Elk boek z’n eigen prijs

Nederland en Europa komen om in de literatuurprijzen. Maar wat betekent zo’n prijs dan nog? En wat is het effect ervan? ‘De winnaar is meteen een celebrity, al had daarvoor nog nooit iemand van hem gehoord.’

Het Nederlandse taalgebied kent een rijke traditie als het gaat om literatuurprijzen. Sinds Gutenberg rond het jaar 1450 de boekdrukkunst uitvond, is er onnoemelijk veel geschreven, gedrukt en gelezen. In het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog is de geletterdheid onder de bevolking tot nooit eerder bereikte hoogten gestegen en dienovereenkomstig wordt literatuur, in tegenstelling tot de eeuwen daarvóór (toen alleen de elite kon lezen en schrijven) toegankelijk voor vrijwel iedereen. Er wordt tegenwoordig dan ook behoorlijk veel geschreven in ons land, en er zijn even zoveel prijzen die voor deze werken uitgereikt worden. Op de Wikipedia-pagina van de Nederlandse literatuurprijzen telden wij 56 verschillende literatuurprijzen, alleen al in de categorie ‘algemeen’. Als we de aparte categorieën meerekenen, komen we op honderden prijzen. We mogen dus rustig stellen dat literatuur leeft. Jeroen Kans, jurysecretaris van de AKO Literatuurprijs, vindt dit enorme aanbod aan prijzen geweldig: “Er komen er ook nog steeds meer bij. Uiteindelijk is er voor elk boek een eigen prijs – die kant gaat het op, denk ik. Maar dat maakt het alleen maar leuker.”

De belangrijkste prijzen in Nederland zijn (buiten sinds 1987 de AKO Literatuurprijs) de P.C. Hooftprijs, een oeuvreprijs die sinds 1947 jaarlijks wordt uitgereikt, de Prijs der Nederlandse Letteren, die sinds 1956 afwisselend door het Nederlandse en het Belgische staatshoofd wordt uitgereikt, de Libris Literatuurprijs, uitgereikt sinds 1994 en de Belgische prijs voor oorspronkelijk Nederlandstalig werk, de Gouden Uil, die een jaar daarna het leven zag.


De Libris Literatuurprijs, de Gouden Uil en de AKO Literatuurprijs worden ook wel het ‘uitgelezen trio’ genoemd, vanwege het hoge prijzengeld. Hier kan intussen een kwartet van gemaakt worden, aangezien ook de Prijs der Nederlandse Letteren onlangs een verhoging van het prijzengeld doorvoerde, van 16.000 euro naar 40.000 euro. Zou iemand alle vier de prijzen winnen – iets dat nog nooit gebeurd is, onder andere door de verscheidenheid aan inzendingen en de jurering – dan zou de betreffende winnaar met bijna twee ton naar huis gaan.

Naast de vaak relatief grote geldbedragen die aan de diverse prestigieuze literatuurprijzen verbonden zijn – die oplopen tot 50.000 euro voor de winnaar – zijn er veel meer redenen waarom schrijvers graag willen winnen. Geldprijzen zijn leuk, maar prestige, status en aanzien zijn minstens zo belangrijk voor de winnaars. Erkenning voor je werk; dat is toch waar een schrijver het uiteindelijk voor doet. Dat meer mensen je werk gaan lezen als je door het winnen van een prijs meer in de publiciteit komt ook. Bijkomend voordeel van de toegenomen erkenning na het winnen, is het vergroten van de naamsbekendheid en de bijbehorende uitnodigingen om in verschillende media te komen babbelen over de prijs. Niet slecht om de boekverkoop te stuwen. Ion Trewin, literary director van een van de grootste literaire prijzen in Europa (de Britse Man Booker Prize) zegt het als volgt: “Niet alleen de prijs zelf is belangrijk, zowel de winnaar als zijn of haar uitgever worden vanaf die dag platgebeld en -geschreven met uitnodigingen voor interviews en vragen over wat de rechten van het gewonnen werk moeten opbrengen. De winnaar is meteen een celebrity, al had daarvoor nog nooit iemand van hem gehoord.”


Aangezien schrijvers toch moeten leven van de opbrengst van hun boeken, mag men het belang van de verkoop dus niet onderschatten. Zeker in het afzetgebied van de Nederlandse literatuur wordt men niet snel rijk van het schrijven. Lang niet iedereen haalt de top van de bestsellerslijst. Het winnen van een van de meer prestigieuze literatuurprijzen helpt schrijvers dus eerder het hoofd boven water te houden, dan dat het ze direct laat toetreden tot de ‘grachtengordelelite’.

Want ondanks het feit dat de gehele literatuurwereld nog weleens beschouwd wordt als elitair en niet voor de massa, lijkt dit beeld niet te kloppen. Jeroen Kans stelt dat met name de AKO Literatuurprijs juist wél voor de massa is. “Kijk, de AKO-winkels zijn natuurlijk ook inloopwinkeltjes, op plekken waar veel mensen komen. En daar modelleren we de prijs dan ook naar. Dat hebben we ook altijd gedaan. Het is dus zeker niet zo dat dit – zoals in het geval van het Boekenbal – enkel voor een elite zou zijn. Wij gaan juist voor het grote publiek. Literatuur in de breedste zin van het woord. De Libris Literatuurprijs heeft daarentegen sinds dit jaar de non-fictie en de verhalen weer buitenspel gezet. Zij hebben dus een andere visie op literatuur dan wij. Daar is overigens niets ergs aan – de variatie van de verschillende prijzen houdt het leuk.” Hij zegt verder dat de prijs als statussymbool voor een schrijver inderdaad erg belangrijk is. Maar, zo voegt hij er aan toe: “Een geldbedrag van 50.000 euro ook. Daar kun je toch weer een jaar van schrijven.”

Literatuur mag in ons land en de omringende landen dan hoog in aanzien staan, zij heeft wellicht toch wat te lijden onder het stempel ‘elitair’. In de geschreven pers is dan wel vrij veel aandacht voor de literaire prijzen in ons land, op tv is het met de jaren stukkenminder geworden. Tot 2006 werd de uitreiking van de AKO Literatuurprijs nog live uitgezonden aan de hand van een show van een heeluur, nu moeten we het met steeds beknopter varianten doen. Van een avondvullend programma bij de NOS vanaf de eerste uitreiking in 1987, via de commerciëlen in het actualiteitenprogramma Barend & Van Dorp vanaf 2004, naar een wel érg karig itempje in een bestaand programma, wederom bij de Publieken.


Toch is het in ons land ook weer niet écht slecht gesteld qua media-aandacht. Zo worden onder andere de Libris Literatuurprijs en de AKO Literatuurprijs in live-uitzendingen uitgereikt. Zij het dan de laatste jaren niet in een avondvullend programma, maar in een speciaal aan de uitreiking gewijde aflevering van het onlangs de nek omgedraaide NOVA of via een rechtstreeks verslag bij actualiteitenrubriek Pauw & Witteman.

Er is dus wel degelijk aandacht voor, maar dat zou best wat meer mogen, aldus de kenners. Wellicht dat de ‘Hollandse nuchterheid’ hier iets mee te maken heeft. Want buiten een WK Voetbal waar het hele land door ontregeld wordt, lijkt het credo toch nog altijd: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’

Helga Marx van het Goethe-Institut Amsterdam, onderdeel van het wereldwijd actieve Goethe-Institut dat zich inzet voor verspreiding en behoud van het Duitse cultuurgoed, zegt dat dit ook geldt voor Duitsland: “We hebben in Duitsland nog veel meer literatuurprijzen dan in Nederland. Ik schat dat er jaarlijks zo’n drieduizend uitgereikt worden. Toch is ook hier de aandacht in de media minimaal. Er wordt enorm veel gelezen en er worden enorm veel boeken verkocht, maar het fenomeen literatuurprijs mag wel wat meer gaan leven. Wat dat betreft kunnen we een voorbeeld nemen aan de Engelse Booker Prize.”

In het Verenigd Koninkrijk is het kennelijk anders. Daar zijn literatuurprijzen juist een reden om eens flink uit te pakken. Ook hier zijn, net als in Nederland, forse bedragen te winnen. De Man Booker Prize is een van de grootste onderscheidingen voor de Engelse en Ierse literatuur. Deze prijs stond model voor meerdere andere prijzen, waaronder de Libris Literatuurprijs. Dinsdag 12 oktober jongstleden was de 42ste uitreiking van de prijs, die sinds 2005 ook een tweejaarlijkse internationale variant kent.


De Britse schrijver Howard Jacobson ging er deze keer met de prijs en een geldbedrag van 50.000 pond (zo’n 56.000 euro) vandoor. Hij ontving de prestigieuze prijs voor zijn boek The Finkler Question, waarin Jacobson beschrijft hoe het is om Joods te zijn in deze tijden. De gehele uitreiking was live te volgen via de BBC. Jeroen Kans: “Men pakt in het buitenland, bijvoorbeeld in het geval van de Booker Prize, altijd enorm uit. Er komt een hele show om de uitreiking, live coverage op televisie in een avondvullend programma en heel veel andere media-aandacht. Daar kijk ik weleens met een schuin oog naar. Het heeft natuurlijk ook te maken met het veel grotere afzetgebied in die talen, maar ik zou dat hier ook graag zien. Het wordt echt een feest zo. Men lijkt in het buitenland vaak veel uitbundiger, wat literatuurprijzen betreft. Geweldig om te zien – ik hoop dat in Nederland ook nog mee te gaan maken.”

Ion Trewin is het hiermee eens. “Wij werken natuurlijk al 42 jaar heel hard aan deze prijs. Door dit harde werk hebben we nu een prijs en een bijbehorende uitreiking die naar ons idee helemaal geweldig is. Natuurlijk kijken we altijd naar dingen die beter kunnen: in de organisatie, in de jurering, in alles. Wij leren ook van anderen – nog steeds. Zo hebben wij de longlist (de eerste lange lijst waar de jury de shortlist, bestaande uit de laatste zes kandidaten, uit kiest – red.) ingesteld naar voorbeeld van de Libris Literatuurprijs. Maar wij hebben inderdaad redelijk wat we willen. Live-uitzendingen, heel veel media-aandacht. Dat is in de rest van Europa vaak anders. De winnaar van vorig jaar, Alice Munro, won met een historisch boek over 16de-eeuws Engeland. Na het winnen van de Booker Prize werd het boek ineens uitgebracht in 37 landen. Dat mag je toch wel een behoorlijke impact noemen. Zeker omdat het in dat geval een boek betrof over de historie van Groot-Brittannië, niet bepaald een onderwerp waarvan je zou verwachten dat het in Azerbeidzjan verkocht zou worden.”


Ook Umtul Kiekens, voormalig jury-secretaris van de Libris Literatuurprijs, stelt dat de belangstelling in Nederland minder is geworden. “In de begintijd van de Libris en de AKO literatuurprijs was er vrijwel altijd een urenlange registratie op de televisie. De NPS heeft dat in de loop der jaren steeds verder ingekort. Heel vervelend, maar dat hoort bij de commercialisering. Indertijd werd het hele juryrapport uitgezonden. Tegenwoordig is men bij de omroepen bang dat kijkers wegzappen. Het idee heerst dat kijkers realityshows willen zien; iemand die een ander twintig jaar niet gezien heeft, mensen bij elkaar in een huis stoppen. Dat gaat ten koste van literaire programma’s. Gelukkig is er weer een goed literair programma tegenwoordig. Helaas wordt het op zondagochtend uitgezonden…”

In Duitsland is een van de belangrijkste prijzen voor literatuur de Georg-Büchner-Preis. Deze prijs, vernoemd naar schrijver Georg Büchner, werd in 1923 ingesteld door de toenmalige Volksstaat Hessen en vanaf dat jaar toegekend aan beeldende kunstenaars, dichters, toneelspelers, zangers en andere uitvoerende kunstenaars. Sinds 1951 is het een literatuurprijs die enkel wordt uitgereikt aan schrijvers en dichters. De prijs is zeer prestigieus, maar toch is er niet veel aandacht voor. De winnaar krijgt uiteraard een berichtje in de kranten, maar – zo zegt Helga Marx: “Het is jammer. Literaire programma’s zie je pas rond half twaalf ’s avonds op televisie. Inherent daaraan is er dus ook minder aandacht voor de literaire prijzen. Toch leeft literatuur zeker in Duitsland. De Leipziger Buchmesse, net als de Frankfurter Buchmesse een boekenbeurs met een geschiedenis van vijfhonderd jaar, trekt honderdduizenden bezoekers. Met dat soort aantallen zou je denken dat er ook meer aandacht zou zijn voor de verschillende literatuurprijzen, maar helaas.”


Op de Leipziger Buchmesse wordt ook de Leipziger Boekenprijs uitgereikt, een publieksprijs die volgens Marx absoluut de naamsbekendheid en hieraan gerelateerd de verkoopcijfers van een schrijver een enorme boost geeft. Net als de Georg-Büchner Preis, maar ook dit zou beter kunnen door meer media-aandacht. Anekdotisch voor hoe literatuurprijzen in Duitsland bekeken worden door schrijvers en publiek, is het boek Meine Preise van de in Heerlen geboren Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard. Die won in 1970 de Georg-Büchner Preis en schreef in 1980 Meine Preise, dat twintig jaar na zijn dood (in 1989) postuum uitgebracht werd. Hierin beschrijft de auteur hoe hij (niet) veranderde na het winnen van ettelijke literaire prijzen.

Een van de vele grappige anekdotes verhaalt over een Duitse minister die hem aankondigde bij de aanvaarding van de Oostenrijkse Staatsprijs voor literatuur en hem verschillende romans toeschreef die hij niet had geschreven. Deze verliet vervolgens tijdens de rede van de schrijver, die omschreven wordt als de uitvinder van de ‘komische klaagzang’, woedend en met deuren smijtend de zaal. De laureaat zelf heeft nooit begrepen waarom. Naar zijn idee was het een bijzonder rustige tekst geweest. Een tekst die toch niemand zou begrijpen en daardoor ook geen stof zou doen opwaaien. De schrijver vond eigenlijk dat híj degene was die kwaad had mogen worden, daar de minister duidelijk zijn werk niet kende.

Ook in Nederland gaan uitreikingen van literatuurprijzen af en toe gepaard met grotere en minder grote rellen. Zo weigerde schrijver Jeroen Brouwers in 2007, na hem aanvankelijk wél geaccepteerd te hebben, de Prijs der Nederlandse Letteren omdat hij het prijzengeld van 16.000 euro te weinig vond. Dit is daarna, na onderzoek door onder andere de Nederlandse Taalunie, die onderzocht of het bedrag wel overeenkwam met het prestige van de prijs, opgehoogd naar 40.000 euro. De prijs werd overigens wegens de weigering van Brouwers in 2007 niet uitgereikt. In plaats van 16.000 euro kreeg Brouwers dus niets, maar hij zorgde er wel voor dat toekomstige winnaars een groter bedrag mee naar huis mogen nemen.


Enkele jaren eerder, in 2001, weigerde koning Albert II van België de prijs uit te reiken aan winnaar Gerard Reve, omdat diens partner Joop Schafthuizen indertijd verdacht werd van ontucht met een minderjarige. De prijs werd uiteindelijk wel uitgereikt. Echter niet door het Belgische staatshoofd, maar door een ambtenaar van de Nederlandse Taalunie.

Ook rond de AKO Literatuurprijs ontstaat geregeld ophef. Zo beweerde het controversiële opinieweblog GeenStijl in 2005 dat de winnaar al lang en breed was aangewezen voordat de jury de shortlist had geselecteerd. Tommy Wieringa zou de prijs krijgen voor zijn roman Joe Speedboot, aldus het weblog, en die shortlist diende alleen nog om de verkoopcijfers op te krikken. Dit bericht bleek later volledig uit de duim te zijn gezogen – de winnaar dat jaar werd Jan Siebelink met Knielen op een bed violen, een boek dat mede door het winnen van de prijs vervolgens een internationale bestseller werd. Meer gekrakeel uit de lange AKO-historie valt te lezen in het stuk ‘Altijd wat, met die prijs’ op pagina 58.

Ook dit jaar is er een relletje; ditmaal bij de NS Publieksprijs. Schrijver Ernst van der Kwast wordt ervan beschuldigd dat hij van de verkiezing van het Boek van het Jaar een ‘slechte versie van Popstars’ probeert te maken, door zijn belofte voor elke stem op hem 100 roepie (e1,60) over te maken aan een Indiase stichting voor leesbevordering. Franca Treur, eveneens genomineerd voor deze prijs, uitte haar ongenoegen hierover in nrc.next van donderdag 7 oktober jongstleden. Zij vraagt zich af of men deze ontwikkeling moet willen. Of zij ook aan mensen die wellicht nog nooit van haar of haar boek gehoord hebben moet vragen op haar te stemmen. “Hier, invullen! Maakt niet uit. Doe maar, krijg je een lolly.”


Deze ontwikkelingen maken dat het argument dat literatuur en de daaraan verbonden prijzen elitair zijn, volledig onderuit gehaald wordt. Of zoals Umtul Kiekens zegt: “Er wordt vaak gekeken naar literaire prijzen als een elitair gebeuren, maar dat is voornamelijk de schuld van de media. De geschreven pers en de radio geven graag aandacht aan de verschillende literaire prijzen, maar het grootste medium op dit moment, de televisie, schroeft die aandacht steeds meer terug. Dit gaat uiteraard niet ten koste van de literatuur an sich, maar geeft wel het vertekende beeld dat literatuur ‘elitair’ zou zijn. Dat is natuurlijk niet zo.” Trewin van de Booker Prize weet daar aan toe te voegen: “Literatuur wordt geschreven door mensen. Heel gewone mensen, die heel mooie dingen kunnen schrijven. Dat moet men niet vergeten. Ik zie de literatuur en het fenomeen literatuurprijzen dan ook nooit verdwijnen. Dat blijft. Sterker nog, ik denk dat het naarmate mensen meer gaan lezen alleen maar groter wordt. Oók de aandacht ervoor, en óók in kleine taalgebieden als het Nederlands.”

De vraag blijft of een literatuurprijs, in plaats van een statussymbool en een mooie kroon op het werk, een soort Idols zou moeten worden. Wat meer aandacht in de media lijkt alle betrokkenen leuk. Schrijvers houden, net als ieder ander, ook wel van een feestje en vaak ook van aandacht. Maar om het zó goedkoop te laten worden dat men stemmen moet werven door de belofte voor elke stem een donatie te doen voor een goed doel – of nog erger: via sms – dat lijkt niemand te zien zitten. Voorlopig zullen literatuurprijzen dus gewoon, zoals ze eigenlijk altijd al waren, wél voor het publiek blijven, maar liefst wel met een klein elitair randje. Dat randje zou volgens bijna alle mensen die HP/De Tijd sprak echter wel zó dun mogen zijn dat de aandacht in de verschillende media voor literatuur en de daaraan verbonden prijzen een stuk groter wordt. Dit kunnen wij slechts onderschrijven. Literatuur is tenslotte een van de pijlers van de cultuur, en daar zou best wat meer waardering voor mogen zijn. Niet alleen door middel van de prijzen zelf, maar zeker ook door hier wat meer de aandacht op te vestigen.

Alex Ringeling