Op zoek naar nuance

Met Congo – Een geschiedenis schreef David van Reybrouck een vuistdikke pil die de historie van de voormalige Belgische kolonie beschrijft. Hij interviewde honderden Congolezen om zijn verhaal een gezicht te geven. De prestigieuze Amerikaanse uitgeverij Harper Collins kaapte alvast de rechten weg. ‘Alles wat ik doe is een poging tot empathie.’

Schrijver David van Reybrouck (1971) zit in de blakende herfstzon op een Amsterdams terras en vertelt terloops dat hij in Congo bijna met een vliegtuig was gecrasht. “We hadden net een tussenlanding gemaakt om te tanken en zaten derhalve boordevol kerosine. Op het moment dat het eigenlijk droogseizoen diende te zijn in Congo, barstte er een enorm tropisch onweer los. De piloot moest de landing inzetten op een baan die uitkwam op een dorpje en een ravijn. Dat ging niet goed. Op het laatste moment wist hij het toestel het drassige gras naast de landingsbaan in te sturen. Anders waren we rechtdoor gegaan: dan waren de inwoners van het dorp gedood, waren wij het ravijn ingedoken en waarschijnlijk ontploft.” Hij grinnikt: “Alles mislukt in Congo, zelfs vliegtuigcrashes.”

Het was niet het enige gevaarlijke moment tijdens zijn reizen naar de voormalige kolonie. Van Reybrouck: “Ik was in het gebied van rebellenleider Laurent Nkunda en schreef een stuk voor de krant. Kindsoldaten, jochies van een jaar of dertien, hielden me in de gaten met een Tsjetsjeens geweer in de hand.”

Amsterdam is nu een van de vele stops sinds zijn boek Congo – Een geschiedenis in april uitkwam. Het boek is een gedetailleerde én genuanceerde historie van het Midden-Afrikaanse land, doorspekt met de levensverhalen van ‘gewone’ Congolezen.

Van Reybrouck zocht naar een goed boek over Congo en vond niet wat hij zocht. Op een avond, tijdens een cafébezoek, bedacht hij: dan doe ik het zelf. “Ik heb vaker boekideeën in het café,” zegt de Vlaming. “Maar alleen als het idee de volgende ochtend onder de douche nog steeds aanwezig is, dan wil dat zeggen dat ik iets beet heb.”


In 2003 volgde zijn eerste bezoek aan het land. “Dat was overweldigend. Ik had al gereisd door zuidelijk Afrika en daar mijn eerste boek De plaag over geschreven. Ik dacht dat ik wel wist hoe het zou zijn, maar het was onbeschrijflijk. Een echte mierenhoop: Kinshasa bestaat uit stoffige straten waarin het wemelt van Volkswagen-busjes. Mensen schreeuwen, je ziet honden met drie poten en langs de drukke weg staat dan plotseling iemand plantjes te verkopen. Dat soort ongerijmdheden.”

Meteen bij aankomst kwam hij de luchthaven niet af omdat hij een vaccinatie miste. “Er is al decennialang geen gele koorts meer in Congo gesignaleerd. Maar het salaris van zo’n beambte hangt toch van die controle af, dus is het belangrijk. Ik kon het enkel goedmaken met een ‘kleine bijdrage’ van zeventig dollar. Ik heb geleerd dat men ervan uitgaat dat zij de tijd hebben en jij het geld. Na verloop van tijd kon ik rustig drie uur lang onderhandelen over een boete van tien dollar, vooral als die onterecht was. Vaak draaide het erop uit dat die beambten toch mobiele nummers met me wilden uitwisselen en nieuwe vormen van verbroedering mogelijk bleken. Men vindt het zeer onaangenaam om verzuurd uiteen te gaan.”

De fascinatie voor Congo was al vroeg aanwezig bij Van Reybrouck. “Mijn vader heeft daar in de jaren zestig gezeten. Er was een soort présence africaine in het huis waarin ik ben opgegroeid: twee maskers, één tamtam en een hond die Mbwa heette, wat Swahili is voor hond.”

Jaren later reisde Van Reybrouck elf keer naar Congo, verzamelde hij kasten vol boeken over het land en interviewde hij naar eigen zeggen zo’n vijfhonderd Congolezen. Eenmaal terug in Brussel, waar hij zijn atelier in een oude fabriek heeft, schreef hij zijn boek in slechts twaalf maanden tijd.


Dankzij zijn reizen had hij inmiddels een goed beeld gekregen van het land vanaf de onafhankelijkheid in 1960 tot aan het heden. De research voor het prekoloniale hoofdstuk moest nog plaatsvinden toen hij begon aan het schrijven van het manuscript. Maar Van Reybrouck had nu eenmaal een startdatum in zijn hoofd waarop hij zou beginnen met het optekenen van het verhaal, zodat zijn boek nog in de winkel zou kunnen liggen vóór mei dit jaar, het vijftigjarig jubileum van de onafhankelijkheid van Congo.

Hij schrijft snel. “Doorgaans zo’n tweeduizend woorden per dag. Ik heb mezelf met dit boek overtroffen en op één dag zesduizend woorden geschreven.” Is dat ook meteen goed? “Ja, dat is een van de beste stukken in het boek geworden. Ik heb gewoon vóór het schrijven al veel mentaal werk verzet. Het is net als met het bespelen van een orgel: voor ik een noot heb aangeslagen, weet ik al welke registers er zijn uitgetrokken.”

Van Reybrouck bedacht zich vooraf dat hij binnen een jaar of vijf een boek van rond de twintig hoofdstukken zou schrijven. Bij vrienden vond hij een oude pastoriekast met twintig vakjes. Van Reybrouck: “Op elk van de deurtjes staat nog waar het voor gediend heeft: Breughelfeesten, Parochieblad. Ik heb er Post-its boven geplakt met ‘1921-1940’ – dat was dan mijn hoofdstuk.” Alle informatie over die tijd ging in dat vakje. “Mijn poetsvrouw thuis begrijpt niet waarom ze mijn poetsvrouw is, omdat ik erg ordentelijk ben. Zeker in mijn atelier, waar ze niet eens hoeft te komen.”

Maakte u makkelijk een keuze uit de vijfhonderd interviews?

“Je weet al op het moment zelf of een interview iets oplevert of niet. Ik wist al snel: dit worden sleutelinformanten, of deze zullen slechts zijdelings informatie aanleveren. Die persoon zal ik wel citeren en die ander niet. Kijk, de geschiedenis is onuitputtelijk. Er wonen zestig miljoen mensen in Congo. Ik kan zo nóg vijfhonderd mensen interviewen, en dan zou ik weer net andere dingen te weten kunnen komen.


“Ik had al veel gelezen en een aantal reizen door Congo gemaakt voordat ik gericht begon te vragen. Ik kon zo vrij snel iemands levensverhaal plaatsen. Ik begon meestal met zijn of haar leeftijd, en als je maar lang genoeg doorvraagt, kom je bij iedereen wel op het punt waarop de eigen levensgeschiedenis doorregen raakt met de nationale of de wereldgeschiedenis. Zelfs het leven van de allerarmste maniokverkoopster (maniok is een ander woord voor cassave – red.) kan iets vertellen over het grotere geheel.”

Voelde u zich toen u begon met uw interviews niet ‘de blanke afstammeling van de vroegere kolonisator die even wat komt vragen’?

“Ik was ervan uitgegaan dat men in Congo een hekel heeft aan anything Belgian. Welnu, het tegendeel bleek vaak het geval. Er bestaat daar nu zelfs een nostalgie naar de koloniale periode. Jonge mensen hebben uit de verhalen over die periode geleerd dat het een tijd was waarin de infrastructuur nog functioneerde. Eigenlijk zeer tragisch: de koloniale periode was een onhoudbare paradox. Eerdere generaties Congolezen hebben daar hard tegen gevochten, en dan zijn het de jonge mensen van wie de verwachtingshorizon niet meer in de toekomst ligt, maar in het verleden. Dat heeft tot gevolg dat je als Belg wel in bepaalde mate welkom bent. Men ervaart een soort familieband.”

Hoe pakte u een interview aan?

“Oudere Congolezen zullen proberen je meer naar de mond te spreken en je vooral die antwoorden te geven waarvan ze denken dat jij die graag zou willen horen. Een van mijn trucs was niet alleen te vragen naar wat mensen dachten in de jaren vijftig, maar ook naar hoe ze toen leefden: hoe zag hun huis er uit? Welke kleding droegen ze? Ik ben opgeleid als archeoloog, dus ik vind het ook interessant te vragen naar het eten dat ze aten. De herinnering aan spullen wordt minder snel aangepast dan de herinnering aan opvattingen. Ik denk dat de materiële cultuur van een bepaald tijdstip veel vertelt. Vandaar dat je in mijn boek ook aandacht ziet voor bijvoorbeeld de opkomst van de transistorradio. Mensen waren niet langer verplicht om te luisteren naar de radio van de koloniale overheid. Die luidsprekers hingen in de bomen, zodat mensen en plein public moesten luisteren. Zo kon de overheid controle houden over wat mensen te horen kregen. Plotseling waren daar transistorradio’s en kon je een Egyptische of Indische zender ontvangen die de Afrikaanse onafhankelijkheid bepleitte.”


Dat was in de aanloop naar de onafhankelijkheid, waarin ook de ‘évolués’ opkwamen: donkere mannen gingen zich gedragen als blanken, maar kregen bepaald niet dezelfde rechten. Eigenlijk een vorm van apartheid.

“Men noemde hen op een gegeven moment ‘sociale mulatten’. Een ongelofelijk goed woord, want ze waren inderdaad Congolese zwarten met een Europees stelsel van normen en waarden. Zij streefden er naar gelijkgeschakeld te worden met de blanke overheerser. Pas toen dat niet helemaal mogelijk bleek, is de onafhankelijkheidskoorts begonnen, gedreven door die frustratie. De elite was misnoegd over het feit dat ze steeds tegen het glazen plafond bleef aanbotsen en de massa raakte daarnaast gefrustreerd over het lot dat hun was beschoren. Het heeft lang geduurd tot die twee elkaar hebben gevonden. Pas in 1959, een jaar voor de onafhankelijkheid.”

Wat heeft u zelf het meest verbaasd?

“In België zijn maar twee episodes uit de Congolese geschiedenis doorgedrongen tot het brede publiek. Die van de wandaden ten tijde van Koning Leopold II (uitbuiting en mishandeling – red.) en die van de moord op Lumumba (de eerste premier van het onafhankelijke Congo – red.). Dat zijn twee periodes die losstaan van de koloniale tijd. Het Congo van Leopold II was nog geen kolonie van België, en de moord op Lumumba vond pas ná de onafhankelijkheid plaats. Wat me verbaasde is dat er zo veel kennis ontbrak over de eigenlijke koloniale periode van 1908 tot 1960. Ik heb veel aandacht besteed aan de twee wereldoorlogen en hun invloed op de situatie in Congo.

“Welnu, het blijkt dat de enige militaire overwinningen die België ooit geboekt heeft sinds 1830 (op de Hollanders – red.) zijn behaald door het Belgische koloniale leger, de zogenaamde force publique. Ze versloegen de Duitsers in wat nu Tanzania is en tijdens de Tweede Wereldoorlog de Italianen in Ethiopië. Congolese militairen en burgers hebben enorme inspanningen moeten leveren, terwijl het niet hun oorlogen waren.”


U laat graag de andere kant van de medaille zien. Ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley is in uw boek geen monsterlijke racist, maar iemand die moeilijke keuzes moest maken.

“Dat is de essentie van mijn werk. Alles wat ik doe is een poging tot empathie. Ik vind dat belangrijker dan vanuit het hedendaags perspectief te veroordelen wat er toen is gebeurd. Wat Stanley betreft ben ik zeer geholpen door een uiterst belangrijke biografie van Tim Jeal. Hij rehabiliteert Stanley niet, maar toont hoe hij functioneerde in zijn tijd en met welke dilemma’s hij moest leven. Dan wordt plotseling dat icoon van koloniale wreedheid ontleed tot iemand die in zeer complexe situaties zéér moeilijke beslissingen heeft moeten nemen.

“Ik denk dat wij aan een nieuwe fase toegekomen zijn in het schrijven over Centraal-Afrika en over de kolonisatie. Ik hoop dat met die biografie van Stanley en ook met mijn boek een nieuwe generatie geschiedschrijvers is wakker geschud. Je hebt eerst een tijd gehad waarin er werd teruggeblikt op Congo vanuit een soort koloniale trots. Daarna kwam er een fase met postkoloniale schaamte. Maar ook daarmee riskeer je dat de geschiedenis wordt opgedeeld in twee kampen: de goeden versus de slechten. De koloniale onderdanen zijn het slachtoffer geworden en zijn daarmee automatisch goed. De koloniale macht is het kwaad. Jeals boek over Stanley sprak mij zeer aan, omdat ik daar ook een soort verlangen naar nuancering in aantrof: niet opnieuw goedpraten, maar echt de drijfveren willen begrijpen.”

Hebt u veel van uw oorspronkelijke denkbeelden over Congo aan moeten passen?

“Ja. Ik doe bijvoorbeeld niet alleen maar jubelend over Patrice Lumumba, hoewel ik die al lang bewonderde. Hij is het slachtoffer geworden van een complot van Congolese, Amerikaanse en Belgische machthebbers die veel baat hadden bij zijn dood. Schandalig! Maar om van daaruit te gaan beweren dat Lumumba de grootste politicus van Afrika was, klopt volgens mij niet. Je moet kijken naar zijn feitelijke politieke handelen.


“Lumumba wordt terecht geprezen voor zijn rol tot aan de dekolonisatie en de onafhankelijkheid. Maar kijkend naar de paar maanden die hij aan de macht was, vind ik zijn politieke palmares bepaald niet indrukwekkend. Het leest als een opeenstapeling van blunders. Dat is een nuance die je dan inlast.”

Wat is de rol van Congo in de wereldgeschiedenis?

“De geschiedenis van Congo is niet die van een achterlijk land, maar wel degelijk wereldgeschiedenis. Ten eerste is Congo als land essentieel geweest in de vorming van de internationale gemeenschap zoals we die vandaag kennen. De Verenigde Naties is wat het is geworden door de ervaringen die men heeft opgedaan in Congo. In de jaren zestig was daar de eerste grote blauwhelmen-missie, en vandaag de dag vindt er de grootste en duurste operatie in de geschiedenis van de VN plaats.

“Congo is ook essentieel bij het opbouwen van ervaringen door het Internationaal Strafhof. De eerste internationale rechtspraak gaat over Congolese oorlogsmisdadigers.

“Wat er nu in Congo gebeurt, hoeft geen achterhoedegevecht te zijn. Het is misschien zelfs voorhoedeproblematiek. Je ziet in Oost-Congo wat overbevolking doet in een gebied zonder een regulerende staat.

“Congo heeft altijd onwaarschijnlijk veel grondstoffen tot zijn beschikking gehad: rubber, goud, diamant, uranium, kobalt, noem maar op. In de toekomst zal dat de reusachtige voorraad drinkwater worden. Congo is een soort kletsnatte spons in een continent dat vergaat van de dorst.

“Congolezen hadden al honderd keer schatrijk moeten zijn, maar de grondstoffen zijn altijd geregeerd door buitenstaanders. Als je een sterke staat hebt, bemiddelt die tussen de ondergrond en de opkoper. Die weet die grondstoffen te gelde te maken en bouwt met de opbrengst de staat op om iets voor zijn burgers te betekenen. Maar dat is in Congo gewoon niet vaak gebeurd.”


Heeft u reacties van Congolezen gekregen op uw werk?

“Tijdens een debat over mijn boek in De Balie vertelde een Congolees dat hij met tegenzin was begonnen met lezen. Gaandeweg kreeg hij vlinders in zijn buik en toen hij het uit had, heeft hij het aangeraden aan zijn Congolese vrienden. Hij zei: dit is het eerste boek dat ik heb gelezen over Congo dat het Congolees perspectief probeert te begrijpen en het eigen perspectief probeert te relativeren. Dat vond ik misschien wel het mooiste compliment dat ik tot nu toe gekregen heb: dat ik er in geslaagd ben om over de grenzen van de geschiedenis en huidskleur heen een dialoog tot stand te brengen.”

Wat Van Reybrouck betreft wordt Congo – Een geschiedenis eenmaal vertaald in het Frans óók in Congo uitgegeven. Op de Buchmesse in Frankfurt heeft hij al met twee geïnteresseerde uitgeverijen gesproken. Zijn boek zal sowieso in Amerika verschijnen, want de rechten zijn gekocht door de prestigieuze uitgeverij Harper Collins. “Voor… ontzettend veel geld!” zegt Van Reybrouck. “Ze boden zo ongeveer het tienvoudige van wat mijn uitgeverij De Bezige Bij billijk achtte, met het idee van: dan halen jullie het ook meteen van de markt en is het van ons.”

Uw methode slaat aan. Voelt u nu de behoefte om de geschiedenis van een ander land ook zo uitvoerig te onderzoeken?

“Absoluut niet. Ik heb nu totaal geen zin in non-fictie. Ik zal je wel zeggen: ik heb zevenhonderd bladzijden non-fictie geschreven. Ik vind dat ik nu wel even mag stoppen met dat genre. Ik mag zeer graag voor theater schrijven en ben nu een groot ensemblestuk aan het maken. Ik ben nog bezig met een dichtbundel en ik zit met een roman in mijn hoofd. Allemaal andere projecten. Ik ken geen andere logica dan mijn goesting.”


David van Reybrouck: Congo – Een geschiedenis. De Bezige Bij, € 24,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Ivo van Woerden