Oh oh Oostvaardersplassen

Aan boord van een terreinwagen scheuren we door het unieke natuurreservaat tussen Almere en Lelystad. Hier valt nog volop te genieten van kuddes wilde paarden, runderen en hier en daar een vos. En afgekloven spareribs.

Daar ligt het hertje. Dood, onmiskenbaar. Met opgetrokken pootjes rust het op z’n flank, het bebloede neusje drukkend op het vochtige gras. De achterzijde van het lijfje is volledig weggevreten, zodat zicht ontstaat op een portie afgekloven spareribs. Boven op het snuitje van het dier prijkt een uitpuilend oog, als een druif op een zandgebakje.

Ik kijk ernaar en moet denken aan de Sex Pistols-hoes van Who killed Bambi?, zij het dat de inmiddels net zo dode Malcolm McLaren daar toch een iets decentere foto voor had gebruikt. De vraag wie Bambi heeft omgebracht kan hier trouwens makkelijk worden beantwoord. Hans Breeveld, de boswachter onder wiens bezielende leiding we een safaritochtje over de Oostvaardersplassen maken, weet het zeker: “Dit dier is te groot om door vossen gepakt te zijn. Een collega van mij heeft ‘m dus afgeschoten. Ach ja, soms zie je weleens een kreupel dier, of een dier dat om een andere reden niet in staat zal zijn de winter door te komen. Dat schiet je dan af. Is een vorm van zorg bieden. Wij laten de boel hier dus niet de boel. Dat mógen we ook niet. Als je een dier, ook al is dat een wild dier, willens en wetens een lijdensweg laat doormaken, ben je volgens de flora- en faunawet gewoon strafbaar. Maar we schieten dus alleen dieren dood waarvan het zeker is dat ze het niet gaan redden. De natuur selecteert als het ware voor ons.” Wijzend op het ex-hertje: “Maar dit kalfje is verder wel opengereten door een vos. En ik weet ook precies hoe-ie het heeft gedaan. Hij is begonnen bij de anus, dat is een lekker zacht plekje.”

Als het aan de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) ligt, blijft het niet bij dit ene hertje. Wat heet: deze ploeg zou graag zien dat dertig procent van de huidige populatie grote grazers – naast herten gaat het daarbij om in het gebied geïntroduceerde runderen en paarden – preventief wordt afgeknald, om te voorkomen dat ook in de komende winter tal van dieren de hongerdood sterven. Die van 2009/2010 was een slagveld. De cijfers achteraf: van de 3749 herbivoren waren er toen de dooi definitief intrad nog maar 2656 over. De beroepsorganisatie van dierenartsen, die met het uiten van zijn wens vooruitloopt op het rapport van de commissie Gabor, waarin het natuurlijk beheer van de Oostvaardersplassen zal worden geëvalueerd, stelt dat de beesten zonder interventie van de kogel onnodig lijden, ‘doordat aan het eind van de winter de draagkracht van het gebied wordt overschreden’. Boze tongen beweren echter dat mededogen niet de enige reden is waarom men het geweer uit de kast wil halen. In de Volkskrant heeft Henk Luten, dierenarts van de Oostvaardersplassen en Burgers Dierenpark, al fijntjes aangestipt dat het initiatief voor een ledenraadpleging van de KNMvD is genomen door een aantal fanatieke jagers binnen die club.


“Overal gaan dieren dood,” zegt boswachter Breeveld – en daar lijkt me geen speld tussen te krijgen. We stuiteren en glijden in zijn terreinwagen door een van de meest unieke natuurreservaten die ons land rijk is, een gebied dat ook wel ‘Serengeti achter de dijken’ wordt genoemd. Een savanne met dode bomen en grote kudden zich verplaatsende hoefdieren, zoals we die sinds jaar en dag kennen uit natuurfilms over Centraal-Afrika. Jammer alleen dat af en toe de intercity Almere-Lelystad door het beeld flitst.

“Overal gaan dieren dood,” herhaalt Breeveld, “maar alleen bij ons zie je het. Wij laten kadavers liggen, omdat het hier geen dierentuin is, maar een wildpark. En we moeten daar ook niet te sentimenteel over doen. Leuk hoor, dat hertje met die reebruine ogen. En als-ie een stier is van achthonderd kilo, dan is-ie ontzettend imposant. Maar dood is het gewoon een stuk vlees, niet meer dan dat. Omdat we tegenwoordig nooit meer ergens een dood dier laten liggen, zijn de aaseters inmiddels de meest bedreigde dieren van allemaal. ‘Groot en dood’ hoort er gewoon bij in de natuur, en daar profiteren bijvoorbeeld de aaskevertjes van. Entomologisch gesproken is het kadaver van een paard interessanter voor zo’n kevertje dan een dode muis. Want bij een te klein kadaver komt zo’n insect, om het maar even plat te zeggen, bescheten uit. Is zo’n muis ineens op terwijl zo’n kever zich nog voor een deel moet ontwikkelen.”

We houden halt bij een drinkplaats waar een kudde paarden bijeen staat om – zo lijkt het – het nieuws van de dag door te nemen. Wilde paarden, benadrukt Breeveld nog maar eens. “Makkelijk benaderbaar, maar niet mak,” zegt hij ongewild poëtisch. “Wilde dieren: officieel én juridisch. Zodra een paard wordt uitgezet en niemand er achteraan rent om het te vangen, heeft zo’n dier geen eigenaar meer.”


Hij vertelt dat het om Konikpaarden gaat, een in Polen gefokte variant die ‘aanleunt tegen het wilde paard dat hier ooit heeft geleefd’. Gezonde dieren, weet de boswachter. “Bij zo’n kudde breken ook geen ziektes uit. Dat gebeurt alleen onder zogenaamd ideale omstandigheden. Op stal dus.” Wijzend: “Weet je dat er paardenliefhebbers zijn die speciaal naar de Oostvaardersplassen komen om te zien hoe een paard er ook alweer uit hoort te zien? Bij ons zie je hoe de verhoudingen horen te zijn. Er is met deze diersoort in de loop der jaren zó gefokt… Kijk naar een renpaard, dat heeft echt onnatuurlijk lange benen. Of nee, poten.”

De Oostvaardersplassen zijn per ongeluk ontstaan, nadat in 1968 zuidelijk Flevoland was drooggevallen. Tussen Almere en Lelystad was een industrieterrein gepland, maar door de oliecrisis werd dat plan uitgesteld, wat de natuur de kans gaf zich spontaan te ontwikkelen. Wat vervolgens ontstond, was een rijk geschakeerd moeras waar later een droger deel met ruige graslanden aan werd toegevoegd. Op dat droge gedeelte werden zogeheten grote grazers uitgezet, groepen hoefdieren die zich na jaren van succesvol consumeren en cohabiteren als volgt laten tellen: 266 Heckrunderen (in 1983 in de Oostvaardersplassen geïntroduceerd), 876 Konikpaarden (sedert 1985) en 1514, pardon 1513 edelherten (sedert 1992). De herkauwers bewonen het harde gedeelte van zesduizend hectare waar de natuur z’n eigen gang kan gaan. Een zelfregulerende maatschappij, die zonder bemoeienis van de mens moet zien om te gaan met zoiets als een strenge winter, vindt boswachter Breeveld. Aan het bureau geboren plannen om de dieren bij te voeren zijn zijns inziens dan ook onzalig. “Een van de domste dingen die je kunt doen,” bromt hij, terwijl we zijwaarts over een spekgladde dijk glijden. Rukkend aan het stuur: “Met bijvoeren probeer je alles in leven te houden, dus wat normaliter een natuurlijke dood zou sterven, blijft dan overeind. Je krijgt dus meer en meer dieren – in hetzelfde gebied.” Bovendien, zo weet hij, verstoor je op deze manier het natuurlijke afweermechanisme. Als het voedselaanbod klein is, daalt de activiteit van de dieren en daarmee de behoefte aan voedsel. Ga je nu voor Joop Braakhekke spelen, dan schieten de beesten uit de ‘slaapstand’ en worden ze actief. Met als logisch gevolg een toenemende noodzaak om te eten. Niet mee bemoeien dus, stelt Breeveld. “In de winter gaat een hert zijn in de zomer opgebouwde vetvoorraad aanspreken. En dan wordt-ie iets magerder. Maar hij is niet aan het vérmageren!”


“Zie je die witte vogel daar?” vraagt hij dan, wijzend op een sierlijke nek die als een spierwit vraagteken boven het maaiveld uitsteekt. “Da’s de grote zilverreiger. Die veren ken je misschien wel van de hoeden op schilderijen uit de zeventiende eeuw. In 1982 hadden we hier het eerste paar, en nu zijn dat er al 120. Verloren gewaande vogels komen door dit soort gebieden weer helemaal terug. Het baardmannetje, ook zo’n voorbeeld…”

Ik kijk naar zijn begroeide kin, maar hij heeft het niet over zichzelf. Het baardmannetje (Panurus biarmicus) is een zangvogel die in de rietlanden leeft en een achterneef is van de leeuwerik. Het is een van de vele gevederde vrienden die een thuis hebben gevonden in de Oostvaardersplassen, waar zonder de oliecrisis dus gif brakende schoorstenen hadden gestaan. We mogen koning Feisal met terugwerkende kracht wel dankbaar zijn.

“Heel veel soorten reigers zitten hier,” zegt Breeveld, alvorens over te gaan tot een opsomming van Toon Hermans-achtige allure. “We hebben niet alleen de grote zilverreiger, maar ook de kleine zilverreiger, de blauwe reiger, het wouwaapje, de roerdomp, de koereiger, de ralreiger en de kwak. En de vogelpopulatie schuift mee met de ontwikkeling van het landschap. Kijk daar, een tapijt van brandganzen! Ik zal even proberen wat dichterbij te komen, maar ben bang dat ze zo op de wieken gaan.”

Hij heeft het nog niet gezegd of er is sprake van een vliegend tapijt.

“Tussen de tien- en twintigduizend hebben we er momenteel,” vertelt hij, terwijl de ganzen met krachtige slagen het zwerk doorklieven, “en ze zijn ontzettend belangrijk voor de Oostvaardersplassen.” Ganzen, en dan met name de grauwe variant, grazen het riet af, zodat het terrein mooi open blijft. Breeveld verhaalt enthousiast over een ecologische kettingreactie, die als slotconclusie oplevert dat rivierkreeftjes baat hebben bij het eetgedrag van de grauwe gans. Hij probeert er maar mee te zeggen dat de natuur prima in staat is zichzelf te onderhouden.


“Wou je nog een vos zien?” vraagt de boswachter – en de vraag stellen is hem beantwoorden. We staan oog in oog met een prachtig exemplaar, dat niet in het minst wordt gehinderd of geïmponeerd door onze aanwezigheid. Na ons enige tijd meewarig te hebben aangestaard, sjokt het uit eigen beweging weg, nog net niet hoofdschuddend. Schuin achter de vos danst een zwaan, nog verder naar achteren staat een solitair edelhert. “Tja, de bronsttijd is zo’n beetje voorbij,” mompelt Breeveld. “Die heeft hard moeten, eh… laten we het maar ‘werken’ noemen, dus ik denk dat-ie zich nu afzondert om een beetje tot rust te komen.”

Het afschieten van gezonde herten om de populatie uitgedund de winter in te sturen: Breeveld moet er niet aan denken. “Ook al niet omdat je dan drachtige wijfjes zou moeten doden, want pas dán heeft het enig effect. Afschieten is bovendien een cijfermatige manier van actief populatiebeheer, dus uiteindelijk praat je dan gewoon over jacht.”

Het geforceerd toedienen van de anticonceptiepil, ook al zo’n waardeloos plan. “Daar moet je elk dier zeker drie keer voor vangen. Los van het feit dat dat ontzettend lastig is: hoeveel stress denk je dat zoiets veroorzaakt?” Zijn afwijzende standpunt inzake bijvoeren heeft hij inmiddels verwoord, maar over een ander, veelbesproken idee is hij wél positief. Al jaren wordt gepleit voor een corridor naar het Horsterwold bij Zeewolde, een gang die de Oostvaardersplassenbewoners de gelegenheid biedt door te steken naar de Veluwe. Een mooi plan, vindt de boswachter. Die vrije passage zou evenwel ten koste gaan van wat lappen landbouwgrond, dus op een go van staatssecretaris Henk Bleker, de zelfbenoemde hobbyboer wiens achterban traditiegetrouw met de poten in de klei staat, lijken de Konikpaarden en Heckrunderen niet te hoeven rekenen.


Maar met zo’n corridor kan het natuurlijk wel twee kanten op, opper ik. Want naast emigratie kan er net zo goed sprake zijn van de instroom van oorspronkelijke Veluwebewoners. En is dat wel gewenst, of moet je dan gaan denken aan een immigratiestop voor everzwijnen? Breeveld, onverstoorbaar: “Iedereen is welkom.”

En in de verte burlt een hert.

Michiel Blijboom