‘Als kind las ik me helemaal kapot’

In haar schaarse vrije tijd leest Femke Halsema alles wat er te lezen valt. Ze wordt dan ook geregeld gevraagd als voorzitter van literaire jury’s. Dit jaar gingen haar gestolen uren op aan de honderden boeken die waren ingezonden voor de AKO Literatuurprijs. ‘Het helpt als je niet zo’n goede slaper bent.’

Hoe groot was de oogst dit jaar?

“De AKO Literatuurprijs is natuurlijk een prijs voor zowel fictie als non-fictie, dus het aanbod is groot. We hebben in totaal 430 titels beoordeeld. Daar zaten ook veel boeken bij waarvan ik, laat ik maar zeggen, enigszins verbáásd was dat ze werden ingestuurd. Chicklit bijvoorbeeld, en thrillers. Veel uitgevers denken waarschijnlijk: niet geschoten is altijd mis. Ik zou denken dat ze in hun eigen selectie van wat ze insturen voor de AKO misschien ietsje kritischer mogen zijn. Maar alle inzendingen zijn gelezen en serieus beoordeeld.”

Pittige klus zeker, dat jureren?

“We zijn vóór Kerstmis begonnen met lezen. Ongeveer om de zes weken kwamen we bij elkaar. Het lastige is: de prijs gaat over een lopend jaar, dus elke keer kwamen er nieuwe boeken binnen. Ik denk dat we per vergadering zo’n tachtig boeken moesten beoordelen. Voor die eerste heel grove schifting uit de 430 titels gold dat een boek door minimaal twee mensen gelezen moest worden. Elk boek kreeg een beoordeling: A, B of C. Een A was heel goed, bij een C viel het af en als een boek twee keer een B had gekregen, of een A en een B, werd het meestal nog door een derde jurylid beoordeeld. Uit die enorme berg hielden we veertig boeken over die we allemaal hebben gelezen. Daaruit hebben we vijfentwintig titels geselecteerd voor de Tiplijst. Die hebben we allemaal nog eens gelezen. En daaruit hebben we vervolgens zes genomineerden gekozen.”

U heeft niet bepaald een rustige baan. Toch genoeg tijd om te lezen?

(Lachend) “Het helpt als je niet zo’n goede slaper bent – ik lees veel in bed. En in de trein tussen huis en werk. Ook op verloren momenten of als ik met de kinderen naar de speeltuin ga, kan ik lezen. Ik heb altijd een boek bij me. Ik denk wel dat ik iets minder heb gelezen dan de anderen. Ik dacht een redelijk overzichtelijk parlementair jaar te hebben, maar omdat het kabinet viel en er twee campagnes plus een regeringsvorming doorheen kwamen, zat ik af en toe nogal krap in mijn tijd. Ik denk dat ik al met al tachtig tot honderd boeken heb gelezen, maar de anderen veel meer.”


Complicerende factor is dat voor deze prijs zowel fictie- als non-fictieboeken meedingen. Zijn die twee eigenlijk wel goed met elkaar te vergelijken?

“Het maakt het jurywerk ingewikkelder, maar ik vind het wel aardig dat non-fictie echt op literaire kwaliteit wordt beoordeeld. We kijken naar dingen als stijl, zinsbouw, de opbouw van een boek, de gelaagdheid, de manier waarop een thema wordt uitgewerkt. Er werden pillen van biografieën aangeleverd die mooi en studieus waren, en gewetensvol in bronnenonderzoek, maar die in de opbouw en stijl echt niet literair genoemd konden worden. Dan vallen ze buiten de prijs.

“Het boek van Willem Jan Otten is een voorbeeld van hoe iemand met dikwijls heel kleine ingrediënten – een film bijvoorbeeld – een prachtige literaire verhandeling over de wereld weet te maken. Congo van David van Reybrouck is heel anders; hij probeert heel zorgvuldig één ontwikkeling te schetsen. Maar wat ze gemeenschappelijk hebben, is dat ze allebei lucide zijn in hun schrijven. En origineel. Dat is ook een belangrijk criterium, net als dat het een voor het publiek toegankelijk, prettig leesbaar en goed boek moet zijn.”

Ik kan me niet voorstellen dat het nooit tot ruzies onder de juryleden heeft geleid.

“Het is fascinerend om te zien hoe de appreciatie van een boek zes keer verschillend kan zijn. Niet alle juryleden vinden bijvoorbeeld barok taalgebruik mooi; sommigen houden juist van een sobere schrijfstijl. We hadden dit jaar opvallend veel familiegeschiedenissen. Sommige juryleden worden daar enorm door aangesproken, terwijl anderen bij nummer drie dachten: o god, niet wéér! Maar als het bijvoorbeeld gaat over de manier waarop de plot is geconstrueerd, kun je elkaar wel degelijk overtuigen met goede argumenten. Het wordt moeilijker naarmate het aantal geselecteerde boeken kleiner wordt, omdat het allemaal boeken zijn van hoge literaire kwaliteit. Met z’n zessen discussieer je er stevig over. Ik denk dat voor ons allemaal geldt dat we wel een boek hebben zien sneuvelen dat ons erg aan het hart ging. Daar heb je gewoon hartzeer van.


Dat overkwam mij ook. Er werd een boek dat ik heel mooi vond niet geselecteerd. Ik dacht: hoe bestáát dit? Maar het is toch een gemeenschappelijk oordeel. En we zijn het er alle zes over eens dat de literaire kwaliteit van de zes geselecteerde werken hoog is, zonder dat het nu meteen een boek hoeft te zijn dat je zelf als verjaardagscadeau aan iemand geeft.”

Waar lette u zelf op?

“Ik hou van heel veel soorten boeken, fictie en non-fictie. Ook familiegeschiedenissen of historische romans kan ik heel boeiend vinden. Ik heb een hekel aan maniërisme, dus als er zinnen geconstrueerd zijn enkel en alleen vanwege de schoonheid, en niet omdat ze nog dienstbaar zijn aan het vertellen van een verhaal. Ik hou zowel van een goede plot als mooie taal en schrijfstijl. Bij een zwakke plot wordt de opbouw en stijl wel belangrijker. Naarmate de selectie vordert, gaan tekortkomingen aan een boek zwaarder tellen. Zonder het boek te willen noemen, zat er bij de Tiplijst van vijfentwintig een boek dat ik aardig vond, maar waar naar mijn idee echt een continuïteitsfout in zat. Dat vond ik heel zwaar wegen toen het ging om de selectie van de laatste zes.

“Omdat je het voor de schrijvers doet en voor het publiek, is er een grote bereidheid om over je eigen schaduw heen te springen en een compromis te sluiten. Dat neemt niet weg dat deze jury wel heel erg levendig is. Vrolijk, maar ook met sterke eigen opvattingen. Bij de selectie van de toplijst waren we vrij eenstemmig over de laatste acht, maar er moesten er nog twee afvallen. Iedereen had een ander boek dat hij of zij eruit wilde hebben, en dat werd even heel ingewikkeld. Ik heb dan als juryvoorzitter een mooie taak: ik moet ordenen en de groep dwingen om een knoop door te hakken. We hebben daarbij nog even een discussie gehad over de aanwezigheid van vrouwen op de toplijst. Dat hebben we uiteindelijk niet tot een criterium gemaakt; we hebben toch alleen gekeken naar literaire kwaliteit. We vonden dat het voor een vrouwelijke auteur beledigend zou zijn als ze op grond van haar vrouw-zijn verkozen zou worden.


“Op 8 november wordt de prijs uitgereikt, ’s middags hakt de jury de knoop door wie ‘m krijgt. Dat vind ik heel spannend. Ik verwacht een pittige discussie. Hoe je het ook wendt of keert, het is natuurlijk toch een absurd proces, met 430 boeken in de race. Je moet steeds respect voor het ambacht houden. Ook als je een boek uiteindelijk slecht vindt, is het goed om je te realiseren dat iemand er waarschijnlijk jaren met grote liefde en toewijding aan heeft zitten werken. Dat betekent dat je heel zorgvuldig je keuzes moet maken.”

Wat is voor u de waarde van literatuur?

“Jan Blokker heeft ooit een vergelijking getrokken tussen sociologie en literatuur. Hij zei dat je uit een gemiddelde roman meer leert over de samenleving, over wie je bent en over familieleven dan uit een enorme sociologische verhandeling. Dat ben ik wel met hem eens. Driften, ontworteling, motieven voor het handelen van mensen – de universele thema’s vind je beter beschreven in literatuur dan in de wetenschap. Geletterdheid maakt mensen niet tolerant of humanistisch, maar ik heb het gevoel dat ongeletterdheid en onwetendheid verbonden kunnen zijn met intolerantie. Het maakt mensen afhankelijker van godsdienst, hiërarchie en autoriteit. Je kritisch vermogen neemt toe naarmate je beter in staat bent om onderscheid te maken, en daar hoort lezen bij. Het ordent je hoofd en helpt je te analyseren wat er in je eigen land aan de hand is.”

Er werd vroeger vast flink op gehamerd dat u moest lezen.

“Ja, bij ons thuis werd lezen belangrijk gevonden. Als kind las ik me helemaal kapot. Elke zaterdag ging ik naar de bibliotheek om drie gelezen boeken in te leveren en drie nieuwe uit te zoeken. Ik las in bed, na school, altijd. Ik weet nog dat ik als we vroeger met de auto op vakantie gingen altijd de klacht kreeg dat ik nooit naar buiten keek. Ik keek altijd naar beneden, omdat ik een boek zat te lezen.”


Welke boeken hebben indruk op u gemaakt?

“De trilogie van Thea Beckman, waarvan Triomf van de verschroeide aarde er één is. Ik denk dat ik een jaar of tien was. Er stonden gedichten in die ik helemaal uit mijn hoofd kende.

Ik was heel romantisch, dus toen ik ging puberen, is poëzie voor mij erg belangrijk geweest. Op mijn nachtkastje lag De verzen van de kapitein van Pablo Neruda. Liefdesgedichten, heel vurig en hevig. Nou, daar had ik dan grootse fantasieën bij, dat mij dat ook zou overkomen!

En dan heb ik ook zo’n periode gehad, aan het eind van mijn puberteit, dat ik ‘zwevers’ ging lezen. Wat ik altijd bij me had, was De steppewolf van Hermann Hesse. En Zen en de kunst van het motoronderhoud. Ik geloof niet dat ik het ooit begrepen heb, maar dat nam niet weg dat je het als een soort statussymbool met je meedroeg.

“Ik ben tijdens mijn puberteit op veel terreinen in verzet geweest, maar niet op dat terrein. Misschien alleen soms in de keuze van wat ik las. Het was misschien niet heel pedagogisch van mijn ouders, maar toen ik een jaar of twaalf, dertien was, zeiden ze tegen me: er staan twee boeken in de kast die je nog niet mag lezen, en dat waren Turks Fruit van Jan Wolkers en Pauline Réage, Het verhaal van O. Bij dat laatste boek vergeleken was Turks Fruit kinderspel, want het was ongelooflijk gewelddadig en expliciet. Nou, die had ik meteen uit!

En er was nog een boek dat diepe indruk op me heeft gemaakt: De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsyn. Daar ben ik helemaal ziek van geweest, net als van De geverfde vogel van Jerzy Kosinski, over een jongetje in de Tweede Wereldoorlog. Daar ben ik ook zo ellendig van geweest… Vroeger huilde ik ook echt om boeken.”


Nu niet meer?

“Nou, er is wel één boek dat ik mensen blíjf aanbevelen: The Year of Magical Thinking van Joan Didion. Een fantastisch boek. Het gaat over het jaar nadat haar man, schrijver John Dunne, plotseling is gestorven. Wat dat boek je leert over verlies en rouw vond ik echt ongelooflijk. Vooral omdat je gaat begrijpen dat het leed niet ophoudt aan het eind van het boek.

“Soms mis ik dat wel, het echte wegzinken in een roman. Op vakanties gaat er een hele stapel boeken mee – die ik voor de helft weer ongelezen mee terug neem – maar het echte wegzinken in een boek, dat je bijna een dag zit te lezen, dat kan niet meer. Ik moet tussen de bedrijven door lezen en altijd weer twee pagina’s terugbladeren om te kijken waar ik ook alweer gebleven was. Vroeger kwam het weleens voor dat ik de hele dag niks deed voordat een boek uit was.”

Zijn er boeken die uw leven echt hebben beïnvloed?

“Ik denk dat dat wel geldt voor Een man van Oriana Falacci. Ik was een jaar of vijftien toen ik het las. Het boek gaf een besef dat de wereld zo veel groter is en dat je zo veel kunt doen, als je maar wilt. Het is echt zó’n pil, en het gaat over hoe zij verliefd wordt op een Griekse verzetsstrijder. Ik geloof dat ik ook helemaal verliefd op hem was. Alekos Panagoulis… Kun je nagaan: dertig jaar later en ik weet zijn naam nog! Kapót was ik van dat verhaal.”

Wat leest u nu meestal?

“Ik lees veel Angelsaksische en Amerikaanse literatuur; ik heb in één jaar niet zo veel Nederlands gelezen als dit jaar. Ik ben een groot Philip Roth-liefhebber. Hij is in staat op fantastische wijze het menselijke te beschrijven, ons onvermogen om ons te binden en duurzame relaties te hebben. Ik hou van zijn schrijfstijl. En ik vind hem in fictie een van de belangrijkste geschiedschrijvers van deze eeuw. The Plot Against America is echt een fascinerend boek over totalitarisme.


“Van A.M. Homes heb ik ook alles gelezen; ze is een moderne feministische schrijver en dat vind ik interessant. En ik houd erg van haar absurdisme. Verder lees ik erg veel non-fictie voor mijn werk.

“The Wisdom of Crowds van James Surowiecki vond ik een indrukwekkend boek, omdat het laat zien dat een meerderheidsoordeel vaak een beter oordeel is dan het oordeel van de enkeling, omdat er kennis wordt gestapeld. Het slecht daarmee je vooroordeel over massa’s. Pas gelezen: Tony Judt, Ill Fares the Land. Het gaat over de vrij miserabele staat van westerse samenlevingen. Een fantastisch mooi boek. Niet eentje om vrolijk van te worden, maar ja: het zijn ook zelden de vrolijke boeken die je het meest bijblijven.”

Vivian de Gier