George W. Bush houdt koers

Hij vond dat hij in zijn jonge jaren maar weinig presteerde, schrijft George W. Bush. Maar zat het tegen, dan stond hij zijn mannetje. Zijn autobiografie geeft een mooi inkijkje in wat zich rond 11/9 en daarna afspeelde in de hoogste politieke regionen van de VS.

Het presidentschap van George W. Bush kreeg richting op 11/9, de dag dat Amerika op klaarlichte dag door de vliegtuigkapers van Al-Qaida werd aangevallen. De hoofdpersoon heeft dan in zijn memoires al 136 bladzijden over zijn leven verteld, waaraan je niet alleen het idee overhoudt dat het met ‘Dubya’ alle kanten had kunnen opgaan en dat hij alleen door een speling van het lot president is geworden (wat ook zo is: denk aan de verkiezingssoap in Florida), maar ook dat zijn critici gelijk hadden door hem als een minkukel te zien. Bush schrijft dat hij bij zijn eerste (mislukte) poging om in 1977 voor het district Midland in Texas tot Congreslid te worden gekozen, de fout maakte dat hij zich door zijn tegenstanders liet definiëren. Je kunt je afvragen of dat ooit anders is geweest. Maar hij putte daar later wel kracht uit. George W. Bush behoort tot het zeldzame slag politici dat door harde en op de persoon gerichte aanvallen op koers wordt gezet. Wat dat betreft had Osama bin Laden geen slechtere tegenstander kunnen treffen. George W. Bush is een vechter, maar wel eentje die terugvecht nadat hij zich eerst in de nesten heeft gewerkt.

Dat presidentschap van Bush lag helemaal niet zo voor de hand, want uit zijn vroege jaren rijst het beeld op van een slappeling die een makkelijk leventje leidde, aan de drank was en niet goed wist wat hij met het leven moest aanvangen. Een rijkeluiszoontje waarmee je best plezier kon hebben, maar die nooit uit de schaduw van zijn familie zou komen. Zoals Bush dat zelf beschrijft in zijn Decision Points (Cruciale Beslissingen) komt dat merkwaardig overeen met de nogal vlakke film W. die Oliver Stone over hem heeft gemaakt. Daarin kijkt zoon George W. voortdurend op tegen de door hem bewonderde vader George H.W. Bush, die in 1992 ondanks een heroïsche staat van dienst als gevechtspiloot in de Tweede Wereldoorlog en winnaar van de Golfoorlog volkomen ten onrechte het presidentschap verliest aan de snotneus Bill Clinton (die zelfs een maand jonger is dan ‘Dubya’). De échte held in W. is zijn vrouw Laura, een bibliothecaresse die hem van de drank afbrengt en tot ernst aanspoort.


Het is exact zoals Bush het zelf ziet. Zijn besluit om Laura te huwen was het beste dat hij in zijn leven heeft genomen en er zullen weinig presidenten zijn die zo laatdunkend – op het hilarische af – over hun prestaties uit hun jonge jaren doen. Het waren zijn liefhebbende ouders die hem met hun geld en invloedrijke netwerken van dienst waren en de hand boven het hoofd hielden. Ook in eigen ogen was George W. dolend en werd hij door schijnbaar slimmere jongens op zijn nummer gezet. Hij voelde zich meer thuis in de simpele wereld van Texas dan aan de Amerikaanse Oostkust, waar de familie Bush oorspronkelijk vandaan komt. Dat voorkwam overigens niet dat ‘Dubya’ studies op het prestigieuze Yale en een businessopleiding op Harvard heeft afgemaakt. Zo dom was hij nu ook weer niet. Ergens beschrijft hij zichzelf als ‘afgestudeerd historicus’ en fervent lezer van biografieën (van grote presidenten, en ook Napoleon en Churchill ontbreken niet). Met spindoctor Karl Rove, met zijn hoge voorhoofd letterlijk een egghead, hield Bush in het Witte Huis wedstrijden wie de meeste boeken verslond (de president verloor).

Dat suggereert een Bush die over meerdere lagen beschikte en slimmer was dan hij zich voordeed. Dat laatste kan best – ‘Dubya’ gold als behendig en sociaal begaafd politicus die alle trucs beheerste, maar het is weinig zinvol om bij hem op zoek te gaan naar duistere diepten die een schurkachtig president als Richard Nixon wél had. De geslepen Nixon kwam uit een laag milieu, vocht permanent tegen miskenning en was machtspoliticus pur sang. Als gezworen anticommunist bereikte hij een toenadering tot de communistische wereld waarbij de Sovjet-Unie en China tegen elkaar werden uitgespeeld, een historische prestatie die door zijn aftreden vanwege Watergate is overschaduwd.


Hoewel Bush ook conservatief en Republikein is, zit hij anders in elkaar. Hij kwam uit een bevoorrecht milieu, had eerder te weinig ambitie dan te veel en rommelde lange tijd maar wat aan. Hij is president geworden omdat het vaag begon te kriebelen, en overtrof uiteindelijk zijn vader door wél voor een tweede termijn gekozen te worden (een element dat in de film W. van Oliver Stone, die als linkse complotdenker beter uit de voeten kan met sinistere karakters als Nixon, ontbrak).

De hechtheid van de familiebanden die Bush beschrijft, maken een bijna kinderlijke indruk, alsof George nooit op eigen benen heeft leren staan. Dat klinkt weinig Amerikaans. Maar de sentimenten zijn wel heel Amerikaans en doen denken aan familiefilms uit de jaren vijftig. De hoofdrolspeler heeft daarin een ontwikkeling doorgemaakt: van een goeie jongen die op drift dreigde te raken, naar een dankzij Laura en hernieuwd contact met de Heer deugdzame huisvader die graag ziet dat zijn ouders trots op hem zijn. Dat is het beeld dat Bush zelf schetst, en ik denk dat we daar niks anders achter moeten zoeken. Iedereen die denkt dat hij een machtsbelust cynicus was die als president niet terugschrok voor leugens en bedrog om een oorlog te kunnen beginnen, miskent die fundamentele braafheid.

Eenmaal in het Witte Huis was George W. Bush een man uit één stuk, omdat hij zijn missie – opkomen voor vrijheid en democratie in een strijd tegen terrorisme en tirannie – dankzij 11/9 had gevonden. En het was zijn deugdzaamheid die hem voor critici zo onuitstaanbaar maakte.

In zijn swingende anti-Bush-film Fahrenheit 9/11 is de president door Michael Moore genadeloos neergezet als een onnozelaar die op het moment dat hij op een school in Florida te horen krijgt dat Amerika wordt aangevallen, doorgaat met verhaaltjes vertellen aan kleine kinderen. Het is een beeld dat beklijft. Maar ook bij Moore is Bush geen slechterik – eerder een marionet die naar de pijpen danst van de wapenindustrie en de oliesjeiks waarmee zijn familiekliek zo goed is bevriend. Bush zelf ziet zijn optreden voor de klas in Florida als een teken van beheersing; hij wilde laten zien dat hij niet in paniek was. Maar de rest van de dag vliegt hij machteloos rond in Airforce One, omdat zijn staf terugkeer naar Washington te gevaarlijk vindt. De satelliettelevisie in het vliegtuig werkt zo slecht dat hij niet eens beelden heeft van wat zich in New York en Washington afspeelt. De rest van de wereld ziet op dat moment meer dan de president van Amerika.


Toch behoren de passages over 11/9 en de dagen en weken erna tot de sterkste van het boek. Bush is geen pakkend verteller, maar de gebeurtenissen spreken voor zich en grijpen nu misschien nog meer aan dan op het moment zelf, toen de shock – en dus de verdoving – nog te groot was. Mij vergaat het althans zo, en ik denk dat ik daarin niet de enige ben. Mensen die beweren dat 11/9 een gewone aanslag was, alleen wat groter, begrijpen niet waarover ze het hebben. Vooral de chaos en onzekerheid blijven je bij. Donald Rumsfeld, de minister van Defensie, blijkt onbereikbaar omdat hij bij het Pentagon meehelpt bij reddingswerkzaamheden. Niemand weet of er nog meer aanslagen zullen volgen. Er is een botulinetoxine-alarm en er zijn geruchten over antraxbrieven waarachter de hand van Saddam Hoessein wordt vermoed.

Dat gaat weken zo door. Weliswaar is snel duidelijk dat Al-Qaida achter de aanslagen zit en binnen een maand stormen de eerste Amerikanen Afghanistan in. Maar ook de dreiging van Irak, dat in het verleden over gifwapens beschikte en die ook daadwerkelijk inzette, wordt in een nieuw urgent licht gezien. Tony Blair zegt op 11/9 meteen zijn steun toe, net als Gerhard Schröder en Jacques Chirac. De eerste die zich laat horen is Vladimir Poetin, die aan Condi Rice (er was geen hotline op de school in Florida) meldt dat de aanval niet uit Rusland afkomstig is. Hij laat weten dat zijn land niet zal reageren op de hoogste alarmfase die voor het eerst sinds de Yom Kippoeroorlog in 1973 door Amerika in werking is gesteld. George Tenet, directeur van de CIA, waarschuwt voor aanslagen op 30 en 31 oktober die de aanslagen van 11/9 zouden doen verbleken.


Vrijwel alles dat Bush vertelt, is al bekend, maar het kan geen kwaad om het gevoel van paranoia dat toen maar al te reëel was nog eens terug te lezen. Alleen Paul Wolfowitz, onderminister van Defensie, vond het toen het overwegen waard om naast Afghanistan ook meteen tegen Irak op te trekken. Dick Cheney, de vicepresident die vaak als kwade genius achter Bush is gezien, vond het daarvoor te vroeg, net als Rumsfeld. Irak kwam later – eerst moest er met de Taliban en natuurlijk Al-Qaida in Afghanistan worden afgerekend. Bush ontkent dat Osama bin Laden bijna was gepakt en begrijpt niet hoe mensen nu kunnen denken dat de Amerikanen hem opzettelijk hebben laten lopen.

Bush’ lezing over het voorspel tot de inval in Irak, waarmee zijn presidentschap verbonden zal blijven, bevat evenmin weinig nieuws. Begin 2002 meende hij van de steun van bondskanselier Schröder verzekerd te zijn, maar dat veranderde die zomer, toen Schröder voor zijn herverkiezing vocht. Ernstig beledigd was Bush door een vergelijking met Hitler die door de Duitse minister van Justitie werd gemaakt. Tussen Bush en de Duitse regering zou het pas na drie jaar weer goed komen toen Angela Merkel (‘mijn beste vriendin op het wereldtoneel’) kanselier werd. Aan Chirac maakt Bush weinig woorden vuil; daar was hij het nooit mee eens en hij deelt de kritiek van Rumsfeld over Old Europe. Jan Peter Balkenende wordt éénmaal genoemd, in een rij van bondgenoten die overtuigd was van het gevaar van Irak. Over het afhaken van de Turken is hij teleurgesteld, en hij wijt de puinhoop in Bagdad na de val van Saddam aan het feit dat Amerikaanse troepen moesten optrekken naar Noord-Irak.


Bush vertelt dat hij uit eigen beweging tot de conclusie was gekomen dat een VN-route nuttig was om Saddam via wapeninspecties tot openheid van zaken te dwingen. Ook Colin Powell, die liever met meer troepen Irak was binnengevallen, drong aan op de VN-route en zette een maand voor de inval in de Veiligheidsraad de zaak tegen Saddam uiteen met informatie die naderhand niet bleek te kloppen. Bush was sceptisch over een tweede VN-resolutie, die volgens hem niet nodig was om tot gewapend ingrijpen te komen. Omdat Blair dat wilde, is het geprobeerd, maar toen duidelijk werd dat die resolutie het niet zou halen, is het voorstel teruggenomen. Bush was aanvankelijk opgelucht dat er geen massavernietigingswapens waren ingezet, maar raakte gefrustreerd toen die niet werden gevonden. Bush staat nog steeds achter de inval, maar ziet achteraf twee fouten. Er werd te snel tot troepen-reductie besloten uit angst om als bezetter te worden gezien, en vanwege het falen van de inlichtingendiensten rond de massavernietigingswapens liep de Amerikaanse geloofwaardigheid een enorme klap op.

Het verhinderde niet dat Bush in 2004 als president werd herkozen. In het Midden-Oosten leek dat even tot verbetering te leiden. Libië gaf zijn nucleaire ambities op en Syrië moest zich uit Libanon terugtrekken na de ‘cedarrevolutie’. Maar in Irak ging het van kwaad tot erger en eind 2006 besloot Bush tot een laatste krachtsinspanning, waar zijn tegenstanders en veel experts alleen nog aan de aftocht dachten. Met deze surge werd een directe Amerikaanse nederlaag afgewend, ongetwijfeld het belangrijkste wapenfeit uit de tweede termijn van Bush, die verder met de orkaan Katrina en de kredietcrisis alleen rampen bracht. In het geval van Katrina heeft Bush enige zelfkritiek, omdat hij de indruk heeft laten ontstaan niet doortastend te zijn opgetreden. Door de ineenstorting van Wall Street werd hij volkomen overvallen.


Opvallend is zijn beoordeling van de zomeroorlog in Libanon, waar hij hoopte dat Israël de kans zou grijpen om een stevige klap aan Hezbollah en zijn sponsors Iran en Syrië toe te brengen. Daar kwam niks van terecht omdat premier Ehud Olmert – een bewonderaar van Ariel Sharon als standvastig bestrijder van het Palestijnse terrorisme – volgens Bush een vergissing beging door Syrië niet tot doelwit te willen maken. Het Israëlische leger verschoot zijn kruit. Het werd nog erger toen de Israëlische luchtmacht na een bombardement op een Libanees appartementencomplex te veel burgerslachtoffers maakte. Het vertrouwen van Bush in de militaire capaciteiten van Israël werd pas hersteld na het uitschakelen van een nucleaire installatie in Syrië in september 2007. Openhartige taal, zeker als bedacht wordt dat vader Bush helemaal niet zo voor het aanmoedigen van Israël was en altijd in de verdenking stond zijn oliecontacten – waarmee hij fortuin had gemaakt – belangrijker te vinden. Wat het Heilige Land aangaat was zoon Bush his own man, al zullen velen hier de hand van (Joodse) neocons vermoeden – of die van God, want de zoon die Jezus de filosoof noemde waardoor hij het meest was geïnspireerd, was aanzienlijk geloviger dan zijn vader.

Over zijn opvolger Barack Obama is Bush uiterst hoffelijk, over zijn eigen betekenis laat hij zich niet uit. Dat moeten toekomstige historici bepalen. Over vader Bush bestaat consensus: een rustige president, die met diplomatiek vernuft het bloksysteem van de Koude Oorlog hielp ontmantelen. Over zoon Bush zijn we nog lang niet uitgepraat. Zeker is dat hij met het afkondigen van de oorlog tegen het terrorisme aan de basis stond van een nieuw en nog niet afgesloten tijdperk. Anders dan vader Bush, die oogstte waar zijn voorganger Ronald Reagan had gezaaid, heeft zoon Bush met zijn vrijheidsmissie nog geen wonderen verricht. Maar niemand kan zeggen dat zijn even omstreden als koersvaste presidentschap geen diepe historische sporen heeft nagelaten.


George W. Bush: ‘Cruciale Beslissingen’. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2010. Oorspronkelijke titel: ‘Decision Points’. Crown Publishers, New York, 2010. Uit het Engels vertaald door Miesbeth van Horn, Marja de Bruijn en Frans van Delft.

Dirk-Jan van Baar