Dagboek van een bejaardenbroeder (deel 2)

‘Kleinschalig wonen’ en ‘zorgzwaartepaketten’ zijn de nieuwe toverformules die demente bejaarden een humane behandeling moeten garanderen. Maar wat komt er in de praktijk van terecht? Deel 2 van een tweeluik. ‘Als ze allemaal maar liggen en hun pillen hebben gehad.’

“Eigenlijk vind ik dit niet kunnen,” zegt de vrouw van een bewoner in de keuken terwijl ze me wijst waar het brood staat. Ik ben dolbij dat ze er is, want het scheelt me veel tijd bij het zoeken naar allerlei spullen. “Gisteren was er ook al iemand voor het eerst die niets kon vinden,” zegt ze. “Helemaal alleen, dat is toch onverantwoord.”

Vanavond werk ik in de Oranjehof, een gloednieuw gebouw in Rotterdam-Zuid. Ik draai mijn allereerste avonddienst in deze instelling voor kleinschalig wonen, een populaire woonvorm die de zorg voor demente ouderen voor alle partijen niet alleen beter maar ook leuker moet maken.
Ik had me erop verheugd. Bij kleinschalig wonen begeleid je een kleine groep mensen: je kookt met ze, doet samen de was, helpt ze terloops onder de douche en brengt ze naar bed, eigenlijk zoals ze dat thuis zelf zouden doen. Omdat de groep niet zo groot is, heb je alle tijd en aandacht om ze een plezierige avond te bezorgen. En ik had gehoord dat je in de Oranjehof met z’n tweeën werkt, zodat er altijd iemand een oogje in het zeil kan houden. Kleinschalig wonen leek een verademing na de andere tehuizen.
Maar bij binnenkomst hoor ik dat ik me alleen moet zien te redden met een groep van negen zwaar demente bejaarden. Niet omdat mijn collega ziek is, nee: dit is de dagelijkse gang van zaken. Er is een lijst met wat ik op welke tijden moet doen. Tijd om de dossiers van de bewoners te lezen, heb ik niet. Ik moet ze medicijnen en avondeten geven, een aantal bewoners douchen en er zoveel mogelijk naar bed brengen voor mijn dienst erop zit.

Lynne*, een tengere collega die de taal van de straat beheerst, heeft dagdienst gehad en geeft me voor ze vertrekt nog een korte instructie. “Het gaat allemaal goedkomen, schat. Je doet gewoon alsof je thuis bent en als iets niet kunt vinden, trek je gewoon alle kasten open. Als ik jou was, zou vroeg beginnen met de pillen op de andere afdeling, want Nel mag die zelf niet uitdelen. En dan ga je hier de tafel dekken. Je weet toch…”
Dat wist ik niet: ik moet dus ook nog op de aangrenzende afdeling medicijnen uitdelen, omdat collega Nel daar niet de juiste diploma’s voor heeft.
“Reageren de bewoners wel op hun naam?” vraag ik.
“Nee.”
“Hoe weet ik dan wie ik welke medicijnen moet geven?”
“O, ze hebben allemaal hun eigen kleding aan.”
De naam van de bewoners staat in het label van hun hemd, blouse, trui of vest. Met andere woorden: eerst even in de kraag gluren voor ik iemand pillen geef.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Ivo van Woerden