Voetbal is economie

Bij mij thuis ligt nog een stapel grammofoonplaatjes stof te verzamelen. Jaren zeventig-spul van The Sweet, Slade, Status Quo… Ook al heb ik allang geen pick-up meer, toch zal ik ze nooit van de hand doen. Deels omdat ik ‘grammofoonplaatje’ zo’n heerlijk woord vind, deels omdat ik gehecht ben aan de hoesjes. Wat ook weer niet geldt voor ál die 45-toerenschijfjes, want sommige zitten in zo’n effen zakje met een gat erin.

Een van die hoesfotoloze plaatjes is van het Engelse Rampage Records Ltd.: een blauw label met serienummer RAM 47 en in zwarte letters de titel: Blue is the Colour. Uitvoerende artiesten: Chelsea Football Team. Het is een meezinger van de lulligste soort. ‘Blue is the colour / Football is the game / We’re all together / and winning is our aim / So cheer us on, through the sun and rain / ‘cos Chelsea, Chelsea is our name.’ (Als u vijftigplusser bent, kent u het zeker, want de rasopportunist Pierre Kartner was er destijds als de kippen bij om er een Nederlandse vertaalslag aan te geven: ‘Het zijn kampioenen / Ajax is de naam…’)

Na het veroveren van de FA Cup en de Europa Cup II, begin jaren zeventig, bevond Chelsea zich op de toppen van z’n roem. Het was de tijd van spelers als Ron ‘Chopper’ Harris en Peter Osgood, de man met bakkebaarden waarin een bataljon soldaten dekking had kunnen zoeken. Stadion Stamford Bridge was een puinhoop, maar sfeer hád ‘t! (John Ingledew en Graham Wray maakten er enkele jaren geleden A View from the Bridge over, een nostalgisch fotoboek waar een melange van gebakken uien en verdampte urine vanaf slaat.) De krakkemikkige, maar monumentale staantribune The Shed was een begrip en zelfs de hooligans hadden een legendarische status: iedereen met interesse in de materie herinnert zich bijvoorbeeld de éénarmige vechtersbaas Babsy.

Dat Stamford Bridge bestaat niet meer. Van The Shed is nog één stuk muur over, de rest van die goeie ouwe bouwval heeft plaatsgemaakt voor Chelsea Village, een protserig uitgaanscomplex met restaurants, bars, fitness-clubs, hotels en een megalomane souvenirshop. De super-de-luxe kleedruimten voor de heren spelers zijn niet meer te vergelijken met de welhaast Spartaanse hokken waarin Harris en Osgood zich uit hun terlenka’s hesen, maar onder de douche zal het Blue is the Colour niet meer klinken. Weliswaar kent de selectie met jongens als Frank Lampard en John Terry nog een paar authentieke Angelsaksen, maar het gaat ze niet lukken om die Tsjech, die Serviër, die Ghanees, die twee Brazilianen, die Israëliër, die twee Ivorianen, die Nigeriaan, die drie Fransen, die drie Portugezen, die Rus, die twee Nederlanders en die Italiaan die de selectie voorts rijk is, zover te krijgen dat ze uit volle blote borst ‘Sing loud and clear, ‘til the game is done / Sing Chelsea everyone’ meegalmen.Maar waarom zouden ze ook? Sinds de club is overgenomen door de pervers rijke Rus Roman Abramovich wint het vreemdelingenlegioen zo’n beetje alles wat er te winnen valt. Dit Chelsea blijft de komende jaren heersen in de nationale competitie en het toernooi om de FA Cup. Wat heet: over een paar jaar zal Chelsea daar niet eens meer voor hoeven voetballen, want Abramovich kóópt die beker dan gewoon! Dat wil zeggen: als sjeik Mansour Bin Zayed Al Nahyan van Manchester City hem niet voor is geweest. Dat ecologische wereldwonder – bij hem groeit het geld op zijn rug – pompte sinds zijn entree, twee jaar geleden, reeds een half miljard Britse ponden in de club, een club waar sommige spelers nu al ruim 100.000 pond verdienen. Per wéék!


Tegen die tijd zal het Engelse voetbal van de sportpagina’s zijn verdreven naar het economie-katern. En rest mij niets anders dan een nieuwe vrijetijdsbesteding te zoeken. Grammofoonplaatjes draaien bijvoorbeeld.

import michiel blijboom