‘Ik ben gewoon maar verder gaan schrijven’

Hoe is het om steeds naast de prijs te grijpen? Om hem onverwacht tóch te krijgen? Of het oordeel te moeten vellen? HP/De Tijd blikt terug met twee juryleden, een meervoudig gepasseerde en een winnaar.

Schrijver Frans Thomése wist niet eens van het bestaan van de prijs af toen hij die in 1991 won. Hij was 32 jaar en de AKO Literatuurprijs veranderde zijn leven ingrijpend. Hij schreef om te ontsnappen aan de buitenwereld, maar voordat hij het wist, stonden de camera’s voor zijn deur. “Iedereen kende me opeens, van de krantenjongen tot bij de sigarenwinkel. Dat wilde ik helemaal niet. Dat was wel even wennen.

“Heel veel mensen denken dan ook meteen dat je veel geld hebt. Want zo gaat dat – als je beroemd bent, ben je rijk. Ik dacht ook dat mijn leven nu helemaal geregeld was, maar dat viel tegen. Die geldprijs was er wel, maar ging ook snel op. De Belastingdienst was de eerste die mij er schriftelijk op wees dat het geld onder de inkomstenbelasting viel. Ik kreeg er dus ook zorgen bij. Het schrijverschap is het enige beroep dat je thuis kunt uitoefenen met de gordijnen dicht, waar niemand wat mee te maken heeft. Van het ene op het andere moment zat ik in een glazen huis. Dat was niet mijn bedoeling. Er zijn veel schrijvers die schrijven om aandacht te krijgen. Voor mij is schrijven een middel. De aandacht voor mijn werk is prettig, maar zelf leef ik liever zonder de schijnwerpers.

“Als winnaar kreeg ik vijftigduizend gulden. Ik had nog nooit zoveel nullen gezien op mijn rekeningafschrift. Als je gewend bent aan weinig geld, dan weet je niet wat je moet als je er opeens veel van hebt. Ik heb toen een etage gekocht in Amsterdam-Zuid. Die is achteraf vijf keer meer waard geworden. Dus dankzij het kapitalistische mechanisme is de prijs aanzienlijk hoger uitgevallen. Toen heb ik opnieuw mijn gordijnen dichtgedaan en ik ben weer verder gaan schrijven. Een opluchting was dat, dat ik weer aan het werk kon in mijn eigen wereldje. De meeste schrijvers leven in een permanente staat van ‘als ik eindelijk eens gezien kan worden’. Ik had dat helemaal niet. Maar je vindt wat je niet zoekt en je zoekt wat je niet vindt.”


Omdat Thomése niet van het bestaan van de prijs wist, kon hij ook niet bevroeden dat hij genomineerd was. Terwijl de persconferentie over de AKO-nominaties in de Nieuwe Kerk op de Dam werd voorbereid, stond Thomése in De Slegte te grasduinen tussen de oude boeken.

“Toen ik met mijn plastic tas De Slegte uit liep, de Kalverstraat in en de Dam op, werd ik toevallig gezien door mijn publiciteitsmedewerkers en HP-journalist Ad Fransen. ‘Ik zou maar snel naar binnen gaan als ik jou was!’ werd er geroepen. Toen ik ze verbaasd aankeek, zeiden ze dat ik me niet van den domme moest houden en gauw naar binnen moest lopen. Ik wist nog steeds niet waar ze het over hadden. Achteraf kwam ik erachter dat er, terwijl ik ongeschoren de Nieuwe Kerk binnenliep, een cameraploeg voor mijn deur stond om mij te verrassen met mijn nominatie. Maar ze hebben natuurlijk voor een gesloten deur gestaan. Eenmaal binnen de Nieuwe Kerk werd ik omringd door journalisten en merkte ik dat Frits Bolkestein naast me kwam staan. Ik was verbouwereerd. Ik kreeg een envelop met een nominatie en werd gefeliciteerd. Ik ging maar terug naar huis om me te scheren en even later zat ik in een live televisieprogramma. Ik heb thuis nog wel even mijn vriendin gebeld om haar op de hoogte stellen en een schoon overhemd aangetrokken.”

Frank Westerman is al vier keer genomineerd voor het AKO Literatuurprijs. En telkens weer greep hij ernaast.

Hoe voelt het om vier keer vergeefs op de shortlist te hebben gestaan?

“Ik woonde in Moskou toen ik voor het eerst werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was in 1999, met mijn boek De graanrepubliek. Toen ging het een beetje langs me heen; ik wist ook nog niet wat de prijs precies inhield. Ik merkte pas hoe serieus het was toen ik hoorde dat ik vanuit Moskou zou worden ingevlogen om in het programma van Hanneke Groenteman te verschijnen waarin de shortlist bekend zou worden gemaakt. Ik dacht toen nog: kom ik helemaal uit Moskou, ben ik straks niet eens genomineerd! Maar daar hoefde ik me volgens mijn uitgever geen zorgen over te maken. ‘Als je bent uitgenodigd, word je ook genomineerd.’ Het was een erg mooie ervaring. Het is de rode loper voor de literatuur. Ik telde mijn zegeningen. Het effect van zo’n nominatie is ook best groot, vind ik. Als je boek verschijnt, krijg je aandacht en ligt je boek in de boekhandel min of meer vooraan. Maar als je ook nog op de shortlist staat bij een van de literaire prijzen, dan krijg je een extra ronde aandacht.


“Het internationale effect is ook niet te onderschatten. Een juryrapport is meer dan de beoordeling van een willekeurige recensent. Mijn boeken zijn vertaald, en om de buitenlandse uitgevers te laten investeren in je werk, is een juryrapport van een dergelijk literaire prijs enorm belangrijk. Het legt meer gewicht in de schaal dan die ene recensent die het boek de hemel in prijst. Mijn laatste vier boeken hebben allemaal de shortlist gehaald van de AKO Literatuurprijs. Deze prijs hoort samen met de Libris Literatuurprijs en de Gouden Uil tot de grand slams van de literatuur. Ik voel geen druk meer om te winnen. Ik heb namelijk al een Gouden Uil in mijn kamer staan. Maar ik heb wel een keer de opmerking gehad dat ik suf genomineerd ben voor de AKO Literatuurprijs. Daar moet toch een keer verandering in komen.”

Ook de juryleden kunnen onder flinke druk staan. Ze moeten niet alleen tientallen boeken lezen, maar ook de juiste keuzes maken. Elsbeth Etty heeft van 2002 tot 2006 in de AKO-jury gezeten. “Ik heb het altijd heel leuk gevonden, al was het heel erg intensief. Als je het goed wil doen, moet je behoorlijk veel lezen. Ik heb er veel tijd in gestoken. Ik probeerde zoveel mogelijk te lezen, meer dan nodig was. Zo kon ik ook oordelen over de boeken die door de andere juryleden waren beoordeeld. Dan kon ik mijn mening geven in een discussie, ik kon oordelen over het oordeel van een ander en dat zorgde soms voor beter inzicht.

“Een sociaal leven kon ik ieder geval wel vergeten. Maar dat is ook wel goed, om geen sociaal leven te hebben als jurylid. Dan drink je minder, zit je minder vaak in de kroeg en kun je ook niks verder vertellen over de boeken die je leest. Je mening laten doorschemeren aan buitenstaanders is natuurlijk uit den boze. Ik zat dus heel vaak thuis en zag maar weinig mensen.


“Hoe zeer ik er ook van heb genoten om als jurylid op te treden, ik heb het nominatiesysteem nooit chic gevonden. Het gaat om behoorlijk veel geld, om naamsbekendheid, om reputatie en of een schrijver doorbreekt of niet. Ik kan me voorstellen dat dat voor beginnende schrijvers enorm veel druk geeft. Natuurlijk is een nominatie eervol voor schrijvers, en hun genomineerde boeken krijgen er als het goed is een tweede leven door. Maar het pijnlijke is dat de schijnwerpers op de genomineerden worden gericht en er wordt gedaan alsof literatuur een wedstrijd is, terwijl de schrijvers niet met zo’n gedachte schrijven. Literatuur en competitie gaan in mijn ogen niet zo goed samen. Kritiek geven en analyseren moet natuurlijk kunnen, maar daar heb je recensies voor.”

Etty bewaart nog levendige herinneringen aan het debat over de winnaar van 2005, onder voorzitterschap van de inmiddels overleden Hans Dijkstal.

“We gingen met een busje naar Antwerpen, omdat er ook Belgische juryleden zijn, en deze keer was de vergadering in België. In de bus spraken we nooit over het komende juryberaad. We waren gewoon aan het praten en grappen aan het maken. Maar we wisten allemaal dat het tussen de boeken van Jan Siebelink en Tommy Wieringa zou gaan, Knielen op een bed violen en Joe Speedboot.

“Ik ging zelf die laatste vergadering in met het idee dat het me niet kon schelen wie de winnaar zou worden, als het maar een van die twee was. En het bleek dat alle juryleden zo dachten. Dus was het voor Dijkstal natuurlijk ook erg moeilijk om een winnaar te kiezen. We overwogen zelfs om Siebelink en Wieringa samen de prijs te geven, maar wisten niet of dat op grond van het juryreglement wel kon.


“Ondertussen ging het debat door, en kwamen we erop uit dat we toch één winnaar moesten aanwijzen. Dijkstal raakte er helemaal van in de stress. ‘Laten we positief doen. Iedereen houdt een pleidooi voor het beste boek,’ zei hij. Toen heeft het toch nog erg lang geduurd, terwijl het almaal spannender werd. Uiteindelijk heeft Dijkstal zijn stem dubbel laten gelden en twee keer voor Siebelink gekozen. Anders waren we er nooit uit gekomen.

“Ik vond die dag indrukwekkend vanwege de ernst en de harstocht waarmee we over boeken hebben gesproken. Iedereen wilde zo zuiver en eerlijk mogelijk argumenteren en oordelen, maar soms is het onmogelijk om uit twee – of meer – boeken het beste te kiezen.”

Een jurylid dat zich ook helemaal op zijn plek voelde bij de AKO Literatuurprijs is de Vlaamse literaire criticus en recensent Jos Borré. Hij was als een kind zo blij toen hij dozen met boeken thuis kreeg.

“Ik zat toen al volop in de Nederlandse literatuur. Het is een eer als ze je vragen als jurylid, maar je krijgt ook nog eens alle boeken die dat jaar zijn verschenen in grote dozen thuis geleverd. Ik moest alles lezen en dat heeft mijn leven ingrijpend veranderd. Op termijn was het bijna niet vol te houden, maar het was een belevenis. Ik heb daar zoveel goede herinneringen aan. Er is natuurlijk wel een selectiesysteem, en je hoeft niet ieder boek te lezen, maar het was voor mij één groot feest. Elk stukje vrije tijd besteed je aan lezen.

“Soms komen er nominaties bovendrijven waarvan de buitenwereld denkt: hoe kom je daar nou weer bij? Maar de juryleden geven elkaar hun enthousiasme door, praten tegen elkaar op, en zo krijgt de jury een interne dynamiek die een eigen koers gaat varen.


“Tegen het einde wordt de selectie steeds strenger en wordt het voor de jury almaar spannender en moeilijker. Ik herinner me een moment dat iemand bijna een veto uitsprak over het opnemen van een bepaald boek. Dan moet je uren blijven praten om tot overeenstemming te komen. Nu ik niet meer in een jury zit, vind ik sommige keuzes ook raar. Maar ik heb nooit spijt gehad van mijn keuzes als jurylid.

“Dit jaar zitten er weer erg mooie boeken bij. En als ik een gokje mag doen: een derde plaats voor Oscar van den Boogaard (Meer dan een minnaar), een tweede plaats voor David van Reybrouck (Congo – een geschiedenis) en een eerste plaats voor Tom Lanoye (Sprakeloos).”

Suna Floret