Alarmfase Oranje

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week een focus over het ceremonieel koningschap.

Als de voortekenen niet bedriegen, gaat de Tweede Kamer zich deze week bij motie uitspreken vóór het terugdringen van de rol van de koningin bij kabinetsformaties. PVV, SP, D66 en GroenLinks stonden al veel langer bekend als voorstanders van dat idee, en nu ook de PvdA ‘om’ lijkt te zijn, gloort er voor het plan een ruime Kamermeerderheid van om en nabij de negentig zetels.

Er is al gefluisterd dat we hier te maken zouden hebben met een ‘historische stap’ van onze volksvertegen-woordiging. Maar dat is nogal overtrokken. Want om te beginnen hoeft er – anders dan dikwijls wordt verondersteld – geen enkele (grond)wettelijke bepaling te worden aangepast indien de Tweede Kamer van oordeel zou zijn dat er aan de gang van zaken bij kabinetsformaties iets moet veranderen. Nederland kent op dit punt namelijk helemaal geen (grond)wettelijke bepalingen. Alle procedures waaraan we bij kabinetsformaties gewend zijn geraakt – dat de koningin na verkiezingen eerst de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer raadpleegt, alsmede de vice-voorzitter van de Raad van State en de diverse fractievoorzitters en dat ze vervolgens een of meerdere (in)formateurs belast met een (in)formatieopdracht – zijn slechts gewoontes die in de loop der jaren zijn ontstaan. Er staat niets over zwart op wit.

Bovendien: dat het onze volksvertegenwoordiging – in elk geval in theorie – geheel vrij staat om van die gewoontes af te wijken, werd al eens bewezen in 1971. De Tweede Kamer nam toen een motie van de KVP’er Eric Kolfschoten aan die bepaalde dat het parlement voortaan na verkiezingen zélf een kabinetsformateur zou selecteren. Na de Kamerverkiezingen van 28 april 1971 werd meteen een poging gedaan om aan die motie uitvoering te geven. Dat die poging vervolgens niet uit de verf kwam, lag niet aan wettelijke haken en ogen en/of aan verzet van de toenmalige koningin Juliana, maar aan de omstandigheid dat geen enkele kandidaat-formateur de steun van een Kamermeerderheid wist te verwerven.

Zoals bekend heeft de Tweede Kamer sindsdien geen nieuwe pogingen gedaan om de motie-Kolfschoten in de praktijk te brengen. Veel tegenstanders van ‘democratisering’ van de kabinetsformatie zagen daarmee hun gelijk bevestigd: klaarblijkelijk waren onze politici veel te verdeeld om zelf het voortouw te nemen bij het in de steigers zetten van een nieuwe regering. Goed dus dat we een koningin hadden die boven het partijpolitieke gekrakeel stond en die zodoende wél bij machte was om bij kabinetsformaties knopen door te hakken.

Maar helaas: met die ‘bovenpartijdigheid’ liep het in de praktijk nogal eens los, ook ná het mislukte experiment met de motie-Kolfschoten. Zo kon het optreden van Juliana bij de kabinetsformatie van 1973 niet anders worden geduid dan als een verkapte steunbetuiging aan de vorming van een links kabinet onder leiding van Joop den Uyl. Beatrix op haar beurt verraste in 1981 vriend en vijand door de progressieve CDA’er W.F. de Gaay Fortman tot informateur te benoemen – kort nadat hij CDA-onderhandelaar Dries van Agt publiekelijk de oren had gewassen vanwege diens aversie tegen regeringssamenwerking met de PvdA. Dertien jaar later, na de Kamerverkiezingen van 1994, volgde de zogenoemde ‘coup van Beatrix’, toen ze het opzienbarende besluit nam om Wim Kok, die zojuist twaalf zetels had verloren, te belasten met het schrijven van een ‘regeringsprogram op hoofdpunten’. Die interventie leidde tot het eerste Paarse kabinet, waarvan Beatrix dan ook de ‘moeder’ werd. En als klap op de vuurpijl was er natuurlijk de bizarre kabinetsformatie van afgelopen zomer, waaraan zeker niet alleen Geert Wilders de indruk overhield dat de majesteit weinig op had met de totstandkoming van een minderheidskabinet met gedoogsteun van de PVV.

Geen enkele democraat kan er dan ook rouwig om zijn als de Kamer deze week – wederom – zou besluiten om de koningin (c.q. haar opvolger prins Willem-Alexander) bij toekomstige kabinetsformaties op afstand te zetten. Maar laten we het daar dan ook bij houden. Want bij eventuele volgende stappen richting een louter ceremonieel koningschap, zoals PVV, SP, D66 en GroenLinks willen, is niemand gebaat, nog afgezien van de omstandigheid dat voor zo’n maatregel wél een ingewikkelde en tijdrovende grondwetswijziging nodig is.

Wat we namelijk bij zo’n cermonieel koningschap zouden ‘overhouden’, is een via erfopvolging aangewezen staatshoofd dat geen zitting meer heeft in de regering. Dat klinkt misschien heel democratisch, maar het impliceert tevens dat voortaan de handelingen en uitspraken van zo’n ceremoniële koning(in) niet langer onder de ministeriële verantwoordelijkheid kunnen vallen. Een regering kan immers bezwaarlijk verantwoordelijk zijn of worden gesteld voor handelingen en uitspraken van iemand die van die regering geen lid is. Zoals – omgekeerd – van iemand die geen regeringslid is ook niet kan worden verlangd om enkel en alleen regeringsstandpunten uit te dragen.

Anders gezegd: wie voluit kiest voor instelling van een ceremonieel koningschap, kiest tevens voor een staatshoofd dat als het ware ‘los’ in ons constitutionele bestel komt te zweven en waar niemand nog grip op heeft – of kan hebben. Bij wijze van voorbeeld: niets of niemand zou Beatrix of, in de nabije toekomst, Willem-Alexander er dan nog van kunnen weerhouden om hun koninklijke gewicht openlijk in de strijd te gooien door bij Buitenhof of Pauw & Witteman aan te schuiven en daar te pleiten voor of tegen verhoging van de AOW-leeftijd, voor of tegen het vervolgen van Geert Wilders of voor het tegen het beperken van de hypotheekrenteaftrek. Ergo: de ‘macht des Konings’ die de voorstanders van een ceremonieel koningschap zo graag willen inperken, zou bij invoering van zo’n stelsel weleens veel groter kunnen worden dan die nu is. Waarom zouden we dat risico willen lopen?

Eigenlijk is daar maar één reden voor te bedenken – en die is een beetje geniepig. Want er is ook nog een ándere maatregel denkbaar die geen van bovenstaande staatsrechtelijke bezwaren met zich meebrengt. We spreken dan – uiteraard – over herinvoering van de republiek. Eeuwenlang voer Nederland daar wel bij, maar als de komende jaren mocht blijken dat we eerst nog even de bittere pil van een ceremonieel koningschap nodig hebben om ons definitief terug te brengen bij onze republikeinse roots, dan… loopt alles toch nog goed af en gelieve u dit artikel als ongeschreven te beschouwen.

Roelof Bouwman