Een eeuwige dilettant

Tom Lanoye schreef met Sprakeloos een monumentale ode aan zijn overleden moeder. Het is het zoveelste werk van de Vlaming dat in de running is voor een literatuurprijs. Wie is Lanoye en waar komt zijn stormachtige gedrevenheid vandaan? Herman Brusselmans: ‘We delen de kijk op literatuur. Het moet rock-‘n-roll zijn.’

‘Het belangrijkste instrument van een schrijver is zijn zitvlak,” zegt schrijver Tom Lanoye. Natuurlijk, een schrijver moet de taal beheersen en een verhaal kunnen vertellen, maar vooral de discipline kunnen opbrengen om dat ook te doen. Lanoyes bips is wat dat betreft getraind. Hij heeft inmiddels 46 titels op zijn naam staan, waaronder poëzie-,essay-, column-, kritieken-, en verhalenbundels, romans en toneelstukken. Daarnaast is hij polemist en performer. Lanoye: “Als ik met het ene project bezig ben, plan ik al het volgende. Van stilzitten word ik depressief.”

Tom Emiel Gerardine Aloïs Lanoye kwam ter wereld op 27 augustus 1958 in het Oost-Vlaamse dorp Sint-Niklaas. Zijn vader, Roger Lanoye, was slager en zijn moeder, Josée Verbeke, slagersvrouw en amateur-actrice. Het leven van dit middenstandsgezin ging niet altijd over rozen. In de nacht van 15 op 16 december 1980 kreeg de familie een enorme klap te verwerken. Het was de dag dat Lanoye zijn ouders wilde vertellen dat hij op mannen valt. Maar in zijn verhalenbundel Een slagerszoon met een brilletje beschrijft hij hoe zijn broer Guy die nacht tegen een boom reed en dat niet overleefde.

Zijn moeder zou het verlies nooit meer te boven komen. Haar weerbarstigheid had zijn weerslag op Lanoye. In Sprakeloos vertelt hij bijvoorbeeld dat ze hem meedeelt liever een gehandicapt kind te hebben gehad dan een homo. “Met een mongooltje valt ge minder in affronten dan met iemand zoals gij.” Toch draagt hij haar niets na. Lanoye: “Godzijdank was het geen gemakkelijk mens, anders was ik niet wie ik nu ben.”

Lanoyes moeder verloor haar spraakvermogen door een beroerte. Na haar dood nam hij afscheid van haar door het schrijven van Sprakeloos.


“Ik wilde eer bewijzen aan die geweldige moeder van mij,” zegt Lanoye. “Ik wilde het verlies van taal herstellen met taal.”

Zijn goede vriend Herman Brusselmans was erg onder de indruk van het boek. “Ik heb zijn vader en moeder meegemaakt, ik ken veel van die verhalen. Tom had al een heel oeuvre en is daar met dit boek nog eens overheen gegaan. Daarnaast heeft het mij doen beseffen dat ik zelf niet over mijn ouders zal schrijven. Ik had eenzelfde idee, maar kreeg bij het lezen toch ook een gevoel van gne. Je geeft veel van je leven weg, en ik heb besloten dat de grens die ik voor mezelf heb getrokken daarmee overschreden zou worden. Daarboven heeft Tom nu hét definitieve moeder-vader boek uit de Vlaamse literatuur van de afgelopen twintig jaar geschreven, dat hoef ik niet ook te proberen.”

Sprakeloos vormt voor Lanoye zelf ook een mijlpaal. “Nooit kreeg ik zoveel reacties op een boek als op dit,” zegt Lanoye. “Nog steeds bereiken mij wekelijks sms’jes en mails van mensen die blijkbaar de behoefte voelen om er iets over te zeggen. Ze vinden het boek herkenbaar. Het gaat over het verliezen van ouders, maar ook over afasie, beroerte en dementie. Daarnaast blijkt het de generatie boven mij, van zeventig- en tachtigjarigen, aan te spreken omdat het een tijdsbeeld schetst van Vlaanderen.”

Lanoyes talent werd dertig jaar geleden ontdekt door Mai Spijkers van uitgeverij Prometheus. Lanoye had zijn studie Germaanse Filologie aan de Universiteit Gent afgerond met een scriptie over de poëzie van Hans Warren en mocht bij diens zestigste verjaardag een lezing geven. Spijkers spotte hem: “

Het was een klein parmantig mannetje dat vol bravoure stond te vertellen. Hij had een enorme stelligheid. Het talent om te performen spatte ervan af.”


Later kwam hij hem weer tegen, ‘dat mannetje’, zoals Spijkers zegt. “Bij een beurs voor kleine uitgevers. Hij had een tasje bij zich met twee boekjes erin, die hij in eigen beheer had uitgegeven. Ik kocht ze van hem. We raakten aan de praat. Hij vond ons wel interessant, mede omdat we in die tijd spraakmakende covers maakten met het Rotterdamse ontwerpersduo Hard Werken.”

Spijkers haalde met Lanoye een alleskunner in huis die onder de vlag van het Naamloze Vennootschap L.A.N.O.Y.E. een keur aan teksten produceerde. Hij werkt snel. Lanoye: “Ik doe ’s ochtends rustig aan. Om een uur of twee ’s middags begin ik met schrijven en dan ga ik rustig tot middernacht door. Natuurlijk neem ik tussendoor pauzes, en ik probeer ook twee maal per week te sporten. Een gezond lichaam hoort erbij.”

Sprakeloos, dat najaar 2009 verscheen, schreef hij in zes maanden. Inmiddels heeft hij alweer de eerste versie van een toneelstuk af voor Toneelgroep Amsterdam: De Russen!

In 1984 verscheen de bundel In de piste. Daarna volgde meer, veel meer, waaronder de verhalenbundel Een slagerszoon met een brilletje (1986) en Kartonnen dozen (1991), die nu samen met Sprakeloos een trilogie kunnen worden genoemd. “Dat is absoluut onbedoeld geweest,” zegt Lanoye, “maar ze zijn autobiografisch en worden toch samen gezien.”

Lanoye schreef ook een trilogie over België als het uiteenvallende hart van Europa: Het goddelijke monster (1997), Zwarte tranen (1999) en Boze tongen (2002). Hij won met dit laatste boek de Gouden Uil én de Gouden Uil Publieksprijs. Het derde huwelijk (2006) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en wederom voor de Gouden Uil.


Zijn boeken zijn in twaalf talen verschenen, en ook toneelstukken als Ten oorlog(1997), Mamma Medea (2002) en Fort Europa (2005) oogsten in het buitenland veel lof.

Spijkers: “Lanoye is een oeuvrebouwer en heeft altijd de ambitie gehad een rol te spelen in de literatuur. Het mooie is dat hij geen enorm gewichtige schrijver met hoofdletter S is, maar juist iemand met een prettig soort relativering, die om zichzelf kan lachen.”

Lanoye heeft drie grote voorbeelden: Louis Paul Boon, Hugo Claus en Gerard Walschap. “Boons roman De Kapellekens-baan is een voorbeeld geweest voor Sprakeloos,” zegt Lanoye. “Claus is een voorbeeld vanwege zijn uitspraken over politiek, zijn flamboyantie en hoe hij wilde leven van zijn pen. En Walschap om de kracht van de taal die op orale literatuur gebaseerd is.”

Essentieel bij de totstandkoming van zijn werk zijn Lanoyes twee redacteuren: Vincent Schmitz van Prometheus en de Vlaamse Anni van Landeghem. “Anni en ik kennen elkaar al dertig jaar,” zegt Lanoye. “Zij leest alles en geeft inhoudelijk commentaar: ‘Duurt dit niet te lang?’ ‘Is dit de boodschap die je wil overbrengen?’ Dan denk ik daar nog eens goed over na. Vincent is heel secuur en bekijkt het weer meer taal-technisch. Eigenlijk doet een goede redacteur hetzelfde als een dramaturg bij een toneelstuk: hij kijkt bij de doorloop met de regisseur mee en zegt wat er dubbel is of waar eventuele onduidelijkheden zitten.”

Naast zijn enorme veelzijdigheid valt Lanoye volgens Spijkers op doordat hij hoge en lage cultuur met elkaar verweeft. Shakespeares Richard III wordt bij Lanoye Risjaar Modderfokker den derde. “Daarnaast durft hij voortdurend stelling te nemen en een politieke positie in te nemen,” zegt Spijkers.


Met dat laatste heeft Herman Brusselmans het moeilijk gehad. “Lanoye is geëvolueerd tot een politiek geëngageerd schrijver met een vinger aan de pols van de samenleving,” zegt Brusselmans. “Toen hij daarmee begon, dacht ik dat het een bevlieging was. Zijn partner, René Los, is namelijk politiek ingesteld. Tom ging daarin mee. Waar ik mee worstelde was: waarom moet je als schrijver geëngageerd zijn? Daar heb ik zelf niets mee.”

De twee werden begin jaren tachtig gezien als voormannen van een nieuwe generatie Vlaamse auteurs. “Eigenlijk is het enige waarin Tom en ik verschillen dat hij homoseksueel is en ik niet,” zegt Brusselmans. “Hij komt uit Sint-Niklaas en ik uit Hamme, niet ver daar vandaan: we spreken hetzelfde dialect. Toms vader was slager, de mijne veehandelaar. En we deelden de kijk op literatuur: er moet iets mee gebeuren. Het moet bruisen. Literatuur moet rock-‘n-roll zijn, een levenshouding.”

Lanoye gaf begin jaren tachtig Brusselmans een zetje in de rug om ook op het podium te gaan en zijn werk voor te dragen. “Tom schreeuwde zijn poëzie uit op een post-punkachtige wijze,” zegt Brusselmans. “Ik dacht: dat moet toch ook anders kunnen… Ik heb veel van die periode geleerd, bijvoorbeeld hoe je met publiek moet omgaan.”

Precies daarin verschilden ze van de vorige generaties: ze durven het publiek aan te spreken en aandacht te vragen voor hun werk. Dat, vermengd met inspiratiebronnen in de moderne muziek en beeldcultuur, maakte dat ze publiciteit wisten te generen.

Lanoye houdt zich volgens Brusselmans bezig met alle aspecten van een boek. “Tom is heel fanatiek in het meekijken tot in de laatste details. Hij kan ontwerpers tot wanhoop drijven met discussies over hoe groot zijn naam wel of niet op het kaft moet staan. Daarin is hij misschien niet de makkelijkste. Maar hoe je er ook over nadenkt, hij heeft altijd gelijk.” En dat boek vervolgens verkopen, is ook geen probleem. Brusselmans: “Hij is een echte jutter en daar is niets mis mee.’ Lanoye: “Kun je onder het artikel ook mijn website www.lanoye.be zetten?”


Ivo van Hove, artistiek directeur van Toneelgroep Amsterdam, bevestigt het beeld van een man die tot in de finesses betrokken blijft bij zijn werk. “Hij praat met de acteurs en vormgevers en blijft kijken naar wat werkt en wat niet.”

Het stuk dat hij nu voor Toneelgroep Amsterdam maakt, De Russen!, is een bewerking van Tsjechovs Ivanov en Platonov, aangevuld met nieuw werk. Het telt ruim vierhonderd pagina’s. “Ga maar na,” zegt Lanoye gretig. “Het zijn achttien volwaardige rollen, die allemaal dialogen hebben. Je komt al snel aan twaalf pagina’s per persoon, en daarmee ben je al een heel eind richting de vierhonderd.”

Zijn liefde voor theater is groot. “Theater is gesamtkunst,” zegt Lanoye. “Je hebt geluid, licht, kostuums, taal. Kortom, heel veel elementen die samen een geheel vormen. Daarmee spreek je een gemengd en breed publiek aan. Het is kunst voor de gemeenschap.”

De voorliefde voor toneel komt onmiskenbaar terug in al zijn werk. Zo gebruikt hij in Sprakeloos bijvoorbeeld terzijdes, een vorm waarbij de hoofdpersoon iets tegen het publiek zegt zonder dat de andere personages het horen. Daarmee wordt de vierde wand, zoals de onzichtbare muur tussen de spelers en het publiek wordt genoemd, doorbroken. Lanoye gebruikt de terzijdes om zijn lezers persoonlijk aan te kunnen spreken.

Die theatrale elementen maken volgens hem ook dat het boek zich goed laat voorlezen. “Ik heb besloten dat ik het uit mijn hoofd ga leren en er een theatersolo van ga maken,” zegt hij. Daarmee krijgt het afscheid van zijn moeder een nog wat langere duur. “Eerst was het afscheid klaar als ik het verhaal geschreven zou hebben, toen verschoof het naar dat het boek uit zou komen, daarna naar de eventuele prijzen en nu naar de onemanshow. Maar daarna is het afgelopen, hoor.”


De helft van het jaar woont Lanoye met zijn man, René Los, in Zuid-Afrika. In de documentaire Mag het iets meer zijn uit de VRT-serie Goudvis die 11 november op de Belgische televisie zal worden uitgezonden, zegt Lanoye dat hij zich in Kaapstad goed kan afsluiten. “De afstand maakt dat de verleiding minder groot is om toch nog dat interview te doen.”

Mai Spijkers: “Dat onvermoeibaar altijd de beste willen zijn, is niet alleen voor zijn omgeving weleens zwaar, maar ook voor hemzelf. Tom is een heel publiek figuur. Erg benaderbaar. In Zuid-Afrika, waar niemand direct iets van hem wil, heeft hij nog een bepaalde mate van anonimiteit. Daar kan hij dan ineens genieten van het staren naar een riviertje.”

Achter de hardwerkende, geen blad voor de mond nemende, intellectuele alleskunner met de kekke bril zit nog een andere Tom Lanoye verscholen. Brusselmans: “Hij zou het zelf misschien niet toegeven, maar hij is een heel gevoelige jongen. Hij kan soms hard zijn, maar als je hem eenmaal als vriend hebt, dan is dat voor altijd. Tom is een van de eersten die ik bel als ik advies nodig heb. Hij heeft een heel groot hart.”

Ivo van Hove komt superlatieven te kort: “Je voelt dat hij echt in je geïnteresseerd is. Als hij iets mooi vindt, zal hij dat ook laten weten, maar dan is hij wel oprecht en nooit slijmerig. Hij heeft daarnaast een enorm gevoel voor humor en is niet vies van zelfspot.”

Mai Spijkers: “Lanoye is een heel gastvrij mens. Dat jeugdige mannetje dat zo pontificaal staat te oreren, zit er bovendien nog altijd in. Hij is een dilettant in de goede zin van het woord.”


In de weken rond de AKO Literatuurprijs-uitreiking lijkt alle lof rond Sprakeloos samen te komen. Lanoye is uitgebreid geportretteerd door de VRT. Het buurtcomité van de Elisabethwijk te Sint-Niklaas heeft het evenement Sprakeloos in de Buurt georganiseerd, waarbij de lokale geschiedenis kan worden herbeleefd in buurtcafés, bij mensen thuis, in garages en bij het frietkot. Bovendien werd hier de jaarlijkse Prijs voor de Mooiste Zin uitgereikt door het literaire blad Tzum.

Lanoye won met deze: “Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.”

Waar gaat Lanoye de prijs, een euro per woord die de zin lang is, aan uitgeven? “Ik denk dat ik er puntzakken patatten met mayonaise voor aanschaf in het frietkot.”

Is het zijn ambitie om nog groter en beter te worden? Lanoye: “Ik ben een kind van de middenstand, dan klinkt groter en beter altijd goed. Uiteindelijk is schrijven niet alleen een broodwinning maar een noodzaak. Ik zie mijzelf niet stoppen op mijn vijfenzestigste.”

Tom Lanoye: Sprakeloos. Prometheus. € 19,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Ivo van Woerden