Dromen van Europa

De meeste illegale vreemdelingen die naar Europa willen, proberen het tegenwoordig via de Grieks-Turkse grens. Omdat de Grieken de migrantenstroom niet meer aankunnen, heeft de EU versterking gestuurd. HP/De Tijd ging mee op een onmogelijke missie.

Marineboten speuren de Grieks-Turkse rivier de Evros af, op zoek naar vluchtelingen die per boot oversteken. Patrouillewagens rijden stapvoets langs het 12,5 kilometer lange stukje Grieks-Turkse grens rondom Orestiada, Nea Vyssa en Kastanies, waar vluchtelingen te voet hun geluk beproeven. In de wagens zitten altijd één Griekse politieagent en minstens twee employees van de EU-grensbewakingsdienst Frontex. Met hun hightech thermal vision-opsporingsapparatuur kammen ze de beboste strook niemandsland uit die op dit moment voor de meeste immigranten de laatste horde vormt naar Fort Europa.

Taak van de Frontex-wachten: het aanhouden van vluchtelingen en oppakken van eventuele mensensmokkelaars. Jos Jenner, eerste luitenant bij de Koninklijke Marechaussee, is het aanspreekpunt voor het Nederlandse team van twaalf grens-wachters en opsporingsbeambten. Ze mogen de papieren van de vluchtelingen controleren (die overigens meestal ontbreken), hen fouilleren en vervolgens begeleiden naar het detentiecentrum bij het dorpje Filakio. Daar worden hun vingerafdrukken opgeslagen in een database. Zo kan de vluchteling, als hij later een ander EU-land weet binnen te komen, onmiddellijk worden herkend en teruggestuurd naar het land waar hij is binnengekomen. Want dat hebben de Europese landen zo afgesproken in de zogeheten Dublinverordening.

Zijn de Frontex-wachten een grote steun voor hun Griekse collega’s? Dat valt tegen, bromt Jenner. “Onze aanwezigheid is vooral een gebaar om duidelijk te maken dat het vluchtelingenprobleem een Euro-pees probleem is en niet alleen een Grieks probleem.” Voor deze spoedoperatie van Frontex zijn in principe twee maanden uitgetrokken. “Of we langer blijven, hangt uiteindelijk af van wat de Grieken daarna denken nodig te hebben.” Dan haalt Jenner de schouders op. “Het blijft toch een beetje dweilen met de kraan open.”


De Griekse grens is lek. Het is allang niet meer de vraag óf er migranten Europa binnenkomen, maar waar. Het is alsof je in een ballon knijpt. Als je op de ene plek de druk vermindert, neemt die elders toe. Inmiddels komt zo’n negentig procent van de illegale migranten de EU binnen via het Griekse vasteland. Eerder kwamen ze via de Griekse eilanden, nu reizen ze veelal via Turkije. De immigranten steken de Evros over waar die Turkije in stroomt en even geen grensrivier meer is. Via de twee bruggen kunnen ze vervolgens zo Griekenland binnenwandelen.

Al ruim 31.000 vluchtelingen – veelal Afghanen en Noord-Afrikanen – zijn in de eerste negen maanden van dit jaar via deze route de Griekse grens overgestoken. Vrijwel alle vluchtelingen zien Griekenland als een springplank naar de rest van Europa. Niemand wil er blijven. Er valt namelijk weinig te halen. Er is amper werk en Griekenland kent geen duidelijk asielbeleid. Gemiddeld één procent van de asielverzoeken wordt hier gehonoreerd, tegen zo’n veertig procent in bijvoorbeeld Nederland. Dus willen de vluchtelingen naar Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Zweden of Nederland. Om zich bij hun familie te voegen, of om zelf een nieuw bestaan op te bouwen.

Het terugsturen naar de landen van herkomst blijkt lastig voor de Grieken. De meeste asielzoekers zijn via Turkije het land binnengekomen, maar Turkije neemt ze niet terug. Na een noodkreet van de Griekse regering stuurde de Europese Commissie eind oktober een ‘emergency’ interventieteam van Frontex om de toch al onder een economische crisis zuchtende Grieken te helpen.


De actie waar wij naar komen kijken, is de eerste officiële operatie van het interventieteam, dat officieel RABIT heet (Rapid Border Intervention Team), en waarvoor 26 Europese landen in totaal 175 extra grenswachten hebben geleverd.

Georgios Petropoulos, een Griekse politieman die tijdens de Frontex-missie tijdelijk perswoordvoerder is in het grensplaatsje Orestiada, heeft de taak om de buitenlandse pers te laten zien hoe de samenwerking tussen de Grieken en de grensbewakers van Frontex verloopt. Druk bellend loopt hij deze middag heen en weer voor het lokale politiebureau, waar een aantal vermoeide vluchtelingen in natte kleren op de grond zit te wachten om te worden ingerekend. Een cameraman filmt vanaf de straat het treurige tafereel.

Petropoulos heeft een lijst waarop staat welke verslaggeversploeg wanneer mee mag op ‘patrouille’ met Frontex. Het blijkt te gaan om een volledig voorgekookt ritje van een patrouillewagen op een veld in de buurt van de militaire basis nabij de Grieks-Turkse grens. Een Duitse RTL-journalist en zijn Griekse cameraman mogen eerst.

De Griekse politie staat niet toe dat journalisten op eigen houtje de militaire zones betreden. “Om veiligheidsredenen,” zegt Petropoulos. Twee jonge Nederlandse marechaussees, Dennis en Danny, worden het veld op gereden om te poseren voor de camera. Zichtbaar ongemakkelijk vertellen ze vluchtig iets over hun werk. “We kunnen niet laten zien wat we doen,” verontschuldigt Danny zich. Waarom niet? “Dat is zo afgesproken.” Hij hoopt duidelijk dat zijn mediaoptreden snel weer afgelopen is. Voor vanavond staat een ritje met de thermal vision-wagen op het programma. Alleen zullen de nachtkijkers gericht zijn op een gebied waar zelden een aanhouding te zien valt.


Vanwaar al die omzichtigheid? Frontex-woordvoerster Izabella Cooper zegt het niet te weten. “Wij zijn als EU-organisatie voor transparantie. Maar we moeten doen wat de Grieken zeggen. Dit zijn hun regels.”

Een mistige deken hangt om zes uur ’s ochtends over het Griekse dorp Nea Vissa, zo’n half uurtje rijden van Orestiada. Veel immigranten komen naar dit drieduizend inwoners tellende plaatsje, omdat de grens hier twaalf kilometer lang niet samenvalt met de rivier. De illegalen kunnen dus relatief veilig op Turks grondgebied de rivier oversteken om vervolgens door akkers, bosjes én mijnenvelden Griekenland binnen te glippen.

Een grote blauw-witte Roemeense touringcar verstoort het idyllische straatbeeld van het slapende dorp. Van achter de spoorlijn doemen uit de mistsluier groepjes mannen op. Ze lopen naar de bus toe en zwaaien. Twee Frontex-bewakers, een Roemeen en een Deen, stappen uit en gebaren de mannen om dichterbij te komen. Gewillig lopen ze erheen, over-duidelijk blij om Frontex te zien, en laten zich zonder problemen fouilleren.

“Leg je tas maar in het bagageruim,” roept de Deense Allan Lyngby in het Engels, en hij wijst naar de bus. “Mobiele telefoons ook opbergen.” De mannen – sommigen nat en vies, anderen brandschoon en modieus gekleed – stappen in de bus, waarvan de stoelen bedekt zijn met plastic om vervuiling tegen te gaan. “I love your country,” zegt een vrolijke vent met een baard.

Het inrekenen van de illegalen verloopt als een routineus dagelijks ritueel. “De meesten wíllen aangehouden worden. Vaak komen ze zelf naar ons toe. Ze zijn al lang onderweg en doodmoe,” legt Lyngby uit; de Deen trekt zich niets aan van de Griekse instructie om de pers op afstand te houden. “In hun ogen is hun aankomst hier het ticket naar Europa. Dat is hun ‘gouden appel’.”


Op de vraag waar ze vandaan komen, antwoorden de mannen in koor: “Palestina!” Volgens Lyngby is dat het standaardantwoord van de meesten. Van de facilitators – een eufemisme voor mensensmokkelaars – hebben ze gehoord dat dit het juiste antwoord is voor wie als politiek vluchteling wil worden gezien. “Vraag je ze daarna hoe de Palestijnse vlag eruitziet, dan vallen ze meteen door de mand. Dat weten ze niet.”

De vluchtelingen die Griekenland weten in te komen, zijn meestal niet de armsten, vertelt Lyngby. Vaak betalen ze hun smokkelaars een paar duizend euro om de grens over te komen. Ze willen studeren, werken, een beter leven voor hun gezin. “Het maakt hier alleen weinig verschil of je een gelukszoeker bent of een politieke vluchte-ling,” verzucht Lyngby. “Er komen zoveel mensen de grens over dat er geen tijd is om uit te zoeken wie er echt recht heeft op asiel. Als die tijd er wel was, kon elke aanvraag serieus worden behandeld.”

Een groepje dorpelingen kijkt toe hoe de bus zich vult met vluchtelingen die van alle kanten komen aanlopen: jongens, mannen, vrouwen met kinderen. Voor de Griekse dorpbewoners is het dagelijkse kost. Er wordt gefluisterd dat het dorp een aantal facilitators herbergt die flink geld aan de illegalen verdienen.

“Big problem,” zegt een oude Griekse man terwijl hij zijn neus ophaalt en naar de vluchtelingen wijst. “Ze stelen telefoons, eten en auto’s. Maar het allerergste is de stank. Ik vrees voor mijn gezondheid.”

Frontex-touringcars rijden aan het eind van de ochtend af en aan naar het afgelegen detentiecentrum, dat zo’n dertig kilometer van Orestiada ligt en zo’n tien kilometer voor het dorpje Filakio. Het centrum, dat bestaat uit een aantal grote geel geschilderde barakken met twee luchtplaatsen en een basketbalveldje, heeft een capaciteit van vierhonderd mensen en zit meer dan vol. Als er een busla-ding vluchtelingen wordt binnengebracht, wordt er ook weer een groep vrijge-laten, om de druk op het centrum wat te verminderen. De meeste vluchtelingen blijven hier een tot drie dagen en worden dan vrijgelaten.


Rond het hek liggen schoenen, riemen, kledingstukken. Een bewaker houdt de wacht. Zonder toestemming kom je niet binnen. Ook de Frontex-medewerkers die niet zijn aangewezen om de vluchtelingen te interviewen, te tolken of te identificeren, worden buiten de deur gehouden. Vrouwelijke vluchte-lingen kijken door de tralies naar bui-ten. Binnen wordt geschreeuwd en gejoeld en op de deuren gebonkt. “Ze stelen elkaars kleren,” zegt de bewaker bij het hek bij wijze van uitleg. Hij haalt zijn schouders op.

Op een van de luchtplaatsen liggen tientallen matrassen; er lopen veel jonge kinderen en moeders met baby’s. “Geen eten, geen douche, geen dokter; very bad,” roepen ze bij het hek, totdat de politie ze wegjaagt.

Maria Tzavara van het Griekse equi-valent van de GGD komt naar buiten en mag – als enige – uitleggen wat er binnen gebeurt. Zij is ingehuurd om onderzoek te doen naar de ziektes die de illegalen eventueel kunnen verspreiden. Voor zulke ziektes zijn de Grieken erg bang.

Met haar collega’s probeert ze de vaak geagiteerde vluchtelingen tot bedaren te brengen. “Het is mensonterend om daar binnen te zitten. Ze zijn met te veel en wij hebben weinig middelen,” zegt Tzavara, die er zichtbaar mee in haar maag zit. “Maar we doen wat we kunnen.” Ze ziet de laatste tijd steeds vaker kinderen van rond de tien jaar in hun eentje het centrum binnenkomen.

Het detentiecentrum is dus duidelijk te klein. Anders dan Frontex-woordvoerster Izabella Cooper ziet Tzavara het bouwen van een groter detentiecentrum met betere faciliteiten niet als een oplossing. “Als andere vluchtelingen horen dat het hier goed is, komen er alleen nog maar meer.”


Er staat een bushalte voor het detentiecentrum. Met een briefje erop: “60 euro or 85 dollar Athens.” De vrijgelaten vluchtelingen met genoeg geld kunnen met een gewone openbare bus naar Athene, de stad waar ze allemaal naartoe willen om hun asielaanvraag in te dienen. In hun hand hebben ze het in het detentiecentrum verstrekte document met hun – al dan niet verzonnen – naam, nationaliteit, pasfoto en de toezegging van de overheid dat ze nog dertig dagen in het land mogen ver-blijven. Wie maar de helft kan betalen, mag mee naar Thessaloniki. Wie niks heeft, moet lopen.

Bij het hek staat een groep van tientallen illegalen. Somaliërs, Algerijnen, Marokkanen, Irakezen, Palestijnen en veel Afghanen. Ze worden vrijgelaten en beginnen aan hun reis naar de eeuwige illegaliteit. Elke dag rondom het middaguur verlaat zo’n groep het centrum, vast van plan hun European dream waar te maken.

Ze verdringen elkaar op weg naar de uitgang. Daar rijgen ze de veters weer in hun schoenen en gespen ze hun broekriem vast. Er ontstaat ruzie. Mensen schreeuwen tegen elkaar, en niet iedereen heeft genoeg geld. Het is ieder voor zich.

“Waar gaan jullie heen?” vraagt de Duitse RTL-verslaggever. “Europa, Europa!” roepen de vluchtelingen in koor. Een Noord-Afrikaan die een briefje van vijftig euro uit de zoom van zijn trai-ningsbroek peutert, wil zijn verhaal wel doen. Hij komt uit Marokko, maar geeft zich uit voor Algerijn, en wil terug naar Duitsland. Daar heeft hij acht jaar lang met zijn vrouw gewoond en als bakker in een patisserie gewerkt, tot hij pasgeleden werd uitgezet. Met zijn nieuwe identiteit gaat hij het opnieuw proberen.


Het Griekse vluchtelingenprobleem blijkt een humanitaire ramp in wording. Bij het hoofdkantoor van de Griekse vreemdelingenpolitie staan ’s ochtends om zeven uur honderden immigranten voor de deur te zwaaien met hun bewijs dat ze dertig dagen in Griekenland mogen blijven, in de hoop dat hun asielaanvraag in behande-ling wordt genomen. Sommigen hebben al een roze papiertje: het bewijs dat hun aanvraag inderdaad in behandeling is genomen. De realiteit is echter dat de aanvraag vrijwel nooit zal worden áfgehandeld. Er zijn er simpelweg te veel.

Griekenland heeft niet genoeg man-kracht en geschoold personeel om de stroom asielverzoeken af te handelen. Een Griekse asieladvocate in rood mantelpak baant zich op hoge hakken een weg door de immigranten. Ze heeft weinig mede-lijden met de vluchtelingen. “Het systeem werkt perfect,” roept ze. “Kijk naar ze. Ze komen in auto’s en dragen mooie kleren. Ze hebben alles.”

Daar valt wel iets tegenin te brengen. De illegalen zitten namelijk in de ‘Dublin-val’, zoals Amnesty International het noemt in een rapport. Zodra de illegalen met valse documenten worden opgepakt in een ander Europees land, worden ze naar Griekenland teruggestuurd. Binnen de EU wordt op het hoogste niveau getwijfeld aan de houdbaarheid van de Dublin-regeling. Ook de nieuwe Nederlandse mi-nister van Immigratie en Asiel, Gerd Leers, plaatst er zijn vraagtekens bij.

Voor de deur van de Griekse vluchte-lingendienst staat een hongerstaker uit Iran met een tentje voor de deur van de hulporganisatie voor vluchtelingen. Hij hoopt aandacht te krijgen voor zijn zaak. Maar hij is niet de enige. Op de deuren staan hakenkruisen geschilderd, door nationalistische Grieken die hun stad terug willen.


De vluchtelingen lijken inderdaad niet erg welkom. Er zijn geen voorzieningen voor ze. “Het liefst zouden we ze allemaal een ticket naar elders in Europa geven, maar dat kan nu eenmaal niet,” zegt een Griekse voorbijganger, een man van een jaar of dertig.

Onder de spoorbrug tussen de bielzen achter het Larissa-station in de wijk Ammonia leven de vluchtelingen in de buitenlucht. Ze vertellen allemaal dezelfde schrijnende verhalen. Ze hadden nooit verwacht dat ze in de Griekse hoofd-stad vast zouden komen te zitten. Zonder geld, zonder eten, zonder werk. Ze willen nog liever terug naar huis. Alles beter dan Athene.

Sayed Jalil, een 23-jarige Afghaanse jongen met een verbrand gezicht die zichzelf ‘Shakespeare’ noemt, vindt zijn reis naar het Westen de grootste fout van zijn leven. “Ik had beter moeten weten en de realiteit onder ogen moeten zien. Europa is geen gouden appel. Het is een rótte appel.”

Illegale immigranten gebruiken verschillende routes om de EU binnen te komen. Je hebt de Centraal-Mediterrane route via Italië en Malta, de West-Afrikaanse route via Spanje en de Canarische Eilanden, de Centraal/Oost-Europese route via landen als Albanië, Rusland en Oekraïne, en je hebt de Oost-Mediterrane route via de Griekse eilanden en de Turkse landsgrens. Die Griekse landroute is op dit moment verreweg het populairst.

Zo’n tachtig à negentig procent van de illegale immigranten komt nu via het Griekse vasteland de Europese Unie binnen. In 2009 arriveerden 6615 mensen via de Turks-Griekse grensrivier de Evros. In de eerste negen maanden van dit jaar waren dat er al 31.219. In oktober riepen de Grieken de EU te hulp. De EU stuurde grensinterventieteams van Frontex.


Frontex, de afkorting van frontières extérieures, werd in 2005 opgericht om de zwakke plekken in de Europese grensbewaking in kaart te brengen en de migrantenstromen te voorspellen. Het hoofdkantoor in Warschau maakt risico-analyses, formeert vliegende brigades en coördineert het bestellen van chartervluchten om illegalen terug te sturen. Frontex stationeerde begin november 205 grenswachten in het poreuze Turks-Griekse grensgebied.

Dat lijkt te werken. In november kwamen 4270 vluchtelingen de Grieks-Turkse grens over, tegenover 7586 in oktober – een afname van 43,7 procent. Hoewel die daling gedeeltelijk kan worden toegeschreven kan worden aan andere factoren, zoals slechtere weersomstandigheden, putten de Grieken er hoop uit. Door de inzet van Frontex heeft het Griekse vluchtelingenprobleem ook de aandacht van de internationale pers getrokken en zullen potentiële nieuwe vluchtelingen wellicht worden afgeschrikt.

De praktijk heeft geleerd dat als je de EU-grens op een bepaalde plek dicht, migranten gewoon een andere plek zoeken om de Unie binnen te komen. Toch lijkt het aantal illegale immigranten af te nemen. In 2009 werden er iets meer dan 100.000 betrapt bij de lands- of zeegrenzen van de EU, 33 procent minder dan in 2008. Hoofdoorzaak: de economische crisis. Door de afgenomen werkgelegenheid zijn de EU-landen minder interessant geworden voor immigranten.

Mireille Capiau