Kleurrijk Sloterdijk, portret van een voetbalclub

Komen de spelers opdagen? Zijn er genoeg auto’s? En: hoe houden we onze elftallen in bedwang? Dat zijn nog de mindere zorgen van voetbalclub A.V.V. Sloterdijk. ‘Wegens niet geïnde contributies hebben we onze A-pupillen moeten terugtrekken’. Portret van een armlastige voetbalclub.

Wie het voetbalcomplex van A.V.V. Sloterdijk betreedt, kan niet om het woord ‘samenleving’ heen. Waar de meeste velden op z’n minst één zijde hebben die uitkijkt op een weiland, een rij bomen of een ander stukje natuur dat de geest kan doen dwalen, wordt A.V.V. Sloterdijk van alle kanten ingesloten door de polsslag van een voortrazende maatschappij. Vanaf de oostkant hoor je het voortdurende geraas van de A10 Ring West, vanaf de noordkant de onophoudelijke dreun van de vierbaans provinciale weg die het kantoorpark Sloterdijk met het stadscentrum verbindt, vanaf de westkant zorgt het viaduct voor een permanente stroom passerende treinen en vanaf de zuidkant is er de aanblik van de groezelige flats van Sloterdijk zelf, een wijk die tegen wil en dank alle ongunstige namen voor een wijk inmiddels heeft gedragen, waarvan ‘Vogelaarwijk’ de laatste is.
Rond een uur of kwart over zeven, het is al donker, betreed ik het complex. Op beide velden zijn pupillenelftallen aan het trainen, gastjes van een jaar of tien, elf. Als voormalig voetbaltalent schrik ik niet van een ‘vuile etter!’, een ‘stinkhoer!’ of een ‘schop ’m dood!’. Sterker: ik kom een beetje thuis. Ik moet alleen even wennen aan het Amsterdamse taaltje, waar ik nooit aan zal wennen. “Helemàhl op ut èhnde,” zegt een heer op leeftijd, als de man naast hem vraagt of er dat weekend bij het eerste (vijfde klasse KNVB) nog gewisseld is. Ze staan langs de zijlijn en paffen een sigaretje weg. Wanneer ik het clubhuis betreed voor de jaarlijkse ledenvergadering en op het punt sta de trap te beklimmen, komen twee Marokkaanse pupillen giechelend naar beneden gestormd. “Wég, jullie!” roept een Amsterdamse stem van boven. “Ksssst!” Ik zie hoe de Marokkaanse voetballertjes, duwend en trekkend, naar buiten rennen, waarop ik mijn weg vervolg naar het kloppend hart van het clubhuis.
Eenmaal boven, rondkijkend in de schemerige ruimte met gordijntjes, stoffige bekers, overjarige vaantjes en de onmisbare wandspreuken, gaat mijn hart helemaal open. Buiten mag de barbarij van het gevloek en het motorische geraas dan baas zijn, hier heerst de knusheid van de klassieke voetbalkantine, waar je – ooit omhuld door sigarettenrook, nu hoogstens door de damp van hete koffie – de wedstrijd nabespreekt en nog even doorneemt hoe blind die grensrechter was die niet voor buitenspel vlagde. De symmetrisch in het midden geplaatste nepbloemen in de opeenvolgende vensterbanken brengen mij emotioneel in beroering, maar via een tijdig slikken weet ik de onbalans te smoren.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Hans van Willigenburg