‘Ik ben een alleskunner’

Hij brak door met zijn sloophouten kasten en heeft inmiddels een enorm pand waar de wereld van Piet Hein Eek (1967) voelbaar is. De ontwerper die nooit twijfelt, een engeltje op zijn schouder heeft en vooral: een onzichtbare compagnon zonder wie dit alles niet mogelijk was. ‘Nob weet álles van mij.’ door Sara van Gorp,

Ik heb vaak ‘nee’ te horen gekregen in het begin. Dat mensen mijn tafels niet in hun zaak wilden zetten bijvoorbeeld. Maar dat interesseerde me niks. Ik heb heilig geloof in wat ik doe. We hadden ook meteen veel succes. Die sloophouten kasten die ik voor mijn afstuderen maakte, vond iedereen dolletjes. Achttien jaar geleden werd dat snel opgepikt op een beurs, er was interesse uit de hele wereld voor mijn werk. Sindsdien hebben we het ene na het andere hoogtepunt gehad.

‘We’ zeg ik, omdat ik vanaf het begin met Nob Ruijgrok heb samengewerkt. We hebben nu ook allebei vijftig procent aandeel in het bedrijf. We hebben elkaar op de Design Academy in Eindhoven leren kennen. We waren klusjesmannen en knapten huizen op. Toen het ontwerpen serieus werd, in 1993, hebben we in het contract vastgelegd dat ik mijn naam uitleen aan het bedrijf. Na een jaar of twee samenwerken was er wel een gesprek: ‘Jij geeft al die interviews en jouw naam staat overal op, is dat nou wel leuk?’ Toen zei ik: ‘Nou ja, het werkt als een tierelier, dus we kunnen wel discussiëren, maar over de effectiviteit van de gedachte kunnen we geen discussie hebben.’ Hij: ‘Je hebt gelijk ook.’ Daarna hebben we er nooit meer over geluld.

Dat hij erover begon, is natuurlijk ingegeven door de omgeving. Anderen vroegen zich af of het niet vervelend was voor Nob. Maar het is niks voor hem. Nob is stug, praat niet, hij is van oorsprong grafisch vormgever. Misschien is dat meer een dienstbaar beroep.

Ik ben een van de weinige ontwerpers die zowel in de kunstwereld als in de commerciële wereld succes heeft. Dat is de nieuwe tijd. Vroeger was het: als je creatief bent, ben je dus niet commercieel. Als een ontwerper geld verdient, is het dus geen goede ontwerper. Lulkoek is dat. Dat ik erkenning krijg uit de kunstwereld, is natuurlijk heel erg fijn. Veertien jaar geleden had ik een grote expositie in het Stedelijk Museum. Daarna kwam het Groninger Museum en nu ben ik bezig met het Kröller Möller. En als iemand iets koopt, is dat de ultieme bevestiging dat het goed is.


Concessies doe ik niet. Natuurlijk maak ik dingen die niet geschikt zijn voor de markt – die houd ik dan voor mezelf. Spullen van afvalhout die expres extreem veel tijd kosten om ze te maken. Nu groei ik mee met de mogelijkheden van dit bedrijf. We hebben vijftig man in dienst, we hebben een hele hoop machines. Dan maak je andere dingen. Als je geen geld hebt, koop je geen machines en ga je gewoon het bos in met een bijltje. Is ook leuk. Ik werk met de mogelijkheden die ik nu heb. Ik doe waar ik zin in heb.

Ik ontwerp, ben het gezicht naar buiten en doe de financiën. Dat vind ik allemaal erg leuk om te doen. Alleen maar ontwerpen, nee, dat zou ik te eenzijdig vinden. Naarmate het bedrijf groeide, ben ik steeds meer een manager geworden. Ik word ouder en heb jonge mensen om me heen die boven zichzelf uitgroeien. Daar kan ik enorm van genieten. Vroeger stond ik er zelf naast met een zweep. Nu moeten zij dat doen, anderen aansturen. Ik ben erg van het personeel. Ook als het misgaat. Als mensen overspannen raken of boos worden – je kunt er een hoop geëmmer mee hebben, schermutselingen, rechtszaken, en die hebben we ook. Maar daar raak je ook aan gewend.

Héél driftig was ik vroeger, echt extreem. Als mijn drie dochters van twaalf en veertien nu zo driftig zouden zijn, zouden ze allemaal op het speciaal onderwijs zitten. Een paar keer per week was het knokken geblazen op school. Ik was er ook goed in. Een klein hartje had ik: als iets me niet zinde, iemand werd bijvoorbeeld gepest, dan sprong ik ertussen. Op m’n veertiende was dat afgelopen. Omdat ik ouder werd en m’n emoties meer in bedwang had.


Nu ben ik nog wel geëmotioneerd als ik eraan denk wat mensen voor me betekenen. Mensen zoals Nob. Dat soort dingen moet ik ook niet vertellen, dan ga ik meteen huilen. Waar het om gaat is dat we dit bedrijf samen hebben en het samen doen. We zijn allebei allesdoeners en alleskunners. Een factuur sturen, een technische berekening bekijken, een schroef in het plafond draaien, een vent een klap op z’n kont geven. Maar ik ben wel echt de ontwerper. Ik maak iets wat autonoom is. Dat is mijn inbreng, maar het komt er zo fantastisch uit omdat al die mensen, met Nob voorop, er zo hard aan meewerken. Dat is wat gevoelig ligt voor mij. Het is de ultieme steun in het realiseren van je droom. Nob weet álles van mij, hij is m’n grootste vriend. Daarom kon hij het overzichtsboek van mijn werk maken, waar hij anderhalf jaar aan heeft gewerkt. En nu heeft hij het nieuwe pand gerealiseerd, waarin we 10.000 vierkante meter hebben met een winkel, expositieruimtes, een restaurant, de werkplaats en mijn kantoor. Hij rijdt er ’s ochtends om zeven uur naartoe en trekt ’s nachts om een uur de deur achter zich dicht. En ik zat nog in ons oude pand in Geldrop en werkte net zo hard. Je doet het dan echt samen, dat is een heel mooi gevoel.

Mijn vrouw ken ik ook sinds 1986, ook van de opleiding. In het begin gingen we wel met z’n vieren op vakantie, maar nu zijn we zo veel met elkaar. Zijn vrouw doet het restaurant in ons nieuwe pand. Mijn vrouw ontwerpt servies dat er wordt verkocht. Ons leven is volstrekt met elkaar verweven. Nobs leven is mijn leven. Dan ga je op een gegeven moment wel een beetje je eigen dingen doen, anders word je knettergek.


Ik denk altijd wel vijftien jaar vooruit. Dit nieuwe pand is een pilot. In Maastricht willen we een winkel maken die een soort afgeleide hiervan is, een heel groot concept. Als dat werkt, wil ik door heel Europa. En elke dealer die stopt om onze spullen te verkopen, willen we vervangen door eigen winkels. Ik vind dat die meubelwinkels het allemaal verkeerd doen. Er zit geen beweging in. In de mode is er elk seizoen een nieuwe collectie. Ik begrijp niet waarom meubelwinkels niet ook elke drie maanden hun winkel opnieuw inrichten. Dan komen mensen veel vaker langs en heb je veel meer kans op verkoop.

De laatste weken was het knokken om dit pand af te krijgen voor de opening, daar heb ik echt stress van ondervonden. Maar als ik kijk naar de afgelopen twintig jaar, dan heb ik wel het gevoel dat er een engeltje op m’n schouder zit dat ervoor zorgt dat het allemaal goed komt.

Over twee weken: Jeanine van der Vlist

Jos Lammers