Oorverdovend!

Een stel jongeren verzamelt zich voor muziekcentrum Willemeen in Arnhem. De leren jassen met badges, strakke spijkerbroeken en lange haren duiden op liefhebbers van het stevige werk. Toch is dit niet zomaar een hardrockconcert, zo blijkt uit de manier waarop de bezoekers communiceren. Dit is Deaf Metal.

OORDOPJES???Dat vind ik een belediging, met zo’n vijfendertig jaar hardrock- en heavymetalervaring achter de oren. Ik bedoel: ik ben een van de veteranen van het legendarische Venom-concert in Paradiso, waar de rij Marshall-versterkers al halverwege de zaal begon. Ik laat sinds begin jaren tachtig regelmatig mijn haar föhnen bij Motörhead. Ik heb lekker geleund tegen de muur van geluid die Fear Factory optrok, heb vliegles gehad door de luchtverplaatsingen van Slayer en mijn trommelvliezen zijn meer dan eens opgerekt dankzij gerenommeerde decibellenbrakers als Napalm Death, Morbid Angel en het goeie ouwe AC/DC. En dan zou ik nu ineens óórdopjes nodig hebben???

“Het wordt echt heel hard, hoor,” zegt het meisje dat me de geluiddempertjes aanreikt – en haar innemende glimlach zou bij elk ander verzoek voldoende zijn om me overstag te laten gaan. Maar oordopjes bij een metalconcert, dat is echt m’n eer te na.

“Oké dan,” lacht het meisje nogmaals. “Op zich zijn we ook wel voor het vergroten van de doelgroep.”

En dat is even schrikken!

Want het meisje in kwestie, Hanneke de Raaff, is in het dagelijks leven gediplomeerd doventolk.

Haar kwinkslag heeft dus een oprechte ondertoon en ik zal terdege in m’n oren moeten knopen dat het vanavond serieuze shit wordt, qua volume. Hanneke, haar publicitaire rechterhand Marlène Huis in ’t Veld en Harry Holzhauer (artiestennaam Bastard), brulboei/gitarist van deathcoreband KYU, zitten in de catacomben van jongerencentrum Willemeen te Arnhem en laven zich nog even aan de spreekwoordelijke stilte voor de storm. Gedrieën vormen ze de organisatie van de allereerste editie van Deaf Metal, een metalfestival voor doven en slechthorenden.


WÁT ZEGT U???

Een metalfestival voor doven, inderdaad. Een avond waarop gehoorgestoorden bijeenkomen om muziek te voelen. Waarbij dat laatste woord een indicatie is voor het onmenselijke volume dat de optredende bands zullen gaan afscheiden.

Als extra service voor degenen die al doof binnenkomen, zal aan de zijkant van het podium een doventolk staan om de teksten te visualiseren. Waarmee de doven in één klap een voorsprong hebben. Immers: geen enkele ‘normale’ concertbezoeker is in staat om erachter te komen wat een black-, death- of thrashmetalzanger te melden heeft.

Terug naar de catacomben. Terug naar Hanneke, wier enthousiasme aanstekelijker is dan een griepvirus. “Het idee om muziek in gebaren te vertalen is niet nieuw,” bekent ze. “Het gebeurde al met mainstream…” “…Maar dat is veel saaier om te voelen,” vult Bastard aan, spelend met zijn Catweazle-sik. “Al die simpele vierkwartsmaten. In metal zitten tenminste heel veel complexe tempowisselingen.”

“Daar kun je dus wat mee, als tolk,” gaat Hanneke verder. “Het is daardoor ook een enorme uitdaging. Al die verschillende ritmes: hoe vertaal ik dat in mijn lichaam? Maar dat is niet eens het moeilijkste. Het lastigste is de betekenis van de teksten. Wat bedoelt de tekstschrijver? The end of the story is bijvoorbeeld een heel moeilijke passage. Want je moet ‘m niet letterlijk vertalen, maar interpreteren. En daarom moet je ook de context begrijpen. Vermoeiend? Nogal, ja. Je moet heel geconcentreerd te werk gaan, heel snel de vertaalslag maken en die vertaalde tekst dan ook nog eens à la minute in bewegingen vatten. Daarom doe ik het ook niet in m’n eentje, maar zijn er vanavond meer tolken aanwezig. Anders is het niet vol te houden.”


En terwijl Bastard zich uit de voeten maakt om zijn gitaar te gaan stemmen, waagt Hanneke zich aan een stoomcursus gebarentaal. “Je gebruikt je visuele vlak,” zegt ze, “en in die ruimte plaats je dingen die je later weer kunt oppakken. Of weggooien.”

Ik kijk haar aan als een walvis die ineens een zebra ontwaart.

“Ach, je moet het zien!” zegt ze.

“Als mensen doof worden van onze muziek,” heeft Lemmy, het bassende wrattenzwijn van Motörhead, eens gezegd, “dan zijn wij tenminste de laatste band die ze ooit hebben gehoord.” Ik moet daar aan denken als ik me oordoploos een weg kap door de verstikkende jungle van lawaai waarmee het zaaltje van Willemeen in no time is dichtgegroeid. Verantwoordelijk hiervoor is IZAH, de eerste act op de eerste editie van het Deaf Metal Festival. Al binnen een paar tellen heb ik het pijnlijke gevoel alsof ik in beide oren een cocktailprikker heb zitten en mocht ik hierheen zijn gekomen met loszittende vullingen, dan kon ik die binnen afzienbare tijd uitspuwen. IZAH speelt namelijk niet gewoon hard, IZAH speelt Godallefokkingjezus Hard. Vergeleken bij IZAH is Black Sabbath een lounge-combo. De bak ondefinieerbare herrie die IZAH vanaf het podium de zaal in schept, moet een feest der herkenning zijn voor mensen die het bombardement van Dresden hebben overleefd. IZAH, volgens de biografie ‘hailing from the depths of Tilburg’, produceert naar eigen zeggen ‘a dark and melancholic mix of heavy riffing, dynamic sound layering and chaotic drum battering’. In praktijk komt het erop neer dat vier (!) gitaristen hun instrumenten gebruiken zoals een Oudhollandse huisvrouw een wasbord en dat die – met alle respect – tyfusherrie wordt voortgestuwd door de oprispingen van twee op keyboards rammende geestverwanten plus een drummer die op de eerste plaats zijn kit en op de tweede plaats zijn publiek pijn wil doen. En ergens ver op de achtergrond klinkt onafgebroken klokgebeier, waarbij ik maar hoop dat het door de mannen van IZAH wordt geproduceerd. Zo niet, dan ben ik daadwerkelijk krankzinnig aan het worden.


En dan staat er aan de zijkant dus inderdaad iemand die het “WHOAAARGH!!!”, “GROOOWL!!!” en “DUUUHRRR!!!” van de zanger in gebaren weet te vertalen. Respect!

Gelet op het ritmisch bewegen der nekwervels weet het dovenpubliek de sonische aanval van IZAH op waarde te schatten. Zanger Entius spuwt onafgebroken schilfertjes keelamandel de zaal in (dít is pas een schreeuw om cultuur!) en zijn kompanen blijven met nimmer aflatend enthousiasme danwel dodelijk toegewijde ernst hun instrumentarium mishandelen, in een song die nu al zo’n twintig minuten aan de gang is. Ter verhoging van de feestvreugde wordt het podium ook nog beklommen door een danseres in een akelig kort jurkje, die op esthetische wijze haar benen spreidt. Naast gebarentaal dus ook liplezen op het Deaf Metal Festival. “HET STOND WEL HARDER DAN ANDERS, JA!” zegt Maaike, de vriendin van Bastard, als ik in de coulissen van Willemeen een welverdiend flesje bier soldaat maak. “TOEN DE JONGENS VAN KYU BINNEN KWAMEN, HADDEN ZE ECHT ZOIETS VAN: WAUW, DÁT IS HARD!”

KYU is de groep van Bastard en de heren hebben een missie, lezen we in hun biografie. “Their goal is to be harder, more brutal, meaner, but above all sicker than all the music they ever played before.” KYU’s muziek heeft ‘elements of mathcore, death metal and hardcore, drenched in plenty of groove’. Hun drijfveren? “KYU’s music is driven by disappointment, rage, hate and frustration, blended together by a healthy dose of violence. It will rip the flesh from your bones.”

Het belooft, kortom, een gezellig half uurtje te worden.

Bastard en kornuiten klappen er meteen lekker op, met Cathedral-achtige doommetal afgewisseld met riffs uit de catalogus van Sepultura. Dat duurt zo’n anderhalve minuut. Daarna begint het grote hakken en zagen.


Terwijl Bastard vanuit zijn strot de verf van de muren probeert te blazen, staat links van hem (voor de kijker rechts) een meisje te dansen. En ineens moet ik aan Hawkwind denken, de legendarische spacerockformatie die begin jaren zeventig Stacia in de gelederen had. Stacia was een volumineuze Ierse boerenmeid met borsten als skippyballen en de baard van Chriet Titulaer tussen haar benen. Stacia was ooit op het podium geklommen om al dan niet ritmisch te bewegen op nummers als Brainstorm en Space is Deep, en dat hadden de bandleden maar zo gelaten – temeer daar ze haar improvisaties spiernaakt uitvoerde.

Het meisje dat bij KYU op de bühne staat, houdt haar kleren aan. En in tegenstelling tot Stacia doet ze ook niet zomaar wat. Nee, wie door de dansbewegingen heen kijkt, ziet dat ze een serieus potje gebarentaal ten beste geeft, daarmee duidelijk makend dat een doventolk best wat energieker kan bewegen dan dat kaboutervrouwtje onderin bij het Journaal voor gehoorgestoorden ons wil laten geloven. Terwijl KYU voortdendert als een sneltrein op een kopstation, vlecht de swingende doventolk het ene suggestieve gebaar aan het andere, zoals bijvoorbeeld het roeren in een enorme pan macaroni. Gevolgd door het aanleggen van een pijl en boog. En het tappen van een goed glas bier. Het schuiven van een brief in een brievenbus. Het dragen van een zware boodschappentas. En tenslotte iets dat je niet anders kunt omschrijven dan behang van de muur krabben.

Dit nummer heette Backstab, laat de bassist van KYU weten. Dat hadden de goedhorenden er nooit uitgehaald.

Vervolgens is het de beurt aan Hanneke om een compositie te vertalen. Ze doet daartoe achtereenvolgens alsof ze onder de douche staat, het verkeer regelt, een deur opent in een pantomimestuk, een flesje bier achterover slaat, de tuin aanharkt met haar nagels, een homerun slaat, gordijnen ophangt, met een kano door de Ardennen vaart, langlauft op een overdosis amfetaminen en op de muren bonkt omdat de buren een cd van KYU op hebben staan.


“BIJ KYU IS HET VAAK ZO DAT DE TITEL NIETS MET DE TEKST VAN HET NUMMER TE MAKEN HEEFT!” zegt Maaike als ik backstage mijn oren uitwring.

“HET GING WEL GOED, GELOOF IK!” vult Hanneke aan. “IK HAD ALLEEN PER ONGELUK TWEE ZINNETJES OMGEDRAAID. MAAR IK GELOOF NIET DAT IEMAND DAT HEEFT GEMERKT!”

Het niet murw te beuken publiek wordt daarna om de niet functionerende oren geslagen met de compositie Shockwave. Voor de vertaling meldt zich Dido, de bevallige verschijning die aan Hanneke voorafging en die een onuitputtelijk arsenaal aan bewegingen in huis heeft. Staand vanuit de zaal zie ik haar op een alpenhoorn blazen, met een kangoeroe boksen, een dienblad met tien glazen limonade uitserveren, tandenpoetsen met een bezemsteel, brood voeren aan de eendjes, haar vingers verbranden aan een pan met kokend water, lange zijden handschoenen aantrekken, inwendig onderzoek plegen bij een koe, een draaiorgel bedienen, de dop van een melkfles indrukken, een bonk ronddraaiend shoarmavlees aansnijden, een hotelbed opmaken…

En dan word ik op m’n schouder getikt door een dove bezoeker. Of ik even opzij wil gaan.

Hij kan het niet goed verstaan.

Michiel Blijboom