Exit NHM

Je kon het, achteraf beschouwd, al zien aankomen, zoals wel vaker. Maar in dit geval kon dat eigenlijk ook al vooraf: de ondergang van het Nationaal Historisch Museum. Dat het het niet zou redden stond voor mij, vanaf het moment dat bekend werd dat het kabinet wild in de cultuur ging hakken, wel vast. Want waar het nu terecht is gekomen, met net genoeg miljoenen om nog even te overleven, riekt naar een sterfhuisconstructie – al in de Tweede Wereldoorlog werden in de Amsterdamse Zuiderkerk de hongerdoden afgelegd.

Dat einde valt niet los te zien van het begin. Het project heeft nooit lekker gelopen, er waren te veel strubbelingen tussen de directie en de politiek. En juist omdat het Museum zozeer het idee van de Tweede Kamer zelf was, was dat in dit geval crucialer dan anders: de weinig tactische wijze waarmee met haar wensen en gevoelens is omgesprongen, of het nu de exacte locatie, de inhoud of de opzet betrof. De publieke afgang in de zomer van 2009, waarbij de beide directeuren in de Kamer de oren werd gewassen en ze hardhandig gedwongen werden hun koers bij te stellen, sprak boekdelen. Ik verwachtte toen dat het hen de kop zou kosten, en het heeft mij eerlijk gezegd verbaasd dat zij op dat moment niet de eer aan zichzelf hielden.

Maar ook in historische vakkringen is de liefde voor dit museum, dat daar aanvankelijk op redelijk brede welwillendheid mocht rekenen, gaandeweg bekoeld.

Dat geldt ook voor mij. Ik stond er indertijd positief tegenover – zij het niet vanwege de politiek-ideologische motieven van een deel van de voorstanders die voortvloeiden uit dat navelstaarderige zoeken naar een rotsvaste nationale identiteit, dat dit land sinds de eeuwwisseling in een geestelijke houdgreep houdt. Eigenlijk juist vanwege het tegendeel: ik verwachtte dat een NHM, indien door professionele historici opgezet, die nationale identiteit onvermijdelijk zou gaan relativeren doordat zij, even onvermijdelijk, de geschiedenis van alle nieuwkomers zou laten zien die dit land vanaf de oertijd met hun aanwezigheid verrijkt hebben – van de hunebedbouwers via de Batavieren, Romeinen, Franken, Hugenoten, Portugese joden tot de Molukkers en Marokkanen.


Door de bestaande historische kennislacunes te vullen zou zo’n NHM namelijk vergelijkenderwijs duidelijk maken hoezeer Nederland vanouds in de wijde wereld voorbij Venlo is ingebed, ten goede en ten kwade: met de Acte van Verlatinghe naast de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, de nazi-massamoord in Putten naast ons eigen koloniale equivalent in Rawagede.

Wat dát betreft had ik overigens in beide museumdirecteuren het volste vertrouwen: het risico op chauvinistische op-de-borst-klopperij was bij hen gelukkig gering. Maar het moest dan ook inderdaad wel een museum worden – en daar wrong steeds meer de schoen. En ik denk niet alleen voor mij. Ook in de Tweede Kamer steeg de onrust: dit was niet het troetelkind dat was besteld. Nog afgezien van de gekozen locatie op die Arnhemse heuvel tussen de olifanten en de molens, die ook al te veel weg had van een politieke noodoplossing, omdat het CDA het NHM niet aan Amsterdam, en de PvdA het niet aan Den Haag wou gunnen.

Beide directeuren waren te veel bezig met de vorm en te weinig met de inhoud. Het moest vooral flitsend worden, multimediaal, de bezoeker moest de geschiedenis zelf gaan beleven, met veel interactief gebeuren – hoe is het om à la Van Oldenbarnevelt onthoofd te worden – en met bijbehorende moderne gadgets. Een eigen gebouw met voorwerpen (‘schilderijtjes aan de muur’), met een vaste collectie: dat was ouderwets. Zij wilden ‘overal’ in het land aanwezig zijn, als een reizend circus, en vaak puur virtueel. Hun aanpak straalde zo onvermijdelijk uit dat een duurzaam museumgebouw eigenlijk niet strict noodzakelijk was – wel, dat zijn ze dan ook kwijt.

Ooit heb ik, in het kader van de Boekenweek van 2005 die aan de Nederlandse geschiedenis was gewijd, in veertien dagen tijd als een soort gimmick een boekje geschreven, waarin ik heel concreet in een bestek van tachtig pagina’s aangaf hoe en met welke voorwerpen je zo’n museum zou kunnen inrichten. In alle onbescheidenheid: het is tot nu toe het enige concrete plan waarvan de buitenwacht kennis heeft kunnen nemen.


Het feit dat bij het échte museum, ondanks een staf van dertig man, na twee jaar werken voor die buitenwacht nog steeds niet echt duidelijk was geworden wat het NHM in Arnhem feitelijk zou gaan inhouden, heeft er ongetwijfeld aan bijgedragen dat het vorige week roemloos is gesneuveld.

import thomas von der dunk