De school als autofabriek

Terwijl ex-CNV-voorzitter Doekle Terpstra Hogeschool InHolland van de ondergang mag redden, zijn er elders in het hoger onderwijs gewoon weer nieuwe InHollands in de maak. De InHolland-affaire is namelijk geen incident, maar het directe gevolg van een ontspoord overheidsbeleid. Dat geldt voor beide aspecten: het toenemende graaigedrag van een megalomaan bestuur, wat bijvoorbeeld resulteerde in de van tv voorziene auto van voorzitter Jos Elbers, en de afnemende kwaliteit van het onderwijs, wat resulteerde in de befaamde Theo-route, die bezemwagenstudenten alsnog aan een examenpapiertje hielp. Met deze praktijk krikte InHolland kunstmatig zijn ‘productiecijfers’ op.

De kern van het probleem – daar en elders – is de misvatting dat een universiteit of hogeschool een bedrijf is dat winst moet maken en op een markt opereert. Deze instellingen zijn op afstand van de overheid gezet terwijl zij tegelijkertijd uit de collectieve middelen worden gefinancierd. Bij het bedrijfsmatige denken horen excessieve salarissen voor het bestuur van de ‘onderneming’, die op een internationale markt moet ‘concurreren’. Zoals Elbers’ vakbroeder Jan Veldhuis jaren terug al als bestuursvoorzitter van de Universiteit Utrecht zei: “In de kringen waarin wij verkeren, geldt ons salaris als een lachertje.” Dus schroefde hij het eigenhandig met een derde omhoog.

Dat bestuurderssalaris wordt daarbij mede via bonusconstructies vaak gekoppeld aan de omvang van het ‘bedrijf’. Dat zet een premie op fusies die geen enkele inhoudelijke noodzaak hoeven te hebben. De onderwijsconglomeraten kopiëren de gegroeide praktijk in het bedrijfsleven: ondernemen is vooral overnemen.

Het schoolbestuur bestaat uit managers, die zelden ervaring met de dagelijkse praktijk hebben en dus op grote afstand van de werkvloer staan. De professional aan de basis wordt ook niet door de managers bij hun beslissingen betrokken: zij vormen een coöpterende kaste, die evenmin op haar beleid aanspreekbaar is. Contact met de werkvloer verloopt veilig via een loopjongen, die bij elke kritische opmerking zegt: “Daaraan kan ik toch niets veranderen, het beleid staat vast.”

Ook in de raad van toezicht zitten mensen uit het bedrijfsleven zonder veel inhoudelijk verstand van onderwijs en wetenschap. Dat leidt ertoe dat kwantiteit als kwaliteit wordt beschouwd. Succes wordt afgemeten aan de slagingspercentages, want de inkomsten zijn door Den Haag in haar neoliberale marktwaan afhankelijk gemaakt van het aantal afgestudeerden. Een universiteit is echter geen fabriek. Een autofabrikant presteert uitstekend als alle auto’s die van de band lopen het cijfer 10 krijgen. Maar is een universiteit waar alle studenten een 10 krijgen dat ook? Anders dan bij een autofabriek hangt het eindresultaat namelijk voor een essentieel deel af van de student zelf.


Het rendementsdenken eist evenwel dat de ‘efficiency’ omhoog moet, en dat betekent: meer studenten laten slagen voor minder geld. Dat leidt tot minder arbeidsintensief onderwijs, getuige wat er bij InHolland is gebeurd. Het stimuleert tegelijkertijd de veelbejammerde ‘zesjes’-cultuur, want een student die meer doet dan noodzakelijk, kost de docent meer tijd en geld en levert hem niets extra’s op. Ten slotte zet het de normen onder druk, want als de bevolen outputvermeerdering niet lukt omdat de student te dom of te lui is, wordt de schuld aan de docent en zijn onderwijs gegeven.

De ‘studeerbaarheid’ moet omhoog! Amerika geldt daarbij als lichtend voorbeeld, maar wij krijgen niet de Amerikaanse randvoorwaarden erbij. In Amerika werken de studenten niet massaal een halve werkweek in de Albert Heijn en zijn dus niet gedwongen om een voltijd-studie in deeltijd te doen – met slechte cijfers of door de school kunstmatig opgekrikte cijfers als gevolg. Ook hoeven ze niet dagelijks uren te reizen, maar wonen ze op een campus zonder verleidelijk nachtleven; om tien uur gaat gewoon het licht uit. Wie zodoende oppert dat de belangrijkste factoren die bij ons een laag rendement veroorzaken buiten de macht van docenten liggen, moet constateren dat die niet op de agenda staan.

Daarmee wordt al dat gepraat over studeerbaarheid natuurlijk Kurieren am Symptom. Of erger: waar studenten niet plots ijveriger en briljanter worden, dwingt het tot gesjoemel om de streefcijfers te halen. Geen student de poort uit zonder diploma! Wie er teveel laat zakken, krijgt meteen het bestuur op zijn dak, want hij brengt het rendement in gevaar. En dus gaan de eisen omlaag.


Met de voortgaande bezuinigingen van deze regering wordt dat alleen maar erger. De komende jaren zullen nieuwe Theo-routes aan het licht komen, dat garandeer ik u. Ze worden namelijk binnenkort aangelegd.

import thomas van der dunk