Meer begrip voor de frontsoldaat

Alle jongens dromen weleens van een leven als soldaat. Hoewel die droom vaak verdampt als ze eenmaal ouder worden en ze uiteindelijk kiezen voor een meer gangbaar beroep, blijft het altijd ergens sudderen. Verdrongen verlangens worden tegenwoordig overal gevoed en aangewakkerd, bijvoorbeeld door computerspellen waarin jij als moedige soldaat vecht tegen het kwaad.

De moderne oorlogsvoering brengt niet alleen steeds geavanceerder technologie voor het leger met zich mee, maar wordt ook steeds beter gedocumenteerd aan de hand van messcherpe foto’s in kranten, schokkende beelden van vuurgevechten en indringende reportages over militaire en burgerslachtoffers. Dat maakt de gedachte aan het soldatenbestaan al met al een stuk minder aantrekkelijk – zeker als zo’n oorlog dan ook nog eens aan de andere kant van de aardbol woedt.

Toch zijn er mannen die het als hun plicht zien om te vechten in een ver en vreemd land. Ze melden zich bij het leger in de overtuiging dat ze de wereld beter, vrijer en democratischer kunnen maken en zijn bereid hun vrouw en kinderen voor een langere periode achter te laten. En niemand die weet of ze levend terugkeren.

Die heldhaftige strijd van soldaten wordt uitstekend verwoord in Goede soldaten van David Finkel, journalist voor The Washington Post. Hij schrijft over het leven van een bataljon Amerikaanse soldaten dat pas in 2007 naar Irak wordt gestuurd, wanneer er al drieduizend Amerikanen zijn gesneuveld. Het is bijna niet voor te stellen hoe moedig ze zijn, deze soldaten die huis en haard verruilen voor een leven in een van de meest vijandige gebieden ter wereld. Finkel beschrijft trefzeker hoe de soldaten zich gedragen tijdens die oorlog in Irak en hoe ze er weer uit komen – en dat is niet best.

Het bataljon wordt vrij snel na aankomst in Irak geconfronteerd met een eerste dode door een bermbom, waarna de soldaten nog meer op hun hoede zijn, sommigen op het paranoïde af. Ze staan sinds die eerste dode niet meer met hun benen naast maar achter elkaar in de Humvees, zodat er bij een explosie tenminste één been niet wordt afgerukt. Al net zo gruwelijk is het verhaal van sergeant Emory, die midden op het dak van een fabriek in zijn hoofd wordt geschoten door een sluipschutter. Hij vraagt de toegesnelde soldaten waarom hij zo’n hoofdpijn heeft. De soldaten zeggen hem dat hij van de trap is gevallen. Emory weet genoeg als hij bloed op zijn hand ziet. “Ik ben naar de klote, of niet?”


De Irakoorlog is niet zonder gevolgen: getraumatiseerde soldaten zien nog elke dag voor zich hoe ze een man voor de ogen van zijn dochtertje door het hoofd schoten. Anderen vragen zich af of God ze aan de tand zal voelen bij de hemelpoort.

Finkels indrukwekkende verslag draagt bij aan begrip voor de soldaten, hun gevecht voor vrijheid en democratie en het doorzettingsvermogen waarmee ze het volk in verre landen een beter leven proberen te geven. Al doen zich in die strijd mensonterende situaties voor waar wij vanuit onze luie stoel in het vrije Westen niets van willen weten. Iets meer begrip voor deze jongens is wel het minste, ook al is deze oorlog in hún ogen achteraf zinloos gebleken.

Frank Verhoef

David Finkel: Goede soldaten.

De Bezige Bij, €19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Eten, bidden, beminnen (1) – Elizabeth Gilbert

Wij zijn ons brein (5) – Dick Swaab

De diefstal van mijn jeugd (2) – Natascha Kampusch

Taal is zeg maar echt mijn ding (3) – Paulien Cornelisse

De schijn-élite van de valse munters (8) – Martin Bosma

De kloof. Hoe de breuk tussen Belgen en Nederlanders Fortis fataal werd (-) – Piet Depuydt

Buurtgeluiden (7) – Martin Bril

Dier, bovendier (4) – Frank Westerman

Project Homerus (9) – Kirsten Verdel

Ik was pas dertien (6) – Lea Laasner

Tussen haakjes de klassering van de vorige keer. Deze non-fictietoptien is tot stand gekomen op basis van een selectie uit De Bestseller60 van de CPNB.

import fictie