Freek de Jonge

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week uit de serie Succes (Nederlanders van naam over hun welslagen): Freek de Jonge.

Zijn handen trillen. Gaan zoekend door papieren. Net is hij nog swingend en met een enorme dosis energie begonnen aan zijn try-out voor Het verlossende woord, z’n jaarsconference – nu is hij de draad kwijt. Zijn beroemde rode draad, die op dit moment alleen nog uit losse eindjes bestaat. Hij lijkt een beetje in paniek, vraagt om een stapeltje papieren dat niet door elkaar ligt en krijgt het op het toneel aangereikt.

Een dag later: “Echt in paniek was ik niet. Er kan natuurlijk niks gebeuren, er is geen executiepeloton dat zich ineens op me stort. Er lukte heel veel wél die avond; iemand die daar gaat staan in dat stadium, is een held. Met een try-out neem ik een enorm risico. Maar ik had wel de pest in omdat ik me had voorgenomen veel rust te nemen – dat lukte niet. En de voorstelling is inderdaad nog in ontwikkeling, ook al zijn die losse eindjes voor een deel wel de bedoeling. Ik vind het niet modern om iets af te maken. Het is zo netjes altijd, dat is bedrog. Er is geen einde. Nooit.”

Na een halve dag voorbereiding begon hij aan de eerste try-out. “Ik had gedacht er rustig aan te kunnen werken, maar toen kwam het programma Leve de beschaving er tussendoor. In een paar weken hebben we een complete tv-avond op poten gezet. Maandagavond werd die uitgezonden en woensdag stond ik daar in Zeeland met Het verlossende woord. Het ging heel behoorlijk, heel goed eigenlijk.”

Niet alle toeschouwers waren onverdeeld gelukkig met dat optreden. Op het forum van De Jonge was te lezen: “Op z’n zachtst gezegd voel ik me beledigd en belazerd door de wijze waarop je met je publiek omgaat, door een voorstelling te geven waaraan geen enkele voorbereiding was verricht.” Een reactie die nog te lezen is op GeenStijl, want De Jonge heeft zijn forum gesloten. “Omdat elke keer dezelfde neurotische types hun kinderachtige klachten ventileren. De kritiek mist de liefde die hem waardevol maakt. Niemand zet z’n deur open voor mensen die je leven willen vergallen – ik ook niet. Dat geldt overigens niet voor die teleurgestelde mevrouw in Oostburg; die gaf haar eerlijke mening waarin ik me kon vinden. Ik wás ook nagenoeg onvoorbereid op het podium gaan staan. Zo weinig voorbereidingstijd heb ik zelden genomen, maar in de 43 jaar dat ik op het toneel sta, heb ik wel altijd het procedé gevolgd om met een paar lijnen te beginnen en te zien waar het tijdens de try-outs naartoe gaat. En ik krijg ook enorm enthousiaste tweets, zoals iemand die schrijft: ‘U bent een fucking grootmeester. Geweldig grappige en ontroerende try-out in Veendam. Ik ben trots op u.’”

“Zuiver wiskundig gezien zijn er een paar pieken geweest in mijn carrière. De eerste piek was de doorbraak met Neerlands Hoop, met Bram Vermeulen rond 1970. We begonnen bij wijze van spreken op maandag en op zaterdag waren we beroemd. Daar kwam kort erna de voorstelling Plankenkoorts overheen. Dat was echt een hype. Moeilijke jaren waren het wel: er was continu een loyaliteitsprobleem. Ik begon een verhouding met Hella, terwijl ik een nogal heftige verhouding met Bram had. Natuurlijk geen liefdesrelatie, en tegelijkertijd natuurlijk wél een liefdesrelatie. Zonder seksualiteit. Ik kwam voortdurend in de positie dat een van de twee partners me dwong om een keuze te maken. Knecht van twee meesters was ik. Ik koos voor Hella, rigoureus. Doordat Jork, ons tweede kind, overleed toen hij drie maanden oud was, hebben we onze wereld nog kleiner gemaakt en waren we vooral samen. Ook al was ik in die tijd extreem met mijn werk bezig. Eén dag nadat ons kind overleed, trad ik alweer op in Den Haag, Neerlands Hoop Express deden we toen. Daarvan denk ik achteraf wel: raar. En nou ja, een beetje belachelijk en dom dat ik Hella alleen heb gelaten.”

Inmiddels is Hella bij elk optreden. Ze verzorgde altijd zijn kleding, maar dat is minder geworden. Ze zoeken nog wel samen de pakken uit, maar de samenwerking is veel meer verschoven naar het vormgeven en monteren van de show. Praten over de ontwikkeling en totstandkoming. Ook doet ze sinds een paar jaar het licht bij zijn voorstellingen. Hella is enorm belangrijk voor de ontwikkeling van zijn werk, voor zijn succes. Het lijkt of haar leven in dienst staat van zijn carrière. Hij gaat zijn gang en wordt daarin gefaciliteerd door Hella. Een heel comfortabel uitgangspunt. “Zo! Dat mag je wel zeggen! Daartegenover staat mijn trouw en mijn ademloze bewondering. Het is ongelofelijk dat ze elke avond in de zaal zit, het is bijna worshippen. Er wordt wel gesuggereerd dat we een overdreven relatie hebben. Die binding, dat irriteert mensen mateloos. Dat je altijd samen bent en ook nog roept dat je monogaam bent. En ja, dat ik in LINDA. zei dat we elke dag seks hebben, daar werd ook ongelofelijk kinderachtig op gereageerd. God, wat was het heerlijk om dat te roepen. Pijnlijk voor je partner, dat wel. En het was ook niet waar, tuurlijk niet. Ik heb het wel gezegd en ik wens het ook iedereen toe, maar in mijn leven is het praktisch onmogelijk.”

Na de breuk met Bram Vermeulen maakte De Jonge begin jaren tachtig zijn soloprogramma’s. Zonder regisseur, zonder hofhouding. “Qua artistieke waardering werd er in die jaren nog een schepje bovenop gedaan. Begin jaren negentig was er weer zo’n piek, en in de jaren daarna had ik het gevoel dat ik het meest creatief en productief ben geweest. Tien jaar geleden was er nog één keer de zindering in de zaal, toen ik speelde met de boekverbranding van Mulisch’ boekenweekgeschenk. Nu heb ik het gevoel dat ik weer iets van die spanning en zindering terugkrijg, omdat mensen het idee hebben dat het weleens de laatste keer zou kunnen zijn dat ze me op het podium zien.”

En hebben ze gelijk? Is het voor De Jonge mogelijk om te stoppen? Hij kondigde het door de jaren heen al een paar keer aan, maar begon toch steeds weer opnieuw. Kun je wel stoppen als je de wereld om je heen zo lang hebt vertaald in voorstellingen? “Nee, dat kan inderdaad niet, en dat wil ik ook niet. Ik wil de wereld vanuit mijn leeftijd bekijken. Ik ga in elk geval door tot het niet meer om aan te zien is. Of, nou ja, ontdaan is van alle franje, zoals de laatste platen van Johnny Cash. Zo zal dat met die programma’s van mij ook gaan, als ik daar als murmelende tachtigjarige zit. Ik heb er nog altijd ontzettend veel lol in en ik vind ook dat ik moeiteloos hoor bij het beste wat er op cabaretgebied in Nederland te krijgen is. Nummer één, ja. Als ik om me heen kijk, is wat ik doe nog steeds heel erg goed, heel erg doordacht. Maar het bepaalt m’n leven niet meer zo allesoverheersend als het was. De laatste vijf jaar is het niet meer zo absoluut, zoals Neerlands Hoop absoluut was. Dat was een wedstrijd tussen ons en de rest van het cabaret, de rest van de showbusiness. Die konden er allemaal niks van, vonden wij. Daardoor heb ik uiteindelijk ook weinig contact met collega’s gekregen. Als je die allemaal verweest naar een amateurstatus, is dat niet zo raar.”

Eigenlijk is hij dat door de jaren heen altijd blijven doen. Youp van ’t Hek betichtte hij van te makkelijke programma’s. Bij De Wereld Draait Door beledigde hij Marc-Marie Huijbregts dusdanig (‘Ik wil jouw publiek niet in mijn zaal!’) dat die een tijd later niet in hetzelfde programma met De Jonge wilde verschijnen.

Denkt hij achteraf niet weleens: Freek, moest dat nou, dat uithalen naar collega’s? “Dat vragen m’n moeder en m’n vrouw wel, maar nee. Ik kan wel zeggen dat het niet slim is, maar dat is onzin, want ik bral nu nog net zo. Mijn zoon roept al tien jaar dat ik niet meer naar talkshows moet gaan, omdat het helemaal misgaat. Vind ik zelf ook. Ik ben dan verkrampt, verbeten. Ik zou mezelf wel een grote dienst bewijzen als ik mezelf daar niet meer zou laten zien, maar ik pin me daar niet op vast. Dan komt er straks weer een moment, zoals laatst bij Leve de beschaving, dat er weer 3000 kaartjes verkocht moeten worden. En dan ga ik. Want tuurlijk, uiteindelijk ben ik toch een marskramer. Maar eigenlijk vind ik dat niets anders dan mijn werk getoond moet worden, de rest is onzin.”

“Dat de jongere generatie publiek en recensenten voor nieuwe cabaretiers valt, vind ik wel logisch. Hans Teeuwen, Theo Maassen – dat zij me qua populariteit inhalen, zoals Bram en ik destijds over twintig anderen heen liepen. Maar in artistieke zin heb ik zeker niet het gevoel dat ze me inhalen. En qua continuïteit ook niet. Ik sta al veertig jaar aan de top, in de schijnwerpers. Ik vind het wel jammer dat de parochie steeds kleiner wordt. Ik heb het idee dat jongeren nog heel veel plezier aan mijn werk zouden kunnen beleven.”

De teneur in de media is: Freek de Jonge heeft afgedaan. ‘Hou toch eens op’ wordt er dan geschreven. Is dat niet een oorzaak van het verbolgene dat hij heeft? “Ik ben helemaal niet verbolgen, ik ben juist nog altijd ontzettend enthousiast. Heb ontzettend veel zin om nieuwe dingen te maken. Men wil me in die hoek drijven. En ja, die sfeer is in de media ontstaan, maar die wordt niet beantwoord door de publieke belangstelling en ook niet door de kijkcijfers. Mijn Verkiezingsconference begin dit jaar had ruim een miljoen kijkers. Vind ik genoeg. Ik zou wel dolgraag mijn imago willen bijsturen, dat wel. Dat ik gezien zou worden als iemand die toch wel een ongelofelijke bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse cultuur na de oorlog, in plaats van dat stempel van een ouwe zeur. Ik heb – vind ik – nogal dingen gedaan, heb ongelooflijk veel succes gehad, tot in Knoxville en Toronto. Ik heb een schitterende film gemaakt, De Illusionist, die bekroond is met een Gouden Kalf. En ga zo maar door. Ik vind het wonderlijk dat ik in de situatie terecht ben gekomen dat ik mezelf moet verdedigen voor zuurheid, boosheid. Met angst en beven zie je dan je dood tegemoet, dat er in de kranten staat: hij wou z’n leven lang de beste zijn en begon daarom een beetje jaloers te worden. Als je het zaakje bij elkaar harkt, is het tachtig procent lachen geweest. Lachen, lachen, lachen. Ik ben nu in een stadium gekomen dat ik tegen mezelf op moet boksen.”

Ooit begon hij, op z’n vijftiende in zijn kamertje, met een vriend die wat ouder was. Hij zag wat in De Jonge, maakte de komiek in hem wakker. Zwengelde het aan. Ze brainstormden. Freek de Jonge begon voorzichtig aan eigen teksten te werken. “En dat je dan dingen maakt en denkt: dat is mooi, grappig, fantastisch, geweldig! En dat je dan als gouddelver steeds dieper die schacht ingaat en nieuwe aderen ontdekt. Die hunkering… Ik kan rustig zeggen dat ik nooit van mijn succes genoten heb, zoals ik nu bijvoorbeeld van mijn drie kleinkinderen geniet. Maar ik heb wel altijd een bevoorrechte positie gehad. Ik ben eigenlijk al 43 jaar aan het gouddelven. Op een zeker moment zal die gang achter me instorten – dat is dan het spectaculaire einde.”  |

Het Verlossende Woord wordt 2 januari uitgezonden op Nederland 2 en is tot die tijd te zien in het Compagnietheater in Amsterdam (www.compagnietheater.nl).

Sara van Gorp