Vuilnis-city FC

Op 2 december speelt FC Utrecht tegen de trots van Europa’s vuilnisstad nummer één: SSC Napoli. Bericht uit de voetbalgekke stad van Maradona, en een beetje van Ruud Krol. ‘Ik gun het die Napolitanen zo, man!’

In Napels is altijd verkeer. 24 uur per dag. Je kunt niet tot tien tellen zonder dat er een automobilist doorheen toetert. Behalve op zondagmiddag tussen drie en vijf. Dat zijn de enige twee uren in de week dat het rustig is op straat. Dan voetbalt Napoli.

De mannen zitten voor de tv. De vrouwen staan in de keuken en bereiden het zondagmiddagmaal, voor na de wedstrijd. In Napels zie je overal jongetjes die op hun idolen lijken. Bijvoorbeeld op de Slowaak Hamsik, Napoli’s eigen David Beckham. Hij heeft een weekabonnement bij de kapper. De laatste weken draagt hij een mohawk: aan de zijkanten opgeschoren en in het midden een soort hanenkam. Dus zie je op straat steeds meer pubers met hetzelfde kapsel. Ook lopen er evenbeelden rond van de Argentijnse ster Ezequiel Lavezzi rond. Jongetjes van hooguit veertien voetballen op straat in compleet Napoli-tenue, inclusief dezelfde voetbalschoenen waarop Lavezzi voetbalt. Ze hebben lang haar dat precies zo zit als bij Lavezzi, met dezelfde slag erin. En ze dragen een getatoeëerd sterretje in hun nek, net als Lavezzi. Er zijn nu ook jongetjes die een blokjesbeugel nemen om op Edison Cavani te lijken. Deze Uruguayaanse topscorer heeft dat namelijk ook.

De historische binnenstad van Napels wemelt van kleine keldertjes en kantines waar mannetjes aan scooters, stoelen en schilderijlijsten sleutelen, schuren en schaven, en in al die werkplaatsen hangen oude, vergeelde posters aan de muur van SSC Napoli, opgericht in 1926. Meestal is er ook een poster van Maradona, die hier heilig is, van wat sterren van vandaag de dag, plus een elftalfoto. Hele pizzeria’s en ijscowinkels zijn behangen met foto’s waarop iemand, meestal de eigenaar, geportretteerd staat met een voetballer. Daar houden ze hier nogal van, van dingen aan de muur die verwijzen naar hun ‘bella Napoli’. Het liefst met zichzelf erbij, naast hun helden.


Het moge duidelijk zijn: men is hier gek van voetbal. In een stad die in de greep wordt gehouden door corruptie, maffia en werkloosheid is de wedstrijd een van de schaarse momenten waarop alle narigheid even vergeten mag worden. Wie Napels zegt, zegt misschien als vanzelf: vuilniszakken. Maar de enige juiste pavlovreactie is eigenlijk: Maradona. De muren in de stad zijn volgeverfd met afbeeldingen van hem. Er zijn ook nogal wat jongens die Diego heten, eind jaren tachtig geboren, toen Maradona hier speelde. En in Parco Capodimonte roepen op zaterdagmiddag wel twintig baasjes tegelijk hun hond: “Diego!” Tijdens het afgelopen WK treurden de Napolitanen geen seconde om de uitschakeling van Italië. Ze stapten moeiteloos over naar Argentinië, het land van El Pibe.

Een korte geschiedenisles. Want waaróm is Maradona eigenlijk zo populair in Napels? Niet alleen omdat hij stervensgoed kon voetballen. Maradona wist te bewerkstelligen wat geen enkele club in het zuiden van Italië ooit was gelukt – en ook sindsdien niet meer. Door hem, en alleen door hem, won Napoli de scudetto: Napoli werd kampioen van Italië. Tweemaal zelfs. In 1989 won Napoli ook nog eens de UEFA-cup. En in 1990 kwam misschien wel het grootste succes: in de Italiaanse bekercompetitie versloeg Napoli het gehate Juventus met niet minder dan 5 tegen 1.

Juventus is de steenrijke club uit het noordelijke Turijn, de club van de rijkste familie van Italië, de familie Agnelli, de bazen van Fiat. Er woonden nogal wat Napolitanen in het noorden. Gemigreerd, op zoek naar werk, naar een beter bestaan. Want Napels stond in de jaren tachtig te boek als een poel van verderf, als een chaotische, criminele en gevaarlijke stad. De Napolitanen werden dan ook buiten hun woonplaats met de nek aangekeken. Maar op 10 mei 1987 konden de Napolitaanse arbeiders in de Fiatfabrieken, en waar ook ter wereld, eindelijk hun Napoli-sjaaltje trots om hun nek knopen. Ze hebben het jarenlang niet meer afgedaan. Grazie Maradona!


Bij Bar Nilo in de Via San Biagio dei Librai hebben ze een altaartje voor Pluisje ingericht, met achter plexiglas een haarlok van Maradona. Toeristen die een foto van het altaartje maken, kunnen er niet onderuit om daarna een kopje koffie in de bar te drinken. De eigenaar bezweert dat de lok origineel is. Bemachtigd door een vriend die achter Maradona in het vliegtuig had gezeten.

Er is trouwens nóg een voetballer die opvallend vaak present is in Napels. Eerlijk is eerlijk: muurschilderingen zijn er niet aan hem gewijd. Dan had hij de club kampioen moeten maken. Maar hij staat op posters naast de spiegel bij de kapper, of op een foto aan de muur boven de kisten courgettes en tomaten bij de groenteboer. Ruud Krol. In een blauw Napoli-shirtje. Krol is de enige Nederlander die ooit het azzurro om zijn schouders had. Hij scoorde slecht één keer in de vier seizoenen die hij hier speelde. Maar hij onderscheidde zich op andere wijze: met zijn allesbeslissende eindpass zette hij honderden keren de spitsen vrij voor de keeper. Het maakte hem immens populair in de stad. Niet zo populair als Maradona, want dat kan niet, maar geliefd genoeg om ruim 25 jaar na dato nog maandelijks gebeld te worden door de Napolitaanse radiozender Kiss Kiss. De zender vraagt hem naar zijn overpeinzingen over Napoli en de staat van het Italiaanse voetbal. En het eindigt steevast met de volgende vraag: “Rudy, wanneer kom je terug en wil je dan onze trainer worden?” Krol antwoordt dan dat hij daar wel oren naar heeft. “Ja! Nou en of! Ik pas goed in de cultuur. Ik ben iemand die zich goed kan inleven in de cultuur van andere volkeren. In het begin vond ik het wel vreemd dat die mannen me kusten, maar later vond ik hetheel normaal.”


Voor de jonge lezers: Ruud Krol was op Johan Cruijff na misschien wel de beste voetballer die Nederland ooit heeft gekend. Aan het einde van zijn carrière wilde hij weg bij Ajax, waarmee hij zes keer landskampioen werd, drie keer de Europacup en een keer de wereldbeker won. Hij verloor twee WK-finales met Oranje. Even leek het erop dat hij zijn carrière in stilte zou afsluiten bij het Canadese Vancouver Whitecaps. “En toen kwam Napels eind augustus op de proppen. Die kwamen naar Vancouver, en die hebben me toen gehuurd. Fantastisch,” zegt hij met onvervalst Amsterdams accent. “Een fantastische kleur, dat blauw van dat shirt. Ik heb in Napels mijn mooiste jaren gehad. Ik mis het nog steeds.”

Niet zelden vertellen Napolitanen van boven de veertig dat ze in de jaren dat Krol bij Napoli voetbalde met busladingen vol naar de training gingen kijken. Na de training oefende Krol dan nog op de lange trap. Hij had wel honderd ballen voor zich liggen en die schoot hij een voor een weg, panklaar op de borst van iemand aan de andere kant van het veld. “Dat was zo, ja,” bevestigt Krol vanuit Johannesburg, waar hij momenteel trainer is van de Orlando Pirates. “Het was altijd druk bij de trainingen. Om automatisme te krijgen, bleef ik met twee, drie spelers een beetje de lange trap oefenen. Vonden ze prachtig.”

Tip: als je in Napels voor nop wil eten, begin dan over Krol. Gewoon zijn naam laten vallen. Een beetje pizzaboer biedt je zijn pizza gratis aan. Of toch ieder geval een gratis glaasje Limoncello na het diner. Men koestert hier zijn helden. “Waar eet jij eigenlijk? Eet je weleens bij Ciro in Mergellina? Lekker man! En in het haventje, eet je daar weleens? Downtown, bij die vissersbootjes. Ja, ja… die ommuurde burcht ja. Daar zitten een paar leuke restaurantjes. Maar goed… mijn tijd bij Napoli…”


Overweldigend noemt Krol de liefde van de Napolitanen voor hun club, en voor hun spelers. Dat was wel even wennen voor de nuchtere Amsterdammer. Krol krijgt het er nog steeds benauwd van. “Die mensen kenden geen jaloezie. Niks. Niets van dat. Ze vereerden je.” Een paar jaar voor zijn overstap naar Napoli was Krol al weleens in Napels geweest, voor een EK. “We zaten met het Nederlands Elftal een stukje buiten Napels in een hotel. Met de bus kwamen we door de stad heen, maar ik wist niet dat het zó zou zijn.” Hoe dan? “Een gekkenhuis. Het was gewoon een gekkenhuis!”

Zijn ontvangst in de stad was al net zo enthousiast. “Op de dag dat ik gepresenteerd werd, speelde we uit tegen Olbia. Ik had een reis gemaakt van 38 uur, vanuit Amerika. Ik kwam rechtstreeks uit het vliegtuig en speelde een uurtje. Het ging behoorlijk, niet supersuper. Ik gaf twee kegels op de lat, en eentje op de paal. En ik gaf een paar goeie passen. De volgende dag ging ik effe de stad in. In het begin probeerde ik toch nuchter te blijven. Effe kijken hoe dat binnenstadje eruit zag. Ik moest uiteindelijk worden ontzet door de politie. De mensen bleven maar kommen, weet je. In het begin was het een kluitje. Ik die handen schudden en handtekeningen zetten. Maar het werden er zoveel. Ik kwam er gewoon niet meer uit.”

Er waren ook momenten dat Krol zich door die onomwonden liefde, die overgave, ongemakkelijk voelde. Napels is een arme stad. Het werkloosheidscijfer schommelt tussen de dertig en veertig procent. In Krols tijd was dat niet anders. De stad kent volksbuurten waar mensen in huizen wonen die na de zware aardbeving van 1980 nooit meer helemaal zijn opgebouwd. Het zijn de wijken waar jongens op scooters de Rolexen naartoe brengen die van toeristen jatten om ze daarna aan andere toeristen door te verkopen. Kruimelbusiness. Survival of the fittest. Harry Vermeegen, de sportjournalist van weleer, nam Krol voor een tv-reportage mee naar zo’n wijk. Met draaiende camera liepen ze de buurt in. Krol: “Dat kon dus echt niet zo, onaangekondigd. In die straat zat een supportersclub, en die namen me dat heel erg kwalijk. Ze hadden niks om me te geven. Ik moest beloven de week daarop terug te komen. Dat heb ik gedaan. Ik kreeg twaalf flessen wijn van ze, een gouden medaille, voor minimaal twee maanden pasta, kaas – dat soort dingen.” Hij voelde zich opgelaten dat mensen die het niet breed hadden zo’n ‘vorstelijk betaalde’ voetballer als hij met geschenken overlaadden. “Dat arme volk, dat woonde met z’n dertienen in een klein huissie. En dat ze mij dan juist al die dingen gaven… ik voelde me daar niet happy bij. Het enige wat ik kon terugdoen was zo goed mogelijk presteren op dat veld in het San Paolo.”


Wie er moet winnen op 2 december? “Napels moet winnen, hoor. Dat zeg ik eerlijk. Ik heb niks met Utrecht. Ik heb er vaak tegen gevoetbald. Da’s alles. Ik gun het die Napolitanen zo, man!”

Stadio San Paolo, 25 oktober. Voor het begin van de wedstrijd Napoli-AC Milan staat Alberto Lombardo te wachten bij de persingang. Lombardo is een typische Napolitaan: zonnebankbruin, spierwitte tanden en een gulle lach. “Alberto Lombardo, giornalista freelance” staat er op zijn visitekaartje. De inkt is nog nat. Hij heeft zijn visitekaartjes zelf geprint en uitgeknipt, dat zie je zo. Nog scheef ook.

“Zeg, kun jij niet doen of ik jouw assistent ben?” stelt hij voor. Ach, waarom ook niet. Napolitanen doen alles om bij hun idolen in de buurt te komen. Zelfs beroepen verzinnen.

Na de wedstrijd weet diezelfde Alberto zich geen raad als we in de spelerstunnel terecht komen. Aantekeningen heeft hij niet gemaakt. Hij is zo blij als een kind en duwt me een fototoestel in mijn handen. Wat volgt, is een foto-sessie van anderhalf uur. Natuurlijk heeft Alberto nooit een artikel over de wedstrijd geschreven. Maar zijn Facebook-prikbord staat vol met foto’s van hemzelf met keeper De Sanctis. Met Cavani. Met Hamsik. Met de trainer. Tot en met de allerallerlaatste die de kleedkamer uit kwam: de reservefysiotherapeut.

Nu mailt hij me continu. Zo hoopt hij kaartjes te regelen voor de wedstrijd tegen Utrecht. Hij wil weer op de perstribune zitten. En de kleedkamers in kunnen. Hij wil erbij zijn als Napoli verder gaat in Europa.

Hij informeert welke beelden er de afgelopen tien jaar van ‘mijn geliefde Napoli’ op de Nederlandse tv zijn geweest. “Laat me raden: afval, Camorra en nog meer afval. Altijd hetzelfde liedje. Het is tijd dat we weer eens positief in het nieuws komen. Onze stad heeft dat nodig. “


Napels heeft dringend behoefte aan nieuwe helden. Aan nieuwe posters. En wie weet aan nieuwe haarlokken om kapelletjes omheen te bouwen. In ieder geval even geen vuilnishopen meer. Allesbehalve dat.

Ralf Groothuizen