‘Ik had meer succes dan Kamagurka’

Al een kwart eeuw negeert de culturele elite hem consequent. Het weerhield de muzikale cabaretier Hans Liberg (56) er niet van om een nieuwe theatervoorstelling én een heuse autobiografie te presenteren. Op audiëntie bij de koning van de schaterlach. ‘Hee, er is pers!’

Waalwijk heeft er zin in vanavond. Rond achten stroomt het Brabantse schoenmakersdorp leeg in de richting van theater De Leest. Hier speelt Hans Liberg zijn nieuwe show Ick Hans Liberg. De Leest blijkt een multifunctionele instelling met meer strekkende meters biertap dan menige plattelandsdisco. Vanavond wordt er evenwel vooral koffie en thee besteld. Het overgrote deel van de bezoekers is ook naar eerdere shows van Liberg geweest en weet: je kunt je aandacht geen moment laten verslappen. Een tanige grijze dame weet nog net op tijd de Rabozaal te bereiken met haar nordic-walkingstokken. Wanneer ook de plaatselijke pastoor present is, kan het muzikale theater echt losbarsten.

Wat het publiek verwacht, levert Liberg. Al meer dan 25 jaar lang. Geef de man een vleugel en hij gaat los, maar geef hem een publiek en hij gaat van god los. Of ‘fagot los’, zoals de muzikale woord-speler het zelf zou formuleren. Een voorstelling in het Franse Toulouse begon hij ooit met de woorden ‘Nothing Toulouse.’ Met de plaatsnaam Waalwijk is het wat moeilijker combineren, maar Brabanders hebben weer een ander voordeel: je hoeft maar een roffel op een trommel te geven en er barst een spontane samenzang uit. Toevallig is de bassist van Liberg ook weer eens een keertje jarig, dus er mag nog ge-lang-zal-die-levend worden ook. En zelfs het pikante feestnummer Ik heb een zachte G, maar ook een harde L blijkt uitstekend mee te zingen in een arrangement voor concertvleugel en ritmesectie. Met een gratis pauzedrankje erbij is het zo weer een prima avond voor de culturele beau monde van Waalwijk.

Enkele dagen later hebben we een afspraak in de Gooise villa van Hans Liberg. Huize Liberg blijkt gelegen aan het eind van een flinke oprijlaan. In de tuin van de villa herkennen wij het huisje van gestapelde boomstammen waarin de maestro elke dag zijn denkwerk doet. Het knusse onderkomen, een ontwerp van Piet Hein Eek, kostte de kleinkunstenaar 60.000 euro. Door de wereldwijde publiciteit die het huisje inmiddels heeft gehad, heeft is het die investering meer dan waard geweest. Liberg zou zeggen: ‘ruimschroots’.


We zijn hier naar aanleiding van Libergs nieuwe boek, dat net als zijn theatershow Ick Hans Liberg heet. Het werkje laat zich lezen als een continue stroom muzikale weetjes, taalgrapjes, politieke inzichten en al dan niet serieus bedoelde levenslessen; dit alles zeer losjes gerelateerd aan de levensloop van Liberg zelf. De uitgever noemt het dan ook een autobiografie.

Daar kan ik me zo over opwinden, dat eeuwige gedoesj. Wij doesjten ook wel samen met de ouders, toen we nog klein waren en we nog niet beter wisten. Je wist niet wat bloot was. Mijn moeder zag ik nooit nakende, ja die ene keer dan, na de bevalling, toen ik snel omkeek en dacht, mijn god, nooit meer terug in die mijnschacht. Ik denk weleens dat ik een lichte claustrofobie aan die schachtervaring over heb gehouden.

(uit: Ick Hans Liberg, de autobiografie)

Dit lijkt mij een boek dat u in een week hebt geschreven.

“Het is wel snel geschreven, ja. En het is één keer herschreven.”

Door wie?

“Door mezelf. Ik schrijf alles altijd eerst met de hand, en dan schrijf ik het met de computer nog een keer.”

En dan komt er nog een redacteur aan te pas? Iemand die zegt: “Nou, meneer Liberg…”?

“Nou ja, de uitgeverij wil natuurlijk eerst alle spelfouten eruit halen, maar die wilde ik er juist in hebben.”

Woorden als ‘Toscaansche’, ‘Afrikaansche’, ‘Oekraïensche’…

“Ja, daar is dus geen beginnen aan. Nee, en d’r is ook niet echt een redacteur aan te pas gekomen. Práktisch niet. Wel iemand die dan zegt van: ‘Dit is wel aardig,’ en: ‘Wil je hier even aan denken,’ en: ‘Dit kan er misschien uit, want het heeft met het verhaal niks te maken.’ Maar dat vind ik dan juist leuk.”


Klopt mijn indruk dat u bij het schrijven veelvuldig Wikipedia heeft geraadpleegd?

“Ja, dat is natuurlijk echt iets van deze tijd. Volgens mij werken heel veel schrijvers daarmee, want als je sommige boeken leest dan weten ze opeens zó verschrikkelijk veel.”

Over weetjes gesproken: die bril van u is van echt goud, hè?

“Klopt. Ik heb altijd al gouden brilletjes gehad, maar nog nooit van goud. Weet je wat het is met echt goud? Het glimt toch anders dan doublé. Zeker onder die theaterlampen.”

Hoeveel geld heeft u?

“Ha!”

Zakenblad Quote heeft u weleens geschat op zes miljoen euro. Dat lijkt me rijkelijk laag.

“Nee hoor, dat is juist te hoog. Ik begrijp ook niet waar ze dat vandaan halen.”

Dat zijn toch openbare gegevens over uw bv?

“Ja, ja. Het gaat goed hoor, maar ik heb niet altijd zin om daarover uit te weiden. Ik vind wel dat ze la… dat ze hoog zitten. Dat ze dat gewoon uit zo’n dinges halen. Maar er is al heel veel weg. En het zit in dingen. In dit huis, in ons huis aan de Oostzee.”

U heeft weleens iets voor een paar duizend euro in een galerie gekocht, en dat ding bracht vervolgens op de veiling meer dan een miljoen op.

“Een schilderij, ja.”

Als je zo eventjes een miljoen kunt cashen, kom je toch al gauw op die zes miljoen in totaal?

“Het kan ook wel in de buurt zitten ongeveer, maar dan moet je niet opeens denken dat het eigenlijk twaalf miljoen is of zo. Want dat is Youp, haha.”

Er hangt hier ook een Marlene Dumas.

“Die hebben we ook ooit voor vijfduizend gulden gekocht. Via de Kunstkoopregeling, in maandelijkse termijnen. Die ging toen zo achter in de Opel Kadett. Maar deze hangt tegenwoordig meestal ergens anders, want de verzekering is niet meer te betalen.”


Als het talent groot genoeg is komt de discipline vanzelf is mijn theorie, het talent eist discipline anders wil het talent niet naar buiten treden. Zo is het talent, dan moet je het talent leren kennen, daar is het talent een rare in. Iemand die beweert, dat-ie door omstandigheden niet aan zijn eigenlijke talent is toegekomen heeft niet voldoende talent, is mijn theorie. Nu is er natuurlijk niet zo veel talent in de wereld, gode zij geprezen, de meeste mensen willen helemaal geen talent, kijk maar naar de Nederlandse televisie.

(uit: Ick Hans Liberg, de autobiografie).

In 1993 was u in New York, en toen voorspelde u: “Uiteindelijk kom ik in Carnegie Hall, maar ik ben geen jood en geen homo dus dan duurt het iets langer.”

“Dat was oorspronkelijk een uitspraak van Horowitz, die zei: ‘Als je in Carnegie Hall staat, moet je joods zijn of homoseksueel; gelukkig ben ik beide.'”

En u bent het allebei niet?

“Nee, maar wel Zweeds.”

En u hebt het nooit met een man gedaan ook?

“Waarom zou ik?”

Carnegie Hall is ook nog niet gelukt hè?

“Nee. De ambitie is er zeker, maar ik loop het niet na te rennen.”

U voelt zich niet te goed voor Waalwijk?

“Neuh. Ach, ik sta overal in leuke zalen. Ook in Londen is het leuk. We gaan vier keer per jaar naar Londen, en dat loopt steeds beter, soms weer iets minder. Op een gegeven moment moet het dubbeltje vallen.”

U bedoelt?

“Er moet gewoon veel publiek komen. Als je in Londen na een week weer weg bent, weet niemand meer dat je er überhaupt bent geweest. Dus je moet steeds terugkomen. En je weet gewoon: het werkt, dus het moet een keer lukken. Maar ja, het is veel werk. Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en België moet ik ook bedienen. Als je niet oppast, ben je nooit thuis.”


En u bent graag thuis.

“Toon Hermans heeft in New York ook eens bij een theater gestaan, dat-ie dacht: ‘O, Jezus!’ Daar had Victor Borge drie jaar lang gestaan. Elke avond uitverkocht. Maar Victor Borge kon niet anders; hij was vanwege de oorlog vanuit Denemarken naar de VS gevlucht. Voor mijn carrière zou het misschien ook wel goed zijn als er weer eens oorlog kwam. Maar ja, ik zal dan vast wel weer bij de mensen horen die niet hoeven te vluchten. Tenzij ze de kale mannen gaan aanpakken natuurlijk. Wist je dat ik mijn hoofd scheer? Eigenlijk heb ik een enorme haarimplant.”

In uw boek heeft u het over het resort waar uw dochter Lyv Ylva ooit is verwekt. Kleren waren er optional, schrijft u. Bent u een nudist?

“Nee.”

Nooit geweest ook?

“Nou ja, heel lang geleden hadden we een stukje natuurgebied bij Utrecht, en om daar te komen moest je over een bepaald paadje, en daarvoor moest je nudist zijn. Dus ik ben wel lid van een naturistenvereniging, maar ik ben al jaren niet meer op dat landje geweest.”

Dus u bent slapend lid van een naturistenvereniging?

“Inderdaad.”

Daarom kiezen de meeste Nederlandsche cabaretiers uiteindelijk voor een eigen winkeltje met een zus of een ander familielid, die de boekingen en de cetera doet. Alleen bij Najib Amalia gaat het geloof ik anders, want die heeft zoveel twittervriendjes en -vriendinnetjes dat met een druk op de knop de Heineken Music Hall in een half uur vier dagen uitverkocht is. U merkt het aan mijn toon, er is veel jaloezie onder de collega’s.

(Uit: Ick Hans Liberg, de autobiografie).


Laatst zag ik op tv uw collega Erik van Muiswinkel enthousiast door een bak met harde porno-dvd’s gaan. Toen hij een van uw dvd’s tegenkwam, stopte hij die vlug weer weg met de woorden: “Ongelooflijke smeerlapperij!”

“Dat kan zijn.”

U kunt er niet om lachen?

“Moet ik daar om lachen dan?”

Ik vind het wel een aardige grap, maar ik ben Hans Liberg niet.

“Het is natuurlijk niet leuk, maar ik zit daar verder niet zo mee. Ik heb Kamagurka ook een keer gezien in een of ander programma om half een ’s nachts, die zei toen ook dat-ie zo’n hekel aan me had. Nou ja, dat kan zo zijn. Maar ik heb wel eens gespeeld met Kamagurka, op een avond in België, en ik had echt meer succes dan hij.”

Voelt u zich eigenlijk verwant met de rest van de Nederlandse cabaretwereld?

“Eigenlijk niet zo, nee.”

Gaat u vaak naar collega’s kijken?

“Eigenlijk bijna nooit. Maar je ziet weleens snapshots op televisie, of op You-Tube. Toon Hermans vind ik leuk, maar dat vindt Youp ook, dat vindt iedereen tegenwoordig. Ik was vroeger een van de eersten die het zei, maar toen mocht je dat nog niet vinden.”

Het leukste van uw voorstelling vind ik wanneer er een grap mislukt, en de zaal lacht niet, dat u daar dan weer een grap overheen maakt.

“Ja, dat kan natuurlijk ook: ‘Nadat deze ovatie is weggestorven…'”

Zoiets floept er bij u ook meteen uit.

“Ja, haha, goed hè? Nee, maar dat is wel pas na vierduizend voorstellingen natuurlijk. Dat is iets wat je oefent.”

Hoorn schijnt de moeilijkste stad te zijn om te spelen.

“Noord-Hollanders zijn vrij stug, ja. En twee avonden in Brabant zijn ook weer verschillend. Er is geen gemoedelijke Limburger, je hebt geen toppubliek in Carré. Elke theaterdirecteur zegt altijd: ‘Ja, wij in Venlo geven ons niet meteen.’ Of: ‘Wij in Groningen kijken altijd de kat uit de boom.'”


Zeggen ze dat dan voor of na de voorstelling?

“Van tevoren. In België ook. Die Belgen zitten gewoon heel stil te genieten en dan krijg je na afloop een applaus van een kwartier. Waarbij ze dan niet opstaan.”

Ja, want waarom staan Nederlanders eigenlijk altijd op als ze gaan klappen?

“Ik begrijp het ook niet. Het zegt niks. In Duitsland maak je dat zelden mee. Tenzij je inmiddels zó vaak ergens gespeeld hebt en ze vinden het zó goed dat je een van hun helden geworden bent. Dan staan ze wel op.”

Het duurt ook altijd zo lang, dat applaus.

“Nou, hier in Nederland is het meestal snel afgelopen, hoor. Dan ga je af, dan kom je op, dan ga je weer af en dan kom je nog een keer op, en dan is het wel klaar.”

En als je pech hebt, sta je voor joker voor een lege zaal?

“Dat heeft Herman van Veen uitgevonden: als het applaus weg is, toch nog een keer opkomen. Ik was een keer in Düsseldorf, bij Van Veen in de kleedkamer. Na twintig minuten, hij had al gedoucht, zei die: ‘Kom, we gaan nog even.’ En die mensen stonden er nog. Want bij Van Veen weten ze: er kommt doch immer wieder.”

Met Van Veen bent u dus goed?

“Redelijk goed, ja. Maar eigenlijk zijn het toch allemaal eilanden, hè.”

U bedoelt de artiesten onderling?

“Ja. Toon Hermans had dat ook. Die dacht ook: het zou toch leuk zijn als ik met die en die een hele hechte band… Maar dat bestaat eigenlijk bijna niet. Kijk maar naar Vincent van Gogh, die had dat ook alleen maar met z’n postbode. Niet met z’n mede-artiesten.”

Ik was de eerste komiek ooit die uitgenodigd werd om in die zaal mijn onzin te komen brengen. Het is die gouden zaal, waaruit ieder jaar het nieuwjaarsconcert wordt uitgezonden. Toch stond er in de Nederlandsche kranten slechts een minuscuul aankondigingetje, alsof de Musikverein een soort muziekvereeniging is, vergelijkbaar met de plaatselijke hoofdstedelijke operette ofzo. Nee, ik ben niet boos, ik ben alleen zo ontzettend op mezelf gesteld, dat ik mijzelf af en toe eens een pluim op de hoed gun. Hare Majesteit weet wel waarover ik het heb. (Uit: Ick Hans Liberg – autobiografie).


Uw website bevat een pagina ‘Scores’: de kijkcijfers van al uw programma’s, marktaandelen, waarderingscijfers…

“In Nederland is dat misschien not done, maar in Duitsland vinden ze zoiets heel normaal.”

U bent een van de meest bezochte cabaretiers van Nederland?

“Ja, maar dat weet niet iedereen.”

Vindt u zichzelf goed?

“Ik vind mezelf wel goed, ja. Ik kan mezelf wel aankijken als ik zo’n show terugzie. Ik heb wel iets uitgevonden dat van mezelf is.”

En bent u tevreden over uw boek?

“Er is geen enkele pagina waarvan ik denk: die had er eigenlijk uit gemoeten.”

U heeft al eerder iets bij dezelfde uitgeverij uitgebracht.

“Ja, Pablo Pablo, een brievenboek. Dat was ook heel erg leuk, maar dat kwam toen net uit tijdens de Golfcrisis, dus… Het mooie is dan wel dat je de rest van je leven altijd iets in huis hebt voor als je opeens naar een verjaardag moet.”

Is dit nu de definitieve autobiografie van Hans Liberg?

“Nee, natuurlijk niet. Want ik ben een heleboel mensen vergeten. Daar kom je pas achter als het al bij de uitgever ligt.”

Wie bent u dan vergeten?

“Nou, eigenlijk alleen één iemand met wie ik al twintig jaar werk. En de huishoudster.”

Twee dagen na het interview is de feestelijke presentatie van het boekwerk in Carré. Een van de 39 aanwezigen is een aardige dame die wordt voorgesteld als zijn redacteur. De maestro zelf begroet ons met de verbaasde uitroep: “Hee, er is pers!” >

Hans Liberg (1954) werd geboren op de Elandsgracht in Amsterdam. Hij voltooide het gymnasium in Breda en studeerde muziekwetenschap in zijn geboortestad. Terwijl hij muziekles gaf aan de Kleinkunstacademie en de pabo stortte hij zich op een carrière in het cabaret. In 1983 behaalde hij de tweede plek op het Camaretten-festival, en een kwart eeuw later werd hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.


Liberg treedt regelmatig op in het buitenland. Hij woont in de bossen van Hilversum met kunstenares Marliz Frencken, met wie hij drie kinderen heeft. Hans Liberg bespeelt meer dan twintig instrumenten en maalt nog al zijn eigen haver.

Michiel Eijsbouts