‘Internet doet me pijn’

Boris Veldhuijzen van Zanten behoort met zijn blog The Next Web tot de populairste bloggers ter wereld. Hij verdiende én verloor miljoenen aan zijn eigen internetbedrijven en is bovendien een graag geziene gast in programma’s als De Wereld Draait Door.

‘Ik heb mijn blog, The Next Web, en The Next Web Incubator, waarmee we investeren in nieuwe ideeën op het gebied van internet en conferenties organiseren. We zijn nu met acht man, maar we groeien zo snel dat we van de Vijzelstraat moeten verhuizen naar een groter kantoor. Als ik zeg dat mijn leven stevig op internet gebouwd is, overdrijf ik niet. Je zou dus denken dat ik er heel relaxed in sta, maar internet heeft me wel eerder diep geraakt. Op een niet-positieve manier, bedoel ik.

Voor mijn eerste bedrijf had ik een server in Tongo geplaatst – virtueel dan. Daardoor konden we domeinnamen als go.to, surf.to, move.to claimen. Dat bedrijf heb ik voor zo’n tien miljoen dollar aan het Amerikaanse internetbedrijf Fortunecity verkocht. Zoiets tilt je op. Dan verdwijn je in de wereld van de maatpakken, de zilverkleurige Jag, een huis van driehonderd vierkante meter, hartje Amsterdam. Twee jaar later stortte de beurs in en was ik alles kwijt. Ik durf wel te zeggen dat ik serieus in de war was. Jezus, hoe kan dat nou? Kan ik internet nou zó verkeerd begrepen hebben? Je begint toch aan jezelf te twijfelen. En veel mensen natuurlijk die zeiden: ‘Tja, had je je aandelen maar moeten verkopen.’ Maar ik was zo ontzettend optimistisch over internet, ik geloofde er heilig in – dat kon alleen maar indrukwekkender, allesomvattender worden. Toen al had het echt alles in zich om tot bloei te komen.

Maar goed, langzaam maar zeker kwam ik mijn bed gewoon niet meer uit. Bij mij in de straat woonde een man met net zo’n Jaguar als ik, en die kwam wél zijn bed uit. Dan hoorde ik ’s ochtends dat biep-biep van zijn automatische deurvergrendeling. Op een gegeven moment lag ik in bed, hoorde ik dat geluid en dacht ik: ik móet die auto weer terugverdienen. Ik ben toen begonnen met Hubhop, de eerste draadloze internetoperator van Nederland. Dat heb ik na een jaar voor meer dan een miljoen euro aan KPN verkocht. Het heet nu Hotspots.


Als ik terugkijk zeg ik: oké, ik heb geen verstand van aandelen, maar internet ken ik door en door. Maar er wordt weleens badinerend over gedaan. Zo kom je er aan een tafel vol vrienden nog steeds mee weg als je zegt: ‘Dat internet – ach ja, daar hou ik me niet zo mee bezig.’ Maar in mijn ogen is dat hetzelfde als je zegt: ‘Boeken? Ja, ik weet dat ze bestaan, maar lezen? Mwoa…’ Als je dát zou zeggen aan diezelfde tafel, pleeg je sociale zelfmoord.

Net zoiets als het nut van Twitter – dat ik nota bene aan een uitgever moet uitleggen dat dat wél wat is. Ik heb 12.000 volgers. Twaalfdúizend! Dat is echt serieus bereik. Stel dat je als boekverkoper dagelijks de kans krijgt om tegen een zaal met 500 mensen te praten. Dan spring je toch een gat in de lucht? Ik vind dus dat als je over Twitter praat van: ‘Ach ja, wat moet je daar nou eigenlijk mee?’ dan zit je met grote oogkleppen op in je comfort zone knettergek te wezen.

Internet is pas 21 jaar oud. Dat is nog erg jong. We hebben pas een fragmentje van de volle potentie gezien. En één ding is duidelijk: internet gaat de wereld verbeteren. Ik ben er honderd procent van overtuigd dat internet dat kan. Waarom? Omdat alle conflicten ontstaan bij gebrek aan communicatie en informatie. Hoe meer je van iemand weet, hoe moeilijker het wordt om diegene dood te schieten. En dankzij internet weten we steeds meer van elkaar. Mensen die daar nog steeds een ‘het zal wel’-houding bij hebben – dat doet me pijn. Ja, ik neem dat persoonlijk. Ik heb aan de wieg van internet gestaan en het is mijn kindje. En niemand hoort graag dat zijn kindje lelijk is, of iets niet kan.”


Volgende week: Keith Bakker.

Gijs De Swarte