Domme oliebol

‘Subsidie voor cultuur kan alleen verdedigd worden op basis van een visie op betere versus slechtere cultuuruitingen,” zo schreef socioloog prof. dr. Evelien Tonkens vorige week in de Volkskrant. Waarop ze meteen maar een voorzet gaf: “Een toneelstuk van Maria Goos is volgens mij kwalitatief beter dan Oh oh Cherso, omdat Goos ons helpt op de weg van geweld naar beschaving, terwijl Oh oh Cherso het omgekeerde doet. Ik daag iedereen uit het omgekeerde te betogen.”

Een dag later pakte Arnon Grunberg de handschoen op in dezelfde krant. In een onduidelijk betoogje dat springt van Ernst Jünger en Curzio Malaparte naar Plato en Aristoteles, eindigt hij met: “Geen kennis van traditie, minimale belezenheid, domineesretoriek; met zulke verdedigers van kunst heeft men geen PVV meer nodig.”

Het zal je maar gezegd worden. Tonkens reageert allerminst gekrenkt. “Haha, wat een enorme domme oliebol! Grunberg begint heel pedant met een compliment, maar daarna vervalt hij in wartaal. Hij koppelt arrogantie aan inhoudsloosheid.”

Studenten reageren ook fel op argumenten over goede en slechte kunst, zo merkte ze in de collegezaal. “Ze voeren alles terug op eigen smaak. Maar hoe kun je over subsidies debatteren als je niet inhoudelijk kijkt naar het maatschappelijk nut van kunst?”

import de kring