Leven met bombies

Tijdens de Vietnamoorlog dropten de Amerikanen ruim twee miljoen ton bommen op het neutrale buurland Laos. Nog steeds leeft de bevolking in een land waar in elk hoekje gevaar loert. De opruimingsdiensten zijn al veertien jaar bezig om de ‘bombies’te ontmantelen. ‘Deze bommen zijn gemaakt om te doden, niet om te verminken.’ door Adrian Egger

Het heeft geregend, en in de brandende ochtendzon lijkt het hele landschap te dampen. We passeren een grote rode pijl met een bord: ‘Danger: Mines!’ en een grijnzend doodshoofd. Dit zien de duizenden backpackers niet, die elk jaar naar Laos op vakantie gaan. Voordat ik mag doorlopen, moet ik echter mijn bloedgroep opgeven. “Follow me, follow me!” zwaait Kingphet Phimmavong, provinciaal coördinator van de UXO Lao-afdeling in Xieng Khouang, Laos. Behoedzaam volg ik hem en de anderen het zompige veld op. Tientallen bomkraters verstoren het glooiende groene heuvellandschap. Er zijn hier regels, verkondigt de leider van het ontmijningsteam streng: “Don’t touch anything. Don’t smoke. Don’t walk ahead of me.” Begrepen? Een paar meter verderop besef ik dat ik nu omringd ben door alle soorten en maten explosieven – alleen het krakende zoemen van metaaldetectors duidt op het slapende gevaar onder mijn voeten.

Laos is het meest gebombardeerde land ter wereld. Tijdens de geheime oorlog tussen 1964 en 1973 zetten de Amerikaanse strijdkrachten 1,36 miljoen ton aan bommen in. Dat is meer dan alles wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog verschoten is. Ruim acht procent van alle dorpen en steden zijn in deze periode meer dan vijftig keer gebombardeerd, schrijft de UNIDIR in een rapport uit 2006. De hevig gebombardeerde Ho Chi Minh Trail, de Noord-Vietnamese verzorgingsroute voor operaties in het zuiden, liep gedeeltelijk door de zuidoostelijke provincies van Laos. In de centrale provincie werd met bommenwerpers getracht om de communistische rebellengroep Pathet Lao in toom te houden. De geografische ligging tussen de militaire vliegvelden in Thailand en de doelwitten in Noord-Vietnam maakte Laos tevens een ideale free drop zone. Bij afgebroken missies in Noord-Vietnam gebruikten Amerikaanse piloten Laos als vuilnisbelt voor hun ongebruikte ladingen om brandstof te besparen. Ondanks het feit dat Laos als neutraal buurland in het Vietnamconflict gold, werd het gedurende negen jaar gemiddeld elke acht minuten ergens gebombardeerd, en dat 24 uur per dag. Ruim de helft van al het ingezette materieel bestond uit clusterbommen. Zo’n clusterbom bestaat uit een huls die na afworp openspringt en honderden kleinere bommen – zogenaamde submunitie – over een oppervlak van circa acht voetbalvelden uitzaait. Zelfs onder ideale omstandigheden weigert een op de drie van deze submunities af te gaan. Afhankelijk van de omstandigheden waaronder deze bommen werden gelost, kan dit verder oplopen. Van de 266 miljoen stuks die werden ingezet, wordt geschat dat er 78 miljoen niet ontploft zijn. Dat zijn 44 submunities voor elke inwoner van Laos (in 2010). Deze bommen zijn nu nog net zo dodelijk als de dag dat ze afgeworpen werden en de kleinste beweging is in principe voldoende om een blindganger te laten ontploffen. Deze blindgangers noemen de Lao ‘bombies’, maar officieel vallen ze in de categorie UXO (Unexploded Ordnance) samen met al het andere overgebleven krijgsmateriaal.


Sinds 1996 is UXO Lao bezig om explosieve oorlogsrestanten op te ruimen. Twintig minuten duurt de jeeprit van de provinciehoofdstad Phonsavan naar het stuk landbouwgrond dat UXO Lao sinds acht dagen aan het ‘zuiveren’ is. Een witte truck met roestplekken en ‘Made in Rassia’-graffiti staat naast drie jeeps geparkeerd aan het eind van een modderig landweggetje. Een team van tien man werkt hier zes dagen per week van zeven uur ’s ochtends tot vijf uur ’s middags in de vochtige hitte. Onder de grote junglehoeden gutst het zweet over hun gezichten. Iedereen is druk in de weer om al het materieel uit te laden en af te stellen. Dames met afgetrapte kisten testen hun metaaldetectors voordat de operaties van de dag kunnen starten. Roman en Richard, twee Zwitserse soldaten, houden een oogje in het zeil, of alles wel volgens protocol verloopt. “Als je de voorschriften niet volgt, kun je net zo goed niets doen. Slecht afgestelde detectors missen veel bommen, waardoor het land vervuild blijft.”

Een paar meter achter het waarschuwingsbord zijn twee meter brede stroken met touw afgezet om het landschap zo zorgvuldig mogelijk uit te kammen. Samen houden twee mannen een grote metaaldetector vlak boven het gras, terwijl ze stap voor stap het raster aflopen. De man voorop kijkt peinzend naar de driftig uitslaande meters die hij om zijn nek heeft hangen. De apparatuur stuitert zacht op zijn dikke buik terwijl hij aandachtig naar het zoemen van de aarde luistert. Zodra een stuk metaal in de grond gepeild is door de opsporingsgroep, wordt die plek gemarkeerd. Een mineur moet bij de gemarkeerde plekken alle metalen voorwerpen met de hand opgraven en verwijderen. Soms graven ze voor niets – stukken prikkeldraad, bomscherven, roestige stukken buis en andere metalen voorwerpen geven vals alarm. Maar meestal is het raak: van geblutste mortiergranaten en gebarsten fosforbommen tot handgranaten en roestige geweermunitie. De mineurs ontaarden in Laos een compleet (maar licht aftands) arsenaal.


Een jongeman in een crèmekleurige overall wroet in een kuil. Zijn leerachtige nek getuigt van vele uren in de brandende zon. Als hij de aarde voorzichtig wegveegt, onthult hij zeshonderd kogellagerballen gemonteerd op een onsje explosieven. “BLU-26,” grijnst de twintiger bij de aanblik van een van de zes soorten submunitie die ze het meest vinden. De veertigjarige donkergroene bal ziet eruit alsof hij er gisteren neergelegd is. “Ze zien er vrij gaaf uit, omdat ze op zachte grond zijn gevallen en dus niet echt beschadigd raken bij het neerkomen. Omdat ze in de grond zinken, roesten ze ook niet zo erg,” legt Roman uit. In Zuid-Laos is de grond harder en liggen de bombies tussen de struiken te roesten, totdat ze bijna onherkenbaar worden. Voordat de mineur doorwandelt naar de volgende roodgeverfde bamboestaak, wordt het gat gedicht met een zandzak. Kingphet helpt met tillen: “Dan kunnen er geen dieren of kinderen bij voordat we ze vernietigen.”

Blindgangers per ongeluk aanraken is al riskant, maar er een oprapen en verwijderen is vragen om ongelukken. Dit dwingt de ontmijningsteams ze ter plekke te vernietigen. Grotere bommen worden onschadelijk gemaakt door de ontstekers te verwijderen of te vernietigen, waarna ze in een opslaghal ontmanteld worden. Dit is gecompliceerd werk wat nog eens bemoeilijkt wordt doordat de Amerikanen nog steeds weigeren sommige ontwerpen van ontstekingsmechanismen vrij te geven. Een verkeerde inschatting van het type kan desastreuze gevolgen hebben. Of ze niet bang zijn, vraag ik. Nee hoor, als je de procedures volgt, is het niet zo gevaarlijk, beweren de mineurs stoïcijns. En bovendien is het niet gevaarlijker dan hier op het land werken, menen ze. Ze komen allemaal hier uit de buurt en de meesten uit hun families zijn landbouwers.


De VN classificeren Laos als ‘least developed country’ met een agrarische economie. Ruim zeventig procent van de bevolking werkt in de landbouw. Bijna een kwart van alle incidenten met blindgangers betreft boeren, wat het tot een van de gevaarlijkste beroepen in Laos maakt. De boeren zijn bang om hun land te om te ploegen, omdat contact met een ondergrondse bom je je leven kan kosten. Het probleem wordt verergerd doordat niemand weet waar de clusterbommen precies gevallen zijn. Van de 108 maanden dat er gebombardeerd werd, is van achttien maanden de data incompleet en van acht maanden helemaal ‘verdwenen’. De bommen liggen dus overal en nergens. Een VN-onderzoek naar de leefomstandigheden van Lao-boeren vroeg of ze op vervuild land werken. “Natuurlijk, er is geen ander soort land te krijgen,” antwoordden ze. Ze weten wel dat het gevaarlijk is, maar ze moeten tenslotte overleven. De meest vervuilde gebieden zijn ook de armste districten van Laos; na decennialange verbouwing van steeds dezelfde akkers is de grond uitgeput, iets dat een negatieve uitwerking heeft op de oogst. Deze armoede dwingt sommige boeren om hun inkomen aan te vullen met het illegaal opsporen en verkopen van blindgangers. Ondanks het verbod is de opsporing, demontage en handel in blindgangers uitgegroeid tot een hardnekkige industrie.

Het is gewoon een soort oud metaal, denken veel boeren. Met behulp van goedkope Vietnamese metaaldetectors, waarvan de import intussen ook verboden is, trotseren velen voor vijftien cent per kilo het hoge risico op lichamelijk letsel.

“Clustersubmunitie is ontworpen om te doden, niet om te verminken zoals bijvoorbeeld landmijnen. Hierdoor zijn ze vele malen gevaarlijker dan de meeste andere oorlogsoverblijfselen,” vertelt Kingphet, terwijl hij op het veld zandzakken optilt om me de bommen te laten zien. Landmijnen komen ze gelukkig weinig tegen in Xieng Khouang. “Die liggen er wel, in de bergen en zo, maar we hebben gewoon geen geld om ze op te ruimen,” zegt hij terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegt. En ook al zoeken ze hier maar tot op een diepte van één meter, het blijft een arbeidsintensieve en tijdrovende operatie. Het kost 1800 dollar (zo’n 1300 euro) om een hectare landbouwgrond effectief van blindgangers te ontdoen – een klein fortuin voor de meeste Lao. Bij scholen of grote bouwprojecten moeten ze tot vier meter diep zoeken, een operatie die natuurlijk nog kostbaarder is. Alles wat nog dieper ligt, wordt minder riskant geacht en laten ze daarom liggen. Jaarlijks kosten de ruimingsactiviteiten 6,5 miljoen dollar (4,75 miljoen euro), waarvan het grootste gedeelte gedoneerd wordt. Hoofddonors zijn het UNDP (United Nations Development Programme), de Verenigde Staten, Japan, Zwitserland, Australië en Groot-Brittannië. En ondanks deze donaties komt UXO Lao maar nauwelijks rond. “Het is een humanitaire ramp die niet in het nieuws komt, en dus komt er maar weinig geld binnen.”


De VN rapporteert dat 95 procent van alle gedocumenteerde slachtoffers (inclusief die tijdens de oorlogsjaren) burgers zijn. Betrouwbare data over het aantal doden en gewonden bestaat echter niet. Op het platteland worden mensen die aan hun verwondingen bezwijken vaak meteen begraven en dus niet gemeld. Veel gewonden kunnen daarnaast niet naar een ziekenhuis gebracht worden omdat ze te afgelegen wonen. Desalniettemin schat Legacies of War, een hulporganisatie voor UXO-slachtoffers, dat er sinds het eind van de oorlog 34.000 doden zijn gevallen. In Xieng Khouang, een van de twee zwaarst getroffen provincies, ligt het dodental op gemiddeld twaalf per jaar. Het aantal gewonden is gemiddeld 34 per jaar. De overlevenden verliezen ledenmaten en ogen, hebben ernstige verbrandingen, zijn doof en raken vaak verlamd. Van alle mensen die overlijden of ernstig verminkt zijn, bestaat de helft uit kinderen. Dit wordt toegeschreven aan de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen en aan het feit dat sommige bombies felgeel of -oranje van kleur zijn en er soms als ballen of ander speelgoed uitzien.

Hoewel de meeste slachtoffers mannelijk zijn, zijn vrouwen geenszins veilig. Huishoudelijk werk zoals het verbranden van huisvuil kan ondergrondse bombies laten ontploffen door verhitting. Daarom stuurt UXO Lao teams van dorp tot dorp om mensen (en met name kinderen) bekend te maken met de gevaren van oorlogsrestanten. Aan de hand van een poppenshow leren ze de bevolking wat ze moeten doen als ze een bom tegenkomen en hoe ze het gevaar kunnen herkennen. In de veertien jaar dat ze dit doen, hebben ze meer dan zevenduizend dorpen bezocht en meer dan twee miljoen mensen bereikt. In het laatste decennium is het aantal slachtoffers in de meeste provincies dalend.


Tegen het middaguur is het aantal zandzakken flink gegroeid. Elk opgespoord stuk wordt voorzien van een vettig blok Russische TNT terwijl een netwerk van kabels wordt gelegd om alle ladingen tegelijk te kunnen ontsteken. De mensen die aan de rand van het veld wonen, moeten worden geëvacueerd. Een paar mineurs rennen achter buffels aan om ze van het mijnenveld te verjagen. In het Lao wordt door een krakende megafoon geschreeuwd dat iedereen zich het komende kwartier beter uit de weg kan maken. “Dat werkt hier een stuk beter dan in Somalië,” vertelt Roman. “In dat soort landen worden ze nieuwsgierig als ze een megafoon horen en komen ze er juist op af.”

Veel van de internationale experts die voor UXO Lao werken hebben jaren ervaring in andere ernstig vervuilde gebieden, zoals Afghanistan en Eritrea. UXO Lao werkt samen met organisaties en soldaten van verschillende landen die zich specialiseren in het opruimen van blindgangers en landmijnen. Voordat UXO Lao gevormd werd, werd ontmijning in Laos nog gedaan door het Britse MAG International, dat ook Phonsavan’s toeristenattractie ‘Plain of Jars’ van blindgangers ontdaan heeft. MAG International werkt nog steeds in Laos, maar op kleinere schaal en in coöperatie met UXO Lao.

Sinds 2008 zijn in Xieng Kouang experts van de Japan Mine Action Service (JMAS) te gast, drie goedlachse heren in piekfijne uniformen. Andere landen bieden hun knowhow aan in andere provincies: Britten, Zwitsers, Australiërs. Met hun hulp leiden ze twee keer per jaar lokale ontmijningsteams op.


Ik moet het ter plekke leren: een man met een vlassig snorretje geeft me een groen plastic blok met twee knoppen erop. De teamleider demonstreert het apparaat en begint met aftellen. Druk de knoppen tegelijk in en meteen is de schokgolf voelbaar, nog voordat het oorverdovende kabaal ons bereikt. Dikke zwarte rookpluimen stijgen op terwijl vodden van zandzakken naar beneden zeilen. De mannen en vrouwen kruipen onder de schaduw van de vrachtwagen vandaan, en beginnen weer met werken terwijl mijn oren nog steeds piepen. Een van de Japanners brengt me naar een krater en graaft wat fragmenten uit. Hij drukt de verwrongen brokjes staal en kogellagerballetjes in mijn hand. “Souveniertje,” lacht hij breed.

Op 1 augustus 2010 is de internationale Convention on Cluster Munitions ingegaan. Deze conventie verbiedt de tekenende landen het gebruik, de productie, de opslag en de overdracht van clusterbommen. In februari 2010 hebben 106 landen het verdrag geratificeerd. De Verenigde Staten zijn een van de weinigen die niet meedoen. In 2001 zetten zij nog een kwart miljoen bombies in in Afghanistan, en in 2003 bijna twee miljoen stuks in Irak. De starre houding van de VS in dit thema ervaren veel Lao als beledigend. Boven de stoffige straten van Phonsavan brommen de hele dag helikopters. “Dat zijn de Amerikanen, op zoek naar vermiste piloten van de oorlog,” zegt Roman met een cynische blik. Er wordt meer geld uitgegeven aan het zoeken van mensen die in alle waarschijnlijkheid allang dood zijn, dan aan het redden van mensen die nog te redden zijn. Hij zucht en drinkt een slok van zijn cola. De VS vinden echter dat ze meer dan genoeg doen om de bombies op te ruimen, want met een gemiddelde donatie van vier miljoen dollar (2,9 miljoen euro) per jaar zijn ze hoofdsponsor van het opruimingsprogramma. Het leggen van al die bommen was echter een stuk prijziger: tijdens de oorlog spendeerden ze negen jaar lang elke dag 17 miljoen dollar (in hedendaagse wisselkoersen 12,5 miljoen euro) aan bombardementen in Laos.


Nu, veertien jaar opruimingsactiviteiten en 56 miljoen dollar (41 miljoen euro) later, hebben de Lao 446.711 submunities opgeruimd, oftewel 0,57 procent van het totaal. In dit tempo zal pas over 2444 jaar de laatste bombie verwijderd worden.

import reportage