze niet aan te komen.

Had het schooltheater niet de liefde voor het schrijven aangewakkerd, dan was hij een snelle, foute jongen geworden die veel te veel geld verdient, lacht Van der Kwast. “Als twaalfjarige keek ik in NRC Handelsblad altijd bij de personeelsadvertenties naar het salaris. Ik kon goed leren en werd door mijn moeder heel erg één richting op gestuurd.”

Hoe moeilijk was het om toch je eigen weg te gaan?

“Ik wist dat ik mijn moeder ongelukkig zou maken. Ze was het totaal niet eens met mijn keuze voor het schrijverschap en heeft, zoals ik ook in Mama Tandoori beschrijf, daadwerkelijk een vuilniszak verbrand omdat ze dacht dat er iets met me aan de hand was. Ze wilde de boze geest uit mij verdrijven. Schrijven zag ze als iets minderwaardigs, zelfs iets kwaads.


“Het probleem was, denk ik, dat ze mijn boeken niet las, omdat ze een taalachterstand heeft. Mama Tandoori heeft mijn vader haar voorgelezen. Veel mensen zeggen: wat heb je je moeder aangedaan met dit boek? Maar ik denk dat ze zich hierdoor juist heeft verzoend met mijn schrijverschap. We hebben nu veel intensiever contact, ze informeert uitgebreid hoe het met het boek gaat. Bij de presentatie van Mama Tandoori heeft ze voor het eerst haar kleinzoon Finn van twee gezien en ze is natuurlijk verliefd op hem geworden. Dus het boek heeft haar alleen maar goed gedaan. Misschien heeft ze nog wel de angst dat ik op een dag in de goot zal liggen, maar dan zal ze er des te meer voor me zijn.”

Wat betekent dat voor je?

“Ik voel me eindelijk geaccepteerd, gezien voor wie ik ben. Normaal kreeg ik altijd te horen: wanneer ga je weer studeren? Dat is niet fijn als je weer eens blut bent en toch keihard werkt. Mijn vader vond het nooit een probleem dat ik voor het schrijverschap heb gekozen. Maar met mijn moeder heb ik moeilijke periodes gehad, en ik heb ook echt wel in tranen aan de lijn gehangen, omdat de communicatie zo moeizaam was. Waarom doe je de dingen in het leven? Natuurlijk voor jezelf, maar ook wel voor je moeder. Coetzee nam de Nobelprijs voor de literatuur in ontvangst en zei: voor wie anders winnen we de Nobelprijs dan voor onze moeder? Dat vond ik mooi. Mijn zoontje kijkt ook vaak: zien mijn ouders wel wat ik nu doe? Het is fijn als je erkenning krijgt.”

Hij herkent veel van zichzelf in zijn ouders. Deelt het gevoel voor humor en de luchtigheid met zijn vader, het temperament en de gedrevenheid met zijn moeder. Er was veel liefde, maar ook veel ruzie thuis. Gevoed door frustraties en opgekropte emoties botsten de sterke karakters geregeld met elkaar; alleen zijn vader bleef altijd rustig en geduldig. Ernest had zijn vriendin wel wat uit te leggen toen hij voor het eerst in grote woede de deur dichtsloeg – die was meteen kapot. Hij lacht: “Maar ja, ik kom uit het gezin van de duizend gebroken vazen. Bij ons sneuvelde er elke dag wel iets.”


Voelde jij je als kind anders dan de andere kinderen?

“Ja, ik had veel last van schaamte. Ik ging naar een eliteschool, maar ik voelde me daar niet zo prettig. Toen ik op die school kwam, dacht ik dat ik een normaal kind was. Maar ik was een kind zonder overhemd, mooie schoenen en boxershorts – dan schaam je je al bij het uitkleden voor de gymles. Mijn moeder liep in sari’s, ik in C&A. Ik werd overigens niet gepest; ik had een grote bek en versloeg bovendien de nerd van de school met schaken, wat nog niemand was gelukt. Net als mijn ouders ben ik sterk en heb ik een weerwoord.

“Een groot probleem was dat wij niet zomaar bezoek konden ontvangen, want dan moest eerst het hele huis worden opgeruimd; daar ging een operatie van dagen aan vooraf. Ons huis zag eruit als een museum van kapotte voorwerpen, ik denk dat er bijvoorbeeld wel twintig autoradio’s in de woonkamer lagen – mijn moeder wil ooit al die afgedankte spullen naar arme mensen in India brengen. Bij vrienden kon je na school gewoon langskomen, maar bij ons kon dat niet onaangekondigd. Afspreken moest dus altijd bij anderen, en ik voelde me daardoor bezwaard en geremd, alsof ik mezelf opdrong. Dat vond ik moeilijk.”

Hoe was het om op te groeien met een verstandelijk gehandicapte broer?

“De mooiste kinderfoto’s dateren van de tijd dat ik nog klein was, een jaar of twee. Toen was er nog een soort ontspannenheid in ons gezin. Later veranderde dat. Ik vond het zielig voor Ashirwad dat hij anders was, maar ik vond het vooral erg dat mijn moeder het er zo moeilijk mee had. Ze heeft altijd de hoop en de wens gekoesterd dat hij normaal zou worden. Toen mijn broer Hans en ik in de fase kwamen dat we merkspullen als Nike Air wilden hebben, kocht ze die ook voor Ashirwad, terwijl het hem helemaal niets interesseerde. Mijn moeder vond dat hij dat ook moest dragen, omdat hij gelijk was aan ons. Vertederend vind ik dat. Het ontroert me nog steeds, mijn moeder en Ashirwad.


“Vooral de puberteit is heel moeilijk geweest. Ashirwad was geen makkelijke jongen. Hij wist zich niet te uiten, trok zijn haren uit, sloeg mensen. Met Hans heb ik een normale band, maar niet iets speciaals en warms zoals met Ashirwad. Het is emotioneler. We hebben vroeger een keer zo’n ruzie gehad dat ik hem heb geslagen. Ik vergeet het nooit meer: hoe heb ik het in mijn hoofd en in mijn hart kunnen halen? Het is zo’n lieve knul. Als ik hem bezoek, lopen we hand in hand over straat als twee homoseksuelen.”

De weg naar een leven als schrijver moest hij grotendeels alleen afleggen. Bij gebrek aan een warm onthaal thuis voor de literatuur trok Van der Kwast zich vooral op aan woorden van andere schrijvers. Konstantin Paustovskij bijvoorbeeld, of Meir Shalev.

“Zijn werk is eigenlijk één groot pleidooi voor de literatuur. En Paustovskij is zo warm naar andere schrijvers toe. Heerlijk, eindelijk iemand die je wél aanmoedigt! In zijn herinneringen schrijft hij dat hij zich nooit zorgen heeft gemaakt om centen. Daar hou je je toch aan vast: ga schrijven, maak je geen zorgen. Marcel Möring heeft me ook af en toe omhoog getrokken. Na het geboortekaartje van Finn, dat was een klein boekje, stuurde hij me een uitgebreid mailtje waarin hij zei dat hij mijn stijl zag veranderen en tot bloei zag komen, dat hij in mij gelooft als schrijver. Andersom laat ik het zelf ook niet na om te bellen of te mailen als ik iets goeds lees van een andere schrijver. De weg die voorafgaat aan iets wat goed is, kan een verschrikkelijk lange weg zijn. In een boek kun je verdwalen en dan sta je daar in je eentje in dat bos, terwijl je niet weet welke kant je uit moet. En om vier uur ’s nachts maak je je partner niet wakker.”


Heb je slapeloze nachten van een boek?

“Een roman die niet af is, is een probleem dat moet worden opgelost. Ik lig soms wakker van een boek en denk: kan ik het wel? Dan ben ik bang voor de sprong naar de lat die misschien te hoog ligt. Ik vroeg Tommy Wieringa eens naar de monsters om de computer – zo noem ik dat – en informeerde: zie jij die ook wel eens? Hij antwoordde: ‘Vroeger dacht ik: ik kan het niet. Nu denk ik: ik kan het niet meer. Maar ik heb nooit gedacht: ik kan het.’ Dat vond ik heel mooi gezegd. Je kunt beter worden in schrijven, maar makkelijker wordt het nooit.”

Wat maakt dat je dan toch steeds weer begint?

“Ik ben gewoon heel hardnekkig. Als ik schrijf, wil ik vooral mezelf ontroeren. Ik wil mezelf ráken. Er zijn niet veel momenten waarop dat gebeurt, maar het zijn de mooiste momenten van het schrijverschap. Ik ween niet veel tranen, maar het gebeurt weleens dat ik iets lees en denk: wat warm, wat goed, wat mooi. Dan ben ik echt ontroerd, en dat gebeurt soms ook bij mijn eigen schrijven.”

Bij welke scène in Mama Tandoori was dat het geval?

“Die waarin oom Herbert in Canada op de dorsmachine zit en door de velden rijdt. De ik-figuur zegt dan: ‘Ik kan het voor me zien, ik kan zelfs zo ver gaan dat ik er zelf ben.’ Dan kijkt oom Herbert om, maar hij ziet hem niet, omdat hij onzichtbaar is, de schaduw van de fantasie. Dat ontroert me, omdat ik daar op dat moment echt ben; ik sta daar in dat veld, onder de verzengende zon, ik zie de vogels pikken in de aarde. De wereld die ik beschrijf, bestaat niet, toch wil ik mijn lezers graag verleiden die wereld te zien. Verbeeldingskracht is heel belangrijk. Als je goed schrijft, kun je mensen vervoeren. Daar schrijf ik voor; ik wil dat de lezer daar ook in dat veld staat en de schaduw is van de fantasie, van zijn eigen verbeelding.”


Verbeelding is een belangrijk thema in het boek. Welke rol speelt het voor jou?

“Voor mij zijn verbeelding en fantasie heel belangrijk. Ik ben grootgebracht met schrijvers als Hermans. Dat is een accountant, zijn boeken zijn heel strak, er staat geen woord te veel in. Zo is de Nederlandse literatuur een tijd geweest. Schrijvers als Abdelkader Benali en Hafid Bouazza hebben een rijkdom in de Nederlandse literatuur gebracht. Ook Cees Nooteboom vind ik prettig om te lezen, vooral zijn reisverhalen. Een avond in Isfahaan is fantastisch om te lezen, letterlijk en figuurlijk. Literatuur moet geëngageerd zijn, wordt er gezegd in het huidige debat, maar ik vind dat geen voorwaarde. De Amerikaanse schrijver James Salter heeft gezegd: ‘Waarom herinneren wij ons Anna Karenina, is dat om de oorlog die er toen in Rusland speelde en in dat boek wordt beschreven? Nee, we houden van Anna, dáárom herinneren we ons Anna Karenina.’

“Literatuur gaat om menselijkheid. En het biedt een vervanging van of aanvulling op de realiteit. Ik zou dat romantische leven van oom Herbert willen hebben, maar het kan niet, omdat ík het niet kan. Door de verbeelding te gebruiken, kom ik daar toch, en dat is troostend.”

Een dolende eenling zoals zijn oom is Van der Kwast inderdaad niet geworden. Toch trad hij gedeeltelijk in diens voetsporen en die van zijn moeder: hij verruilde zijn vaderland voor Italië. In Bolzano schreef hij zijn debuutroman, Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen, in het stadspalazzo van de Oostenrijkse gravin Toggenburg, wier voorouders nog stadhouder zijn geweest van Venetië. Als de graaf ’s avonds voor zaken van huis was en Ernest was klaar met schrijven voor die dag, dineerde hij met haar en bekeken ze samen zwart-witfoto’s uit de tijd dat zij nog fotomodel was en benen had die tot de hemel reikten. In die periode ontmoette hij ook zijn vriendin, Kathrin. Inmiddels wonen ze met hun zoontje bovenop een berg in Bolzano en zijn ze in verwachting van hun tweede kind.


Het wringt soms, de ernst en eenzaamheid van het schrijverschap met het speelse van jong-zijn en het vaderschap. Het zijn twee kanten van zijn persoonlijkheid die een wankel evenwicht vormen. “Ik wilde nooit kinderen, ik wilde nooit een partner; ik wilde dat allemaal niet, ik wilde alleen zijn. Los van mijn moeder. Ik ben heel erg op mezelf. Dat is wat schrijven is: dat je je terugtrekt en afzondert. Ik zou als een heremiet kunnen leven voor het schrijven, zoals J.D. Salinger. Maar ik ben ook een vrolijk mens, allegro, luchtig. Ik vind het leuk om met mijn zoon te spelen en gekke dingen te doen. Schrijven is een ouwelullenbezigheid. Ik voel mezelf soms te jong om achter de computer te zitten, terwijl je ook van de rotsen in een bergmeer kunt springen. Dan denk ik: jongen, wat doe je hier toch achter dit scherm?”

Naar de smaak van sommige recensenten laat je in Mama Tandoori te weinig van jezelf zien.

“Dat heb ik bewust gedaan. Het is helemaal niet de bedoeling om over mezelf te schrijven. Ik ben het niet met de recensenten eens die vinden dat dat het boek completer had gemaakt. Als ik over mezelf schrijf, gebeurt dat verhuld. Dat schrijf ik ook in het boek: alsof er een stuiflaag, een glans over de woorden ligt. Dat gebeurt vanzelf; ik vind de werkelijkheid niet interessant om te beschrijven. Zoals Joris van Casteren dat doet in zijn boek Lelystad, dat vind ik groots en mooi. Maar dat is non-fictie. Dat zou ik moeilijk vinden; ik wil alle kanten uit met een boek en de personages, ik wil zelf de schepper zijn van een verhaal. Ik ben geen open mens, misschien heeft dat ermee te maken. Er is een beschermlaag tussen mij en de werkelijkheid en die bescherming heet fictie. Tegelijk geef ik veel over mezelf weg door een zin als: ik ben ook moeilijk. Bovendien: door aan te geven dat je niet veel over jezelf kwijt wil, geef je óók aan wat voor mens je bent.”


Laat jij jezelf wel kennen?

‘Nee, ik laat me niet makkelijk kennen. Ik realiseer me dat je mensen nodig hebt in het leven en dat je moet kunnen praten. Mijn moeder is altijd een slot geweest en dat doet haar geen goed. Dat zit ook in mij. Als ik ergens mee zit, praat ik erover met mijn vriendin, maar dat heb ik echt moeten leren, want bij ons thuis werd niet veel over emoties gepraat. Ik ben een functioneel iemand. Ik help een collega liever met een probleem in zijn boek dan bijvoorbeeld met liefdesverdriet. Ik vind het moeilijk om me daarin in te leven. Met schrijven zit er altijd een afstand tussen jou en je gedachten, en die afstand neem je op een bepaalde manier mee in het gewone leven.”

Het klinkt alsof je moeite hebt je emotioneel te verbinden met iemand.

‘Jazeker. Ik heb weinig vertrouwen in andere mensen. Ik heb ook weinig vrienden, een stuk of drie, en die ken ik van vroeger. Misschien heeft het ermee te maken dat als je zoiets groots in je leven hebt als schrijven, je daar niets naast duldt, of weinig. Er is al een gezinsleven – is er nog wel plaats voor iets anders? Ik wil wel echt voor de dingen gáán. Nieuwe vrienden maken is een investering. Ik weet niet of ik dat kan opbrengen. Ergens is het schrijven een glazen wand tussen mij en de rest van de wereld.”

Ernest van der Kwast: Mama Tandoori. Nijgh & Van Ditmar. € 17,50. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Vivian de Gier