‘Ik vond het prachtig om Armani te verslaan’

De crazy shoemaker wordt hij genoemd.Jan Jansen (1941),Nederlands grootsteschoenontwerper, heeft dan wel vele prijzen gewonnen, zakelijk zat hij altijd op het randje van een faillissement. Daarin komt verandering. ‘Als dit niet op mijn pad was gekomen, zou het merk met mij sterven.’

Vroeger zei ik: ik ben geen kunstenaar, ik ben industrieel ontwerper. Want op een schoen moet je kunnenlopen, dus ik doe aan toegepaste kunst. Maar Joop van den Ende zei eenkeer tegen mij: ‘Je moet eens ophoudenmet dat gelul dat je geen kunstenaar bent, want dat ben je wél.’ Nou, dan ben ik het wel.

Als kind liep ik al in de kinderschoenen-fabriek rond waar mijn vader verkoopleider was, Nimco was dat. Ik moest schoenen van zijn fabriek aan. Bij mijn communie droeg ik ze: zwarte lakschoenen voor naar de kerk en witte kalfsleren schoenen bij het diner. Verschrikkelijk vond ik ze: keiharde zolen, net hout, en lelijk ook. Jézus, waarom maken ze die schoenen niet een beetje zachter? Ja, dat dacht ik al toen ik zes was. Vanaf die tijd wilde ik schoenen maken.

Na de HBS heb ik een kaartje laten drukken: Jan Jansen, etaleur. Dat klonk niet zo heftig. Ik dacht dat de hele familie in een deuk zou liggen als ik had gezegd dat ik ontwerper wilde worden. Ik kreeg een stageplek bij een schoenenfabriek in Brabant, daar mocht ik ontwerpen maken.En die veranderden ze dan – ze vonden het te frivool, het leuke moest eraf. Zo wilde ik het niet. Ik heb een stageplek geregeld in Rome, daar heb ik met de hand schoenen leren maken. Op m’n 21ste ben ik teruggekomen en heb ik een ateliergeopend in het centrum van Amsterdam. Daar maakte ik met de hand schoenen. Verkopen deed het niet, tot ik via via in contact kwam met fotograaf Paul Huf. Hij maakte een reeks voor Grolsch vanwege de slogan ‘vakmanschap is meesterschap’. Portretten van een vioolbouwer, een fietsenmaker, allemaal mensen die iets met de hand maakten. Paul Huf kwam naar m’n atelier en zei: ‘Jeetje, voor wie werk je, wie ken je?’ Ik kende niemand. Hij vond dat ik een persconferentie moest geven. En dat heb ik gedaan. Ik stuurde handgeschreven briefjes naar een aantal kranten. Nog voordat die conferentie plaats had, stond het over een hele pagina in de Telegraaf: ‘Amsterdam is een handwerksman rijker.’ Dat had Paul Huf geregeld. Ik beschouw het als de start van mijn carrière, 47 jaar geleden. De bestellingen liepen binnen. Adèle Bloemendaal, Willeke van Ammelrooy, Conny Stuart – ze liepen allemaal op mijn schoenen.


Er zijn een paar piekjes in de afgelopen decennia. Dat ik naar de prestigieuzeSemaine du Cuir ging, een beurs in Parijs,was er zo een. Ik heb er 30.000 gulden voor geleend bij vrienden. Uit dankbaarheid naar hen wilde ik iets heel bijzonders maken; dat werd de bamboeschoen. Die sloeg in als een bom. In de New York Daily News stond: ‘Jan Jansen is the star of the Semaine du Cuir.’ En dat mijn naam in no time een ‘household’ zou worden in Amerika. Dat is allemaal niet uitgekomen. Ik heb al die jaren gewild dat mijn zaak internationaal werd. Ik heb wel gezocht naar iemand die het commerciële gedeelte had kunnen doen, maar het kwam niet van de grond. Maar nu wel: twee weken geleden is het beslist. Een groep investeerders wil het groot gaan aanpakken. Winkels openen in Nederland en België, verkooppunten in het buitenland opzetten. Die investeerders zijn schoenenmensen, vakmensen die er ontzettend veel verstand van hebben. Per toeval kwam ik ze tegen. Ze zeiden: ‘Je bent zo bekend in Japan, je hebt er exposities gehad, waarom verkoop je dáár niet?’ Ja, die organisatie heb ik niet. Zij wel. Ik ga een opvolgster inwerken, ontwerpster Suzanne Poort. Zij kent het hele vak; ze kan snijden, stikken, schoenen monteren… Langzaamaan gaat zij het de komende jaren in mijn handschrift overnemen, zoals dat ook bij ontwerpers als Chanel is gebeurd. Die is al dertig jaar dood en dat merk is groter dan ooit. Als dit niet op mijn pad was gekomen, zou het merk met mij sterven.Assistenten heb ik nooit gehad bij het maken van de collecties. Ik heb meer ideeën dan ik kan uitvoeren, dus waarom zou ik hulp inroepen? Ik heb het vijftig jaar alleen gedaan. Of nou ja, alleen… Ik heb het werk eigenlijk altijd samen met mijn vrouw, Tonny, gedaan. Ik ontwerp en mijn vrouw heeft altijd goede kritiek. Het materiaal en de kleuren, die bepaalt zij. Zij is mijn muze. Ik ken haar vanaf mijn zeventiende, ze fietste altijd langs mijnhuis in Nijmegen. Verliefd was ik al voordatwe hadden gepraat. Ze was – en is – heelmooi, extravagant, met zwarte kousen.We hebben het er weleens over gehadof er niet Jan en Tonny Jansen op de gevel moest staan. Tonny wilde dat niet: jij bent de ontwerper, zei ze. En Jan Jansen is een goede naam.


Mijn ontwerpen zijn weleens gestolen, door Armani bijvoorbeeld. Ik zag de kopievan mijn witleren sandaal met veter voor het eerst toen ik met Tonny en de jongste van onze twee zoons in Tokio was. We liepen langs de etalage van Armani en zagen ‘m tegelijkertijd. Ik vond het wel leuk, het is natuurlijk wel Armani. Pas weken na thuiskomst dacht ik: hier kan ik wat mee doen. Ik ben naar een advocaat gegaan en die zei meteen dat ik het zou winnen. En inderdaad, de schoen is uit de handel genomen. Als je dan geld wilt hebben, moet je in Milaan gaan procederen. Vrienden daar hadden gezegd: ‘Jan, vergeet het. Er zijn twee personen in Italië waar je niet tegen kunt procederen, en dat zijn de paus en Giorgio Armani.’ En ach, ik vond het al mooi om die rechtszaak te beginnen en meneer Armani te verslaan.

In de afgelopen vijftig jaar heb ik één keer gedacht: ik stop ermee. Akelig was dat. Ik dacht dat het niet meer ging lukken. De verkoop ging slecht en we hadden pech met de productie. Twee weken duurde mijn inzinking. Ik heb toch de moed weer gekregen. Wat een flauwekul, dacht ik, ik ben gewoon schoenmaker.

Ik heb nooit een boot in Saint-Tropez of heel veel geld willen hebben. Ik vind het al heel wat dat ik nooit failliet ben gegaan. Dat is al een wonder voor een amateurondernemertje als ik. Het heeft er wel om gehangen – het was altijd met de hakken over de sloot. Door die investeerders komt daar verandering in en wordt er goed voor mij en Tonny gezorgd. En ja, dat is wel een opluchting.

Sara van Gorp, foto Jos Lammers