Een Knetemannetje doen

Komende dinsdag is het alweer zes jaar geleden dat Gerrie Knetemann overleed. In alle hectiek rond het ritueel slachten van Theo van Gogh, op diezelfde tweede november 2004, is voor hem destijds niet het monument opgericht dat hij verdiende. Anders gezegd: zijn tragische verscheiden sneeuwde geheel onder en leidde tot de respectloze uitdrukking ‘een Knetemannetje doen’, wat staat voor je laatste adem uitblazen op de dag dat een ándere Bekende Dode alle aandacht naar zich toetrekt. Farrah Fawcett, die blonde kanjer van Charlie’s Angels, deed vorig jaar een Knetemannetje door tegelijk met Michael Jackson te sterven. Dubbel tragisch.

De Kneet, zoals we hem altijd liefkozend blijven noemen, was een van mijn favoriete sporthelden aller tijden. Iemand die op wilskracht en karakter in staat is om zó ver boven zichzelf uit te stijgen als Knetemann deed, verdient tot heel lang na zijn dood de gladiolen.

Hoe verschrikkelijk goed hij was, realiseerde ik me toen ik na zijn veel te vroege overlijden nog eens met mijn neus op zijn palmares werd gedrukt. Tien etappeoverwinningen in de Tour de France, tweemaal winst in de Amstel Gold Race, eindzeges in Parijs-Nice, de Driedaagse van De Panne en de Rondes van Nederland, België, Zweden en de Middellandse Zee. Hij was, als achtvoudig gele-truidrager, de enige die Bernard Hinault op het terrein van het tijdrijden kon verslaan. Puur op doorzettingsvermogen had hij zich deze discipline eigen gemaakt. Maar ook létterlijk steeg hij boven zichzelf uit, want voor iemand die naar eigen zeggen totaal geen klimgeit was, wist hij toch alle Alpen- en Pyreneeënreuzen die op zijn pad kwamen onder zijn malende pedalen te vermorzelen.

En natuurlijk was hij ook nog eens wereldkampioen…

Die regenboogtrui om dat Amsterdamse stratenmakers-lijf: wat was ik daar als stadgenoot trots op! Ik wilde dan ook per se met hem op de foto, toen ik hem halverwege de Tour van 1979 in de ploegleiderswagen van Peter Post zag zitten. Het was bloedheet, die dag in het Franse bergdorpje Moutiers. Het peloton maakte zich op voor de 166,5 kilometer lange etappe naar l’Alpe d’Huez, boze boeren demonstreerden met spandoeken voor betere arbeidsomstandigheden of zo (kon mij het rotten – ik was daar om wielerhelden te bekijken, niet om me in de problematiek van een stel Franse aardappeltelers te verdiepen) en ik liet me gewillig vereeuwigen naast de regerend wereldkampioen, die – klein minpuntje! – was getooid met wat we destijds een ‘Piet Schrijvers-permanentje’ noemden. Ineens was het in die dagen bon ton om met een kop vol badschuim rond te lopen en op het hoofd van de uit gewapend beton opgetrokken doelverdediger van Ajax en het Nederlands elftal stond dat ronduit bespottelijk. Ruud Krol had ook zo’n kroeskop, maar die kon het hebben – dressman Krol, overigens de zoon van een fietsenhandelaar uit de Amsterdamse Kinkerstraat, kon álles hebben wat in de mode was of nog in de mode moest komen. De Kneet niet, die had gewoon zijn eigen fantasieloze coupe Jan Raas moeten houden, de coiffure waar stationskappers het patent op hebben. Maar dit geheel terzijde.


Voor de statistieken: de rit zou gewonnen worden door de Portugees Agostinho, vóór Alban, Wellens, Laurent en Bernaudeau. Gerrie Knetemann werd 23ste, op 7 minuten en 35 seconden van de winnaar.

Niet voor de statistieken, wel voor de volledigheid, moet ik nog even vertellen waarom ik op de foto mijn Miroir du Cyclisme-petje achterstevoren draag. Ali B. was nog niet geboren, dus die deed ik niet na. Nee, het was omdat ik dat netter vond tegenover mijn held. Op de klep stond namelijk ‘Allez Zoetemelk’…

import michiel blijboom