Stinkende noodverbanden

‘De Amerikanen zijn de weg kwijt,” brieste de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, nadat de Federal Reserve beginnovember besloten had om 600 miljard dollar extra in de economie te pompen. Ze doen maar wat, je komt niet uit een schuldencrisis door nog meer schuld te maken en de geldpers aan te zetten. Duitsers hebben daar slechte ervaringen mee. Ook Alan Greenspan, tussen 1987 en 2006 als baas van de Fed nooit te beroerd om de rente laag te houden, gaf blijk van zijn ongerustheid dat er een nieuwe luchtbel wordt gecreëerd. Dat wekt niet echt vertrouwen.

Maar vervolgens lees je dat General Motors, dat anderhalf jaar geleden met miljardenkredieten door de Amerikaanse overheid van de ondergang werd gered, weer winst maakt en zich voorbereidt op de grootste beursgang in de geschiedenis. Dat kan niet slecht zijn. Ook daar zitten echter adders onder het gras. GM gaat nog steeds gebukt onder enorme pensioenverplichtingen, terwijl Opel, dat na maandenlang touwtrekken met de Duitse overheid uiteindelijk toch in Amerikaanse handen bleef, nog steeds verliesgevend is. Investeerders lopen het risico van een kat in de zak, tenzij ze erop speculeren straks opnieuw door de politiek uit de brand te worden geholpen. En mochten alle overheidsinterventies ten gunste van GM succesvol blijken, dan zet dat de deur wagenwijd open voor andere bedrijven in nood die eveneens om steun zullen vragen. Waarom GM wel en zij niet? Dat stelt de hele Amerikaanse manier van zaken doen en het geloof in de vrije markt ter discussie. Dat weerhield Warren Buffett, de grootste beurshandelaar op Wall Street, er overigens niet van zijn dank uit te spreken aan Uncle Sam, die dankzij het gedurfde en resolute optreden van de monetaire autoriteiten Ben Bernanke, Hank Paulson, Timothy Geithner en Sheila Bair twee jaar geleden een totale meltdown zou hebben voorkomen. Buffett betrok zelfs George W. Bush en het Amerikaanse Congres in zijn bedankjes.

Sinds de beurskrach van 2008 is de verhouding tussenpolitiek en economie een onontwarbare kluwen. Wie het nog begrijpt, mag het zeggen. De ‘Washington-consensus’ die vanaf de jaren tachtig tot 2008 heeft bestaan, waarbij nationale staten werden opgeroepen hun begrotingen op orde te brengen en hun economieën aan te passen aan de wereldmarkt, heeft geen grond meer onder de voeten, en er is niets voor in de plaats gekomen. Op papier is het gewicht van overheden geweldig toegenomen, wat tot uiting komt in sterk opgelopen staatsschulden, maar dat heeft niet geleid tot betere politieke sturing. De laatste bijeenkomst van de G20 in Seoul liep op een mislukking uit, en de wereld maakt zich op voor valuta-oorlogen, waarbij de dollar en de euro eerder in zwakte dan in sterkte met elkaar concurreren.


Dat duidt op een neergang van het Westen als geheel. Iedereen is het erover eens dat Aziatische reuzen als China en India in opkomst zijn, maar wat die verschuiving te maken heeft met de krach van 2008 – die zijn oorsprong vond in een vlekje op de Amerikaanse huizenmarkt – blijft duister. Het Amerikaanse model heeft aan geloofwaardigheid ingeboet, maar dat de economische wijsheid tegenwoordig uit het Oosten komt, gaat een stap te ver. In Azië viert het staatskapitalisme hoogtij en wordt er veel harder gewerkt dan in het Westen, maar of de Chinese partijtijgers hun onstuimige groeimodel in de hand hebben, mag worden betwijfeld. Tegelijk wankelt de eurozone, die in 2008 even de toekomst dacht te hebben, van crisis naar crisis.

Het heeft iets absurds om politici verklaringen over de wereldeconomie te horen afleggen, terwijl ze geen enkele controle hebben op de krachten die daar werkzaam zijn. Hier kan ik meevoelen met de Duitse minister Schäuble. De Amerikanen leken zich lange tijd aan de wetten van de vrije markt te kunnen onttrekken door – mede dankzij het rentebeleid van Greenspan – onbeperkt consumptief krediet op te nemen. De rekening kwam in 2008, maar het lijkt erop dat de Amerikaanse beleidsmakers die nieuwe realiteit niet willen aanvaarden en onder Barack Obama met zijn dure zorgplannen zelfs doelbewust ontkennen. Amerika doet nog steeds alsof het de wereldmarkt met zijn miljardeninjecties kan aanjagen, terwijl de nieuwe luchtbellen die zo worden gecreëerd een duurzaam herstel van de wereldeconomie eerder bedreigen. De Amerikaanse monetaire autoriteiten mogen twee jaar geleden met succes noodverbanden hebben aangelegd, nadat de situatie hun eerst volledig boven het hoofd was gegroeid, maar die gaan stinken als zij te lang blijven zitten. Pijnlijk dat juist de Duitsers, die na 1945 historisch en monetair leergeld hebben betaald, hun Amerikaanse beschermheren daarop moeten wijzen.

import dirk jan van baar