Vrijheid en recht

Cleveringa heeft de naam en faam. In november 1940 verhief hij als decaan van de Leidse rechtenfaculteit zijn stem tegen de opdracht van de Duitse bezetter om joodse collega’s te ontslaan. In een propvol Groot Auditorium van het Academiegebouw riep hij in herinnering dat de Grondwet, ‘in overeenstemming met de beste Nederlandse tradities’, iedere Nederlander benoembaar verklaart tot elke landsbediening en tot elke bekleding van elke waardigheid en elk ambt, wat zijn geloof ook is, ook al is hij joods, zoals Cleveringa’s ontslagen leermeester en collega E. M. Meijers. Alle aanwezigen hieven het eerste en zesde couplet van het Wilhelmus aan. De Duitsers sloten de universiteit en Cleveringa werd afgevoerd naar de Scheveningse gevangenis.

De rede van Cleveringa, en negentien zogeheten Cleveringa-redes die elk jaar op 26 november ter gedachtenis aan de gebeurtenis worden gehouden, zijn nu bijeengebracht in een fraaie bundel die door Kees Schuyt van een zeer lezenswaardige historische inleiding is voorzien.

Door de historische gebeurtenis van Cleveringa’s rede, die terecht is uitgegroeid tot hét symbool van het academisch verzet, is veel minder bekend geworden dat er in deze tijd ook aan andere universiteiten protestredes hebben geklonken. Of hadden moeten klinken. Op 14 september 1940 zouden de sociaal-democraat H. B. Wiardi Beckman, de liberaal B. M. Telders en Paul Scholten (CHU) in het Amsterdamse Concertgebouw over de woorden ‘Den Vaderlant ghetrouwe’ spreken. De bezettende macht verbood de bijeenkomst. Maar de rede van Scholten, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, is bewaard gebleven en gepubliceerd. Hij betoogt daarin dat onze nationale geschiedenis gevormd is door het idee van de christelijke vrijheid. De vrijheidsdrang inspireerde ons tot de opstand tegen Spanje en moest ons ook in die bange dagen van 1940 inspireren tot verzet tegen de nieuwe bezetter. Maar vrijheid, zo wist Scholten, is een gevaarlijk goedje. In onze geschiedenis is het altijd goed gegaan omdat die vrijheid werd begrensd door het christelijk geloof. Waar die begrenzing wegvalt, volgt anarchie of tirannie, zo betoogde hij overtuigend. We staan weer voor de strijd voor onze vrijheden, zei Scholten. “Men noemt het conservatisme wanneer we deze willen behouden. Goed, dan zijn we conservatief.”

Het zou niet onterecht zijn wanneer de rede van Scholten (1875-1946) een beetje uit de schaduw van die van Cleveringa zou treden, en wanneer het werk van Scholten sowieso weer wat meer aandacht zou krijgen. Dat kan gemakkelijk nu de Leidse rechtsfilosoof Timo Slootweg een nieuwe bloemlezing uit het werk van Scholten heeft samengesteld. Scholten heeft onder juristen een grote naam als de auteur van het zogeheten Algemeen deel van Asser’s boekenserie over het Nederlands Burgerlijk Recht. Daarin betoogde Scholten dat een rechter niet zomaar mechanisch de wet toepast in zijn vonnis, maar ook een zedelijk oordeel velt. Daarbij speelt de levensbeschouwing een doorslaggevende rol.


In het recht moet de gerechtigheid worden gezocht, zei Scholten in 1945 in zijn afscheidsrede. Voor hem was het christelijk geloof het richtsnoer, maar hij wilde dat niemand opdringen: “Dient het volk door het aan zijn recht te helpen. Zoekt daarin de vrede. En houdt niet op te dorsten naar de gerechtigheid.”

Kees Schuyt (red.): Cleveringa’s koffer. LUP, €29,95.

Paul Scholten: Dorsten naar gerechtigheid. Kluwer, €60.

Bart Jan Spruyt