Harry was hier

“Het stenen bruidsbed gaat over een Amerikaan in Duitsland en het komt uit in Duitsland en Amerika. Ik denk dat ik maar een boek ga schrijven over een Rus in China, dan pik ik die landen ook meteen mee.”

(Haagse Post, 9 juli 1960)

“Nee, ik schrijf niet graag. Ik reken graag. Schrijven is een middel van bestaan. Maar als ik echt geld had willen verdienen, zou ik ongetwijfeld miljonair zijn geworden. Ik zou een geslaagd zakenman geweest kunnen zijn. Misschien een beetje louche, maar dat behoort tot het wezen van de zakenman.”

(De Tijd, 15 oktober 1969)

“Het is zelden voorgekomen dat ik van een vrouw iets leerde – ik heb wél van vrouwen geleerd hoe ze iets dóen, hoe ze zijn, hoe ze in de het leven staan, dat wel; maar niets geleerd van wat ze reflecterend, discursief daarover denken.

Ik ging vroeger uitgebreider naar bed met ze dan nu. Ja, god, nu wéét ik het wel – ja, ik verslond ze, gulzig type, het móest, ja, maar niet alleen van mij hoor, ook van die ander, wat dácht je.”

(Haagse Post, 1 november 1975)

“Ik vind het prachtig dat je op je 65ste, nadat je behangen bent met prijzen en ridderorden, toch nog omstreden bent. Daar ben ik trots op. Het is het mooiste wat ik me wensen kan. Nederlanders zien elkaar graag kruipen, en dan irriteert het natuurlijk als er één rechtop blijft staan. Ik blijf rechtop staan. Dat is het elfde gebod: gij zult niet kruipen.”

(HP/De Tijd, 14 mei 1993)

“Er is natuurlijk al een borstbeeld van me gemaakt. Dat staat in het Letterkundig Museum. Maar een standbeeld is natuurlijk iets anders, dan heb je het over van top tot teen. Laatst zag ik voor het eerst dat beeld van Multatuli. Ik vond het maar gek, alleen zo’n vervormde kop. Het leek me niks. Ik zou het graag klassieker willen. Statiger. Op een paard, bijvoorbeeld.”


(HP/De Tijd, 20 december 1996)

“Ik ben niet zo van houden van en liefde. Dat eindeloze gezeur: hou je van me? Dat is iets voor kinderen. Ik ben het eens met Nietzsche, die zei: de meeste huwelijken gaan niet kapot aan een gebrek aan liefde, maar aan een gebrek aan vriendschap. Je hebt ook mensen die de tijd ophemelen dat ze nog verliefd waren. Onzin! Verliefdheid is vreselijk. Dan ben je misselijk, onzeker en wantrouwig. Dat heb je bij vriendschap niet, dan vertrouw je elkaar.”

(HP/De Tijd, 17 juli 2002)

“Met honden en katten zit het zo. Als ik ergens alleen ben met een poes, dan ben ik nog steeds alleen. Als ik ergens ben met een tekkel, of een andere hond, ben ik niet alleen. En omdat een hond veel dichter bij je staat, hebben mensen de behoefte hem weg te drukken door hem een mythische of exotische naam te geven: Hector, of Zabella. Terwijl: een poes is al zo vreemd, die kun je rustig Kees, Gerard of Gerrit noemen.”

(HP/De Tijd, 11 augustus 2006)

“Amerikanen, Italianen, eigenlijk durft iedereen te bewonderen, behalve Nederlanders. Maar au fond kan het me natuurlijk geen bal schelen. Sommige schrijvers kunnen niet slapen van een slechte recensie. Terwijl ik zeker weet dat zo’n recensent veel liever dat boek van mij had geschreven dan zo’n afbrekende kritiek. Het vervelende is dat iedereen zo’n rotstukje na een week al is vergeten, behalve de man die het schreef en de persoon over wie het ging. Dus het brengt hen op een onaangename manier, bijna sado-achtige wijze bij elkaar.”

(HP/De Tijd, 27 juli 2007)

import in memoriam