‘Hallo, hoe gaat?’

Geert Wilders wil af van ‘linkse hobby’s’ zoals het subsidiëren van allerlei culturele en welzijnsprojecten. Terecht? HP/De Tijd ging kijken bij verschillende linkse hobby’s. Deze week: thuisles voor de Marokkaanse buurvrouw. ‘Is moeilijk, school kan niet’

Yasmina* (31) woont samen met haar man Ahmed* en hun vier kinderen in een sociale huurwoning op de tweede verdieping van een gerenoveerd huizenblok in Bos en Lommer. Hun balkon op de galerij hangt vol met wasgoed en kleden. Het appartement zelf heeft drie kamers en is karig gemeubileerd. In de woonkamer staan een groene hoekbank met oosters motief en een houten wandmeubel met een oude televisie erin. Op de grond ernaast ligt een niet-aangesloten computer. Verder prijkt in de hoek nog een verrijdbare ronde eetkamertafel met paars zeil erover. De stoelen ontbreken.

Ahmed woonde al in Amsterdam toen hij Yasmina acht jaar geleden hierheen haalde om te trouwen. Toen werkte hij, maar sinds een operatie aan zijn knieën zit hij in de WAO. Daarnaast is Ahmed diabeet. Toen Yasmina net in Nederland was, ging ze een jaar ‘naar school’, zoals ze het zelf noemt. Maar ze was veel ziek, en toen ze zwanger was van Said* (haar eerste kind) kon ze geen inburgeringslessen meer volgen. Idealiter zou Yasmina natuurlijk al ingeburgerd zijn geweest vóórdat ze in Nederland aan huis gekluisterd raakte. Inmiddels zijn de inburgeringsregels dan ook aangescherpt en moeten nieuwe migranten al in het land van herkomst een basisexamen doen. Voor Yasmina is dat te laat. Ze is nu acht jaar en drie kinderen verder en probeert opnieuw Nederlands te leren, maar dan via het Amsterdams Buurvrouwen Contact (ABC), een vrijwilligersorganisatie die migrantenvrouwen zelfredzamer wil maken door thuislessen met ‘buurvrouwen’. Ik ben Yasmina’s Amsterdamse buurvrouw.

Yasmina leidt een geïsoleerd bestaan. Ze heeft vaak migraine, en haar jongste kind Nisrin*, van bijna twee jaar, is nog thuis, waardoor ze niet naar een inburgeringscursus kan. In Marokko heeft Yasmina wel het basisonderwijs afgemaakt. Ze is dus geen analfabeet. De oudste drie kinderen, twee jongens en een meisje, gaan naar een islamitische basisschool in de buurt. Yasmina brengt en haalt ze iedere dag te voet. Ze gaat ook weleens met ze naar het park, maar dat zijn haar enige activiteiten buitenshuis.


Bij het eerste bezoek spreken we af dat Yasmina en ik de komende tien weken gaan oefenen met kennismaken, boodschappen doen en een gesprek voeren bij de dokter. Hiervoor moet Yasmina met geld leren omgaan, leren klokkijken en getallen begrijpen. Voor iedere les van twee uur betaalt ze vijftig cent aan het ABC, een behoorlijke aanslag op het gezinsbudget als je bedenkt dat ze een tijdje terug nog bij de voedselbank liepen.

Als ik donderdag om tien uur aanbel, hoor ik via de intercom een zacht ‘ja?’ van een vrouwenstem. Het is Yasmina zelf die opendoet. Ze verwelkomt me en loopt met Nisrin op haar arm terug naar de kamer. Op de hoekbank ligt een berg schoon wasgoed. Ahmed ligt in bed, omdat hij last heeft van zijn knieën.

‘Kennismaken’ is ons eerste lesonderwerp. Van het ABC heb ik papieren meegekregen met lesonderwerpen en simpele opdrachten. Na enig oefenen kan Yasmina zich aan mij voorstellen. “Mijn naam is Yasmina. Ik ben 31 jaar en ik kom uit Marokko.” Yasmina kan ook schrijven, of in ieder geval woorden kopiëren. Haar naam krijgt ze zelfstandig op papier, de namen van haar kinderen moet ik eerst voordoen. Ze schrijft zoals mijn nichtje van zes. We bespreken hoe het leven van haar kinderen eruitziet. Naast de basisschool hebben die op zaterdag en zondag islamitische les, vertelt Yasmina. Na school gaan ze spelen of televisie kijken. En soms naar het park. De twee oudsten, Said en Hajar*, een jongetje en een meisje, gaan ook naar zwemles. Dan gaat papa mee, niet mama. Mama kan niet zwemmen.

Om een uur of elf nemen we pauze. Ik krijg thee aangeboden. Yasmina neemt Nisrin mee om haar te verschonen. Ondertussen geniet ik van haar zelfgemaakte harsja.Na de pauze test ik Yasmina’s kennis van het volgende lesonderwerp: boodschappen doen. Ze weet al veel. De volgende les kan ik dus ‘moeilijk’ maken.


We nemen afscheid met drie zoenen en spreken af voor volgende week, hetzelfde tijdstip. Wel ‘insjallah’, want ze is vaak ziek.

Geen telefoontje de week daarop, dus ik begeef me naar Bos en Lommer.

“Hallo, hoe gaat?” vraagt Yasmina bij binnenkomst.

“Goed, met jou?”

“Goed, maar kinderen is beetje ziek, dus schoonmaken niet.” Als ik naar binnen stap, zie ik wat ze bedoelt. Overal liggen broodtrommeltjes, kleren en andere troep. Ergens tussen de rommel ontwaar ik een rank meisje met een loshangende paardenstaart en zakkerige kleertjes: Hajar. De vijfjarige komt netjes naar me toe om een handje te geven. Het is een schattig kind met lange zwarte haren en een poppengezichtje met grote bruine kijkers. Haar Nederlands is keurig, merk ik. Hajar zit in groep twee en haar juf heet Mieke*. Daar leert ze Nederlands van. Thuis spreekt ze alleen Marokkaans.

Als Yasmina, gekleed in een beige pyjama-achtige jurk met Arabische figuurtjes, naast me heeft plaatsgenomen op de groene bank met vergelijkbaar motief, beginnen we de les met de geboortedata van de kinderen. Kan Yasmina die zelf invullen?

Ze denkt flink na. Was het nou acht of achttien mei en was het nou 2001 of 2002?

Ahmed moet eraan te pas komen, maar uiteindelijk staat het er dan toch. Na zijn bijdrage plukt Ahmed een stuk chocola uit de kast, geeft het aan Hajar om te delen met haar zusje, en gaat er zonder groet vandoor.

Met Yasmina oefen ik hoe ze haar persoonsgegevens invult. Aandachtig luistert Hajar mee en vult af en toe iets aan wat mama niet weet, terwijl ze ondertussen binnen de lijntjes van haar Nijntje-kleurplaat probeert te blijven.


Er moet een foto op de biografie van Yasmina. Ik pak mijn iPhone en klik direct.

Maar dat is te vroeg.

Binnenshuis heeft Yasmina namelijk alleen een soort piratendoekje over haar haar. Voor de foto wil ze toch wel graag haar hoofddoek op. Ze vraagt Hajar gauw haar hijab te pakken. De volgende foto is dus mét. Ondanks dat ik nog precies dezelfde vriendelijk lachende Yasmina tegenover me heb, vind ik haar leuker zónder.De tweede oefening van vandaag, ‘boodschappen betalen’, blijkt erg nuttig, want hoewel Yasmina de muntstukken wel kent, is ze niet gewend ze te gebruiken. Ze gaat bijna nooit naar de winkel. Ik stal wat meegebrachte boodschappen uit op de bank en zet er geïmproviseerde prijskaartjes bij. Met verschillende munten moet Yasmina het juiste bedrag betalen voor de producten. Dus een appel van vijftig cent en een pak thee van een euro vijftig kosten samen:?

De hele en de halve euro’s weet Yasmina goed te vinden, maar als ze zeventig cent moet betalen voor het waterflesje, wordt het lastig.

Als ik Yasmina later vraag welke oefening ze het leukst vond, krijg ik een enthousiast ‘alles leuk!’ terug.

De keer daarop zijn alle kinderen naar school en liggen Nisrin en Ahmed te slapen. We nemen plaats op de groene hoekbank en Yasmina begint over Said. Hij heeft eigenlijk bijles nodig in de vakantie. Anders krijgt hij het straks moeilijk in groep vijf.

Nu had Yasmina bedacht dat ik Said mooi les kon geven in plaats van haar. Ik leg haar uit dat dat niet kan.

Yasmina: “Maar ik oud, hoef niet werken. Said wel. Is veel belangrijk.”

“Ja, maar ik kom hier voor jou. Jij moet goed Nederlands leren. Ook voor de kinderen.”


“Maar Said veel belangrijk,” verzucht Yasmina.

Dat begrijp ik. Ik besluit aan het ABC voor te leggen of Said tijdens de vakantie bij onze lessen mag zitten. Of het nut heeft, weet ik niet. Zijn dicteeboeken zien er namelijk wel een stuk ingewikkelder uit dan de lesjes die ik met Yasmina doe.

Haar huiswerk heeft Yasmina niet gedaan – dat doet ze nooit, leer ik – omdat ze druk was met de kinderen. We gaan dus verder met de kalender. De dagen van de week dreunt ze feilloos achter elkaar op. Ook begrippen als ‘eergisteren’ en ‘overmorgen’ zijn geen probleem. Daar ben ik blij om, want probeer dat maar eens uit te leggen.

Na een halfuurtje wordt Nisrin wakker. Hoewel Ahmed thuis is en in bed ligt, haalt Yasmina haar uit haar bedje.

Voor het ABC moet Yasmina een assessment doen. Dat klinkt zwaar, maar feitelijk laat ik plaatjes zien van kokende, theedrinkende en fietsende vrouwen waarbij ze mag aangeven of zij dat ook doet en wat ze ervan vindt.

Bij schoonmaken is de reactie: “Is moet.”

“Ja, het moet. Maar vind je het leuk?”

“Weet niet, is moet.”

Het is voor haar niet gemakkelijk om aan te geven wat ze wel of niet leuk vindt. Waarschijnlijk wordt haar dat ook weinig gevraagd. Koken bijvoorbeeld vindt ze wel leuk, maar dat doet ze niet zo vaak. Groenten eten ze weinig, begrijp ik uit haar verhaal. De kinderen lusten het niet. Als ik zeg dat het belangrijk is dat de kinderen groenten eten, is haar antwoord: “Ik weet niet. Eten niet. Alleen brood.”

Oma Laila* logeert bij het gezin. Ze heeft voor drie maanden haar huis in Al Hoceima verlaten om haar kinderen in Europa te bezoeken.


Ik zie haar vanaf mijn vaste plek op de hoekbank uit het badkamertje komen. Ze draagt een beige hoofddoek met print en een elegante jurk van lichtblauwe zijde. Bij binnenkomst begroet ze me met een handdruk en een handbeweging naar haar hart.

Hoe zal zij dit tafereel aanschouwen? Een Nederlandse vrouw die bij haar schoondochter thuis komt om haar les te geven. Vindt ze het raar? Onnodig? Of juist goed?

Bij de training van het ABC werden we gewaarschuwd dat het verblijf van een familielid vaak zorgt voor hinder bij het lesgeven. Het kan zijn dat een (schoon)-moeder het onzin vindt dat een vrouw les krijgt; die hoeft toch alleen maar binnen te zijn, dus waarom zou ze leren?

Ahmeds moeder lijkt echter een relaxte huisgaste. Ik tref haar nog twee keer tijdens de lessen.

Eén keer komt ze bij ons zitten. “Klok,” herhaalt ze, als Yasmina dat voor haar heeft vertaald.

“Nederlands vindt ze moeilijk,” zegt Yasmina.

“Ja, net zoals ik Marokkaans moeilijk vind,” antwoord ik.

Na vertaling van Yasmina’s kant knikt oma instemmend.

Als we Yasmina’s kennis van de kalender verder uitpluizen, meldt ze spontaan dat Ahmed jarig is. Eerder wist ze niet wanneer Ahmed precies geboren was, maar blijkbaar heeft oma haar licht over deze duistere zaak laten schijnen.

Verjaardagen viert Yasmina niet. Ze doen aan sadaqa. Dat betekent vrijgevigheid of liefdadigheid, en dat doe je altijd, het hele jaar door. Yasmina probeert uit te leggen waarom de islam volgens haar goed is. Ze heeft het over ‘rechtdoor’, ‘geven’ en ‘buurvrouw helpen’, maar het blijft vaag wat ze bedoelt. We zijn nog niet zo ver dat we echt een gesprek kunnen voeren.


Als de les ten einde loopt, vraagt Yasmina tussen neus en lippen door of ik haar kan helpen bij het regelen van een Nederlands paspoort. “Kinderen paspoort hier, man paspoort. Ik niet.”

Als ik zeg dat ze naar de gemeente moet gaan, zegt ze vragend: “Jij regelen?”

Mijn eerste reactie is: regel zelf je verblijfsvergunning maar.

Maar ik kan haar daar natuurlijk best bij helpen.

Wanneer ik zeg dat ze dan wel weer naar school moet, schrikt ze een beetje. “Is moeilijk. Kinderen naar school, dan weer slapen. Ik migraine. School kan niet.”

Tja, ik moet ook elke dag naar mijn werk. En bovendien: Ahmed is toch thuis?

Yasmina is ziek. Haar gelaatskleur is net zo beige als de hoofddoek die ze op heeft. Ze was vergeten me te bellen, zegt ze bij de voordeur.

Het komt door de migraine, vertelt Yasmina, als we ons weer geïnstalleerd hebben op de groene hoekbank met de vertrouwde stapel wasgoed aan het einde. Daardoor eet ze niet en slaapt ze veel. Het klopt boven haar rechteroog en ze moet vaak overgeven. Haar buik doet daarnaast zeer, maar dat kan ook wel komen door de baby.

“Baby?!?” roep ik stomverbaasd uit.

Ja, ze is weer zwanger. Drie maanden, maar daar wordt ze nooit ziek van.

“Nummer vijf?” verzucht ik verbaasd. “Van harte gefeliciteerd. Ben je er blij mee?”

“Ja, kinderen is goed,” zegt ze weinig overtuigend. De situatie is er natuurlijk niet echt naar, met al vier kleine kinderen in een appartementje van 75 vierkante meter en alleen een WAO-uitkering. Zou ze eigenlijk wel voorbehoedsmiddelen gebruiken? Ik durf het niet te vragen.

De vakantie is begonnen, dus alle vier de kinderen staan nieuwsgierig op de galerij als ik mijn komst door de intercom heb aangekondigd.


Ik haal de ‘boom-roos-vis-vuur’-puzzel en de grote blonde pop die ik heb meegenomen uit mijn tas. Hopelijk zijn de kids daar een tijdje zoet mee, zodat Yasmina en ik een rustige les kunnen hebben. Ook heb ik Dribbel-kleurplaten in de aanbieding. De televisie staat aan en Said waveboardt wat door de kamer.

Van het klokkijken van vorige week is Yasmina weinig bijgebleven, en we moeten een paar flinke stappen terug doen om haar geheugen op te frissen. Eerst de halve uren, dan de hele uren. Vervolgens de kwartieren en periodes van vijf minuten. Op een gegeven moment heeft ze de smaak weer te pakken. We eindigen dit deel van de les met iets nieuws: tien voor half.

In de pauze lees ik Saids rapport. Zijn belangstelling voor Koranles is niet zo groot. Rekenen en taal zijn net voldoende, en de computerles doet hij voldoende tot goed.

Juf Samira* meldt dat Said het afgelopen jaar heel hard gewerkt heeft en over mag naar groep vijf. Hij zal er wel keihard aan moeten trekken en heeft op alle vakgebieden extra steun nodig. Zowel op school als daarbuiten.

Yasmina is zelf niet taalvaardig – tenminste niet in het Nederlands – en haar rekenkwaliteiten liggen ook niet erg hoog, heb ik gemerkt bij de boodschappenoefening.

Hoe zit het dan met Ahmed? Ja, die kan wel rekenen, zegt Yasmina.

Dan moet hij maar met Said oefenen, raad ik aan.

Ik vraag me alleen af of hij dat gaat doen. En taal blijft natuurlijk een probleem, want ook Ahmeds Nederlands is slecht.

Na de pauze wordt het lastiger voor de kinderen om zichzelf te vermaken. Bovendien is het niveau van de les voor Said en Hajar goed te volgen. Ze willen meedoen.


Eerst herhalen we het kennismaken. Ook de in Nederland geboren en getogen Said mag zich voorstellen.

“Mijn naam is Said. Ik ben acht jaar en ik kom uit Marokko.”

“Uit Marokko? Je komt toch uit Nederland?” vraag ik.

“O ja… ik kom uit Nederland,” verbetert hij zichzelf.

Vervolgens oefenen we de maanden van het jaar. Yasmina heeft moeite met de maanden na augustus. Omdat Said die wel kent, gaat hij er doorheen praten.

Ik besluit Said één keer alle maanden op te laten zeggen en vervolgens de beurt aan Yasmina te geven, met de afspraak dat hij niet voor mag zeggen.

Maar hij kan zich niet inhouden.

Yasmina blijft dapper doorgaan, maar zo gaat het niet.

Voor de volgende keer stel ik daarom voor om naar het park te gaan. Dan kunnen de kinderen ravotten en hebben wij rust. Yasmina is huiverig, omdat ze dan toch goed op ze moet letten.

Zoals vaak is het antwoord: “Weet niet”.

De week daarop krijg ik een uur voor onze afspraak een telefoontje van Ahmed.

“Hallo? Met man… Yasmina ziek, vandaag niet goed.”

“O, wat vervelend.”

“Ja, niet goed.”

“Zal ik dan volgende week komen? Weer op woensdag om een uur?”

“Ja, volgend week goed.”

“Oké, wens Yasmina beterschap.”

“Is goed.”

De volgende keer besluiten we de lessen tijdens de kindervakantie stop te zetten. Het is dus de laatste les met alle kinderen erbij, en ik ben blij als Ahmed tegen tweeën uit bed komt. Hij gaat met Said en Bilal* naar de bieb. Tussen de twaalf dvd’s die teruggebracht moeten worden, spot ik Alfred Jodocus Kwak, De smurfen en De reddertjes.

Als Ahmed en kinderen, op Hajar na, het huis hebben verlaten, moet Yasmina bidden. Ze trekt daarvoor over haar huisplunje een zijdeachtige blauwe jurk aan. Het duurt maar vijf minuten, zegt ze verontschuldigend.


Als ik Hajar vraag of zij ook bidt, antwoordt ze ontkennend.

“Maar we gaan wel naar de moskee. Op vrijdag. Er is altijd een mevrouw met snoepjes.”

Ook zij mag dan haar mooie jurk aan. “Ik kan hem wel laten zien,” roept ze verheugd en springt op om hem te halen. Het is een soort kaftan van harde, bewerkte stof. Glanzend paars met zilveren biezen. Haar vader en broertjes dragen eenzelfde soort overgooier, vertelt ze, alleen dan in het wit of beige.

En mama? Hajar brengt haar handjes horizontaal met de vingertoppen tegen elkaar omhoog, tot onder haar ogen. “Mama draagt zo’n sluier, en dan nog haar lange, groene hoofddoek.”

Terwijl ik me afvraag of ik Yasmina zo wel zou herkennen, stapt ze de woonkamer weer binnen.

Ze vraagt of het niet zo lang meer duurt. Zij gaat ook naar de bibliotheek met Hajar. De kinderen kunnen daar tot een bepaalde tijd computeren.

Ik besluit de les te beëindigen, bedank Yasmina voor de harsja en pak mijn spullen weer in. We hebben nog drie lessen staan, vertel ik haar.

Na de vakantie meldt Yasmina zich twee keer ziek, en ik ben bang dat ze het opgeeft. Maar de derde week zegt ze dat ze graag verder wil met de lessen. Zij, ik, en ook de kinderen vinden het erg leerzaam.

* De namen zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Karen Geurtsen