‘Ik heb zelf ook een radicale fase doorgemaakt’

In ‘Mijn Hollandse droom’ vertelt PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch (1969) hoe hij zich als zoon van een Marokkaanse gastarbeider opwerkte. Over de toekomst van de multiculturele samenleving is hij optimistisch. ‘Ik weiger me te laten aanpraten dat Nederland een haatdragend land is.’

De kloof tussen allochtoon en autochtoon lijkt steeds dieper te worden, maar u bent optimistisch gestemd. Dat moet u echt even uit leggen.

“Ik kan niet anders dan optimistisch zijn over Nederland. Ik kwam hier op tienjarige leeftijd als zoon van een gastarbeider. Ik sprak geen woord Nederlands. Ik ben geen wonderkind en ik heb keihard moeten werken om mijn achterstand in te halen. Maar ondanks alle obstakels heb ik mezelf kunnen ontwikkelen. Dat kan dus in Nederland. Je kunt als Marokkaan met een moslimidentiteit iets van je leven maken. Ik heb het gedaan en velen met mij.”

Maar ook velen niet.

“Die vormen een minderheid, een gróte minderheid. Maar onder degenen die het niet is gelukt iets van hun leven te maken, bevinden zich niet alleen allochtonen. Het zijn de mensen in de buurten met zwakke scholen, waar welzijnswerkers alles voor de bewoners regelen in plaats van hen te stimuleren in actie te komen, waar politieagenten geen boeven vangen en waar woningcorporaties hun huizenvoorraad verwaarlozen. Dat is de echte clash in Nederland: tussen de degenen die het goed hebben en de mensen uit de probleemwijken. Vanwege die problematiek zijn mensen PVV gaan stemmen. En daarbij was het eigenlijk al voldoende dat de PVV niet de gevestigde orde is.”

Waarom is het de PvdA nooit gelukt een goed antwoord te formuleren op de PVV?

“Ik zie het als een compliment dat dat alleen de PvdA wordt verweten. Alsof het alleen onze verantwoordelijkheid is om een antwoord te hebben op het probleem van de integratie. Dat is toch een zaak van alle partijen? Maar goed, het is een terecht verwijt en ik wil de PvdA niet vrijpleiten. Ik denk dat de kern van het probleem is dat het verheffingsideaal van de PvdA te ver is doorgeschoten. Dat er een welvaartstaat is ontstaan die tegen mensen zegt ‘ik regel het wel even voor je’ in plaats van ‘ik stel je in staat om de architect van je eigen leven te worden’.”


U schrijft dat welzijnsorganisaties er big business van hebben gemaakt om mensen afhankelijk te maken. Wat een rechts geluid voor een PvdA’er.

“Sociale zekerheid is een grote verworvenheid, maar het kan geen alternatief zijn voor werk. Ik vind dat je tegen iemand die zonder werk zit en gezond is moet zeggen: doe wat terug voor je bijstand. Ik vind dat je van werklozen mag eisen dat ze vrijwilligerswerk doen. Ga aan de slag bij het beheren van je buurt, bij het leefbaar maken van je woonomgeving of als conciërge in een school.”

Denkt u dat dat in de praktijk te verwezenlijken is?

“Waarom niet? Wat heeft het voor die mensen voor zin om thuis te gaan zitten wachten tot het werk naar ze toe komt? Met wachten bereik je niks. Ik heb, toen ik in nog in Slotervaart werkte, vaak Marokkaanse jongens tegenover me gehad die totaal onderuitgezakt op een stoel zaten en zeiden: ‘Jij moet een baan voor me regelen, Ahmed.’ Dan zei ik: ‘Waarom moet ik dat voor je regelen? Jij hoort op school te zitten! Jij hoort zinnige dingen te doen in je vrije tijd! Jij bent verantwoordelijk voor je eigen leven, jij moet zelf je best doen om er iets van te maken.’

“Ik vind dat je je als professional paternalistisch moet durven opstellen. Maar dat zijn we in Nederland niet gewend, hè? Neem bijvoorbeeld migrantenvrouwen die niet buiten komen. Hun man wordt dan als boosdoener gezien, maar de vrouw is vaak al zo gevormd dat ze niets durft te ondernemen. Ik heb het met mijn eigen vrouw gemerkt. Als dorpsvrouw uit het Rifgebergte had ze geleerd: je gaat niet naar buiten en je doet geen boodschappen. Ik moest haar dwingen dingen buitenshuis te ondernemen. Eén keer heb ik zelfs een paar dagen geen brood in huis gehad omdat ik wilde dat ze dat zélf ging halen. Maar het gebeurde niet.


“Nederlanders vinden dat mensen zelf moeten bepalen wat ze willen. Maar moet je over deze traditionele vrouwen zeggen: ze willen niet, dus ze hoeven niet? Ik vind dat je hen moet aanspreken – jíj hoort een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Het hoort niet dat je afhankelijk bent van iemand om naar de dokter te gaan. Je hoort zelfstandig in het leven te staan. Je moet mensen aanspreken op hun verantwoordelijkheid, en daarin zie ik een belangrijke rol voor bestuurders en professionals. Dat ze ronduit zeggen: ‘Ik zie dat je een djellaba draagt, maar zo ga je dus niet door een sollicitatie komen.'”

Met die opstelling heeft u zich niet bepaald populair gemaakt onder uw achterban. Toen u nog de ‘sheriff van Slotervaart’ was, scholden uw eigen mensen u uit voor knuffelmarokkaan en ongelovige.

“Dat raakte me wel, ja. Het is onprettig om onheus bejegend te worden. Maar ik ben overtuigd van wat ik doe. Toen ik in 2006 de criminaliteit van Marokkaanse jongens aan de orde stelde, was ik de grote verrader. Twee jaar later hadden de wijkbewoners mijn vocabulaire overgenomen. Met slachtofferschap komen we geen stap verder en het ontkennen van het probleem is eveneens niet de oplossing. Natuurlijk, criminaliteit heeft een diepere oorzaak, maar het begint wel doordat er geen norm wordt gesteld.”

U schrijft dat het voor u vaak een eenzaam avontuur is geweest. Bent u een eenzaam mens?

“Zo zie ik mezelf niet. Maar het is lang niet altijd makkelijk geweest. Ik heb belangrijke jaren in mijn jeugd zonder ouders doorgebracht. Mijn moeder stierf toen ik heel jong was en mijn vader was in Nederland. Ik ben op zeer jonge leeftijd volwassen geworden. Nadat ik één jaar in Nederland op de basisschool had gezeten, vond mijn vader dat ik zijn belastingaangifte wel kon invullen. Hij was boos en teleurgesteld dat ik geen idee had wat ik daarmee aan moest.


“Ik deed alles op de eerste dag. De eerste dag dat ik zestien werd ben ik gaan werken, als schoonmaker. De eerste dag dat ik achttien werd heb ik de Nederlandse nationaliteit aangevraagd, via een brief aan de koningin.

“Ik heb me lang een vreemde eend in de bijt gevoeld. Bij mij thuis was weinig begrip voor waar ik mee bezig was. Toen ik bijvoorbeeld de verpleging in ging, konden ze zich daar niets bij voorstellen. Het was voor mezelf trouwens ook moeilijk. Ik was er te verlegen voor. Ik voelde me erg opgelaten als ik naakte oude mensen met twee kommetjes water moest wassen.”

U bent in Marokko nooit aangegeven bij de burgerlijke stand. U kreeg de geboortepapieren van uw overleden broer, die ook Ahmed heette en drie jaar vóór u was geboren. In uw boek schrijft u dat u zich daarom weleens heeft afgevraagd of u eigenlijk wel bestond. Is dat waarom u zich zo wilt waarmaken?

“Tijdens mijn puberteit heb ik me inderdaad afgevraagd wie ik eigenlijk was. Ik heb een tijdlang gedacht: ik besta niet. Maar op een gegeven moment durfde ik wel aan mensen te vertellen hoe het zat met mijn geboortepapieren. Ik ben nooit aangegeven bij de burgerlijke stand, simpelweg omdat mijn vader er niet was. Het echte probleem was niet dat ik me afvroeg of ik wel bestond, maar dat ik mijn jeugd lang drie jaar jonger was dan de mensen dachten, en dus altijd drie jaar harder moest lopen. Ik zat op mijn elfde al op de LTS. Toen ik twaalf was, had ik al een krantenwijk – waarvoor je vijftien moest zijn. Het is allesbehalve een romantisch verhaal geweest.”


In uw boek zegt u dat allochtonen en autochtonen vaker bij elkaar over de vloer moeten komen. Is dat niet een beetje naïef?

“Nee, waarom? Het probleem is dat mensen het tegenwoordig zo druk hebben dat ze daar niet meer aan toekomen.”

Het probleem is volgens mij niet dat mensen het te druk hebben, maar dat ze elkaar wantrouwen.

“Maar toch gebeurt het her en der wel degelijk, contacten tussen allochtonen en autochtonen. Op het schoolplein, tussen collega’s, bij buren. Ik heb het niet over liefdadigheid, maar over vriendschap. Dat moet van de natuurlijke ontmoetingen komen; je hoeft van mij geen iftar-maaltijd te organiseren. Maar ik vind wel dat mensen moeten worden aangemoedigd om zich in te spannen voor contacten en dat je er als burger wat van kunt zeggen als mensen geen allochtonen in hun vriendenkring hebben.”

U stelt het wel heel makkelijk voor.

“Waarom niet? Er zijn ook veel mensen in Nederland die géén PVV stemmen. En als ik met PVV-stemmers en -politici praat, merk ik dat die lang niet allemaal haatdragend zijn als het om allochtonen gaat. Ik weiger me te laten aanpraten dat Nederland een haatdragend land is en dat die anderhalf miljoen PVV-stemmers mensenhaters zijn. Ze maken zich vooral zorgen over criminaliteit en overlast. En dat ís ook een drama. Maar het grootste drama is dat de instituties in die probleemwijken niet functioneren. Als je zorgt dat die goed functioneren en dat bewoners worden betrokken, ben je goed op weg. Maar bewoners betrek je niet door middel van een barbecue. Je moet allereerst de orde herstellen en de weg naar criminaliteit blokkeren.”


In uw boek zegt u dat we radicaliserende jongeren niet moeten criminaliseren omdat hun bedoelingen niet slecht zijn. Pardon…?

“Ik heb het niet over de geweldplegers, maar over de jongens die allerlei dingen roepen vanuit een drang te reageren op onrecht. Je moet dat niet bagatelliseren, maar ook niet criminaliseren. Criminaliseren betekent dat je ze van je afduwt in de richting van degenen die ze heel graag willen ontvangen, de gewelddadige jihadisten. Dat moet je dus niet hebben.

“De oplossing is de confrontatie aangaan. Je moet die jongens begeleiden in hun ontwikkeling en er heel helder over zijn dat over geweld niet te onderhandelen valt. We moeten ze leren twijfelen en kritisch te denken, zodat ze weten dat absolute waarheden niet bestaan. Een vak als filosofie op school zou daar heel goed bij kunnen helpen. Maar scholen willen het liever niet over radicaliserende jongeren hebben.

“De angsten die Wilders verspreidt, zijn voor een deel terecht: er zijn mensen die Nederland proberen te islamiseren. Maar de werkelijkheid is dat de meeste moslims juist de moderniteit omarmen in plaats van die te bestrijden. Het is belangrijk dat we coalities met deze mensen sluiten om samen een vuist te maken. Want door weg te kijken, laat je het over aan de salafisten en nieuwe extremistische stromingen.

“Ik heb zelf als jongeman ook een radicale fase doorgemaakt, een periode dat ik de wereld wilde verbeteren volgens een islamitische visie. Als iemand mij toen had gezegd dat ik het ooit voor homo’s zou opnemen, had ik dat niet geloofd. Maar ik kreeg de juiste impulsen en heb geleerd dat je heel goed een Marokkaans-Nederlandse moslim kunt zijn én democraat.”


U gaat nu zelfs zo ver dat u tegen moslims zegt: zet nou niet die minaret op je moskee.

“Ik vind dat je empathisch moet omgaan met je rechten. Ik ben er geen voorstander van dat moslims kerken overnemen en er moskeeën van maken. Ze hebben het recht, maar je hebt ook rekening te houden met de gevoelens van mensen. Je kunt niet met elkaar samenleven als je je spastisch vastklampt aan je rechten. We moeten ons ook kunnen verplaatsen in de ander.”

De oorspronkelijke ondertitel van uw boek was Van krantenjongen tot kamerlid. Leuk was misschien ook geweest Van sheriff tot salonfähig.

“Nee, nee. Ik blijf de sheriff.”

Ahmed Marcouch: Mijn Hollandse droom. Contact, €17,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Renate van der Zee