James Fox (1954)

James Fox is ghostwriter van het boek Life, de recentelijk verschenen autobiografie van Rolling Stones-gitarist Keith Richards, maar vooral een gedreven schrijver en journalist Gijs De Swarte

‘ Inderdaad, ik heb voorafgaand aan dit project ook wel iets gedaan. Ik ben in de jaren zestig begonnen als klassieke rooie rakker bij het Sunday Times Magazine – een verdomd aardige bijlage met een oplage van twee miljoen. Je kunt het ook de maatstaf voor de Britse kwaliteitsjournalistiek in de tweede helft van de voorgaande eeuw noemen. Dat waren de gelukkige jaren, ja – mijn god: de drukpers, de geur van inkt, de deadlines. Je ging de wereld verbeteren en je nam je onderwerp te grazen, je versloeg je onderwerp, letterlijk en figuurlijk. En als je die strijd had gewonnen… Ik denk aan de val van Saigon, om daar bij te zijn. De Noord-Vietnamezen die de stad naderen, de paniek, de evacuaties, de ongelooflijke chaos. En dat dan op papier krijgen, zodat je al weet: dit gaat opschudding veroorzaken in Londen! Zullen ze eens lezen wat hier wérkelijk gebeurt. In Saigon destijds dacht ik: ik heb dit vak te pakken. Beter dan toen heb ik me nooit gevoeld. En Afrika, de strijd tegen apartheid. Ik versloeg dat vanuit de omringende landen. Ik vond dat ik moest laten zien dat dat dáár ook leefde. Ik wilde laten zien hoe het was aan de verkeerde kant van de spoorlijn, de grootste kant.

Ik heb altijd van de gitaar gehouden. Ik wilde zelf ooit enige tijd chansonnier worden. Heb nog opgetreden in een nachtclub of twee, drie, hetgeen godzijdank onopgemerkt gebleven is. En Keith Richards – je hoort al bij het eerste akkoord dat hij het is. Zó kan maar één enkele muzikant het, en ik wilde weleens weten hoe dat zat, dus heb ik hem in 1972 gevraagd of ik daar een verhaal over kon maken. Dat ging anders dan verwacht. Hij bleek er veel van te weten, het graag te vertellen en een groot deel van wat hij zei kon zo de krant in. En het werd opgemerkt. Mick was de show – iedereen was verblind door Mick in die tijd. Keith was een drugsverhaal. Dit wist men niet van hem. We hebben contact gehouden en toen die autobiografie geschreven moest worden, werd ik tot mijn verbazing gebeld of ik het wilde doen. Dus toen ging ik voor hem werken.


Vijf jaar ben ik met Keith bezig geweest. Het grootste werk was hem te pakken zien te krijgen – een kwestie van veel geduld. En hij had altijd muziek op staan. Dat was wat moeilijk bij het opnemen van het gesprek, dus in het begin heb ik er wel wat van gezegd: ‘We hebben een probleem als de muziek zo hard staat.’ Waarop hij zei: ‘Dat is jammer dan.’ Toen heb ik een microfoontje gekocht dat op zijn kleding geclipt kon worden. In tegenstelling tot bij een biografie hoef je je bij een autobiografie niet zozeer aan de chronologie te houden en is ook niet elk detail van belang. Dus dat maakte de opdracht gemakkelijker. En hij is een belangrijk cultureel figuur, ja. Ik heb er hard aan gewerkt.

Ik heb het eens uitgerekend laatst, en we zijn nu zo’n drie miljoen gedrukte woorden verder, nog afgezien van Life. En als ik dan denk aan Afrika en Vietnam – ik dacht dat ik de wereld kon veranderen, en dat is niet gelukt. Zo belangrijk was ik niet. Is dat teleurstellend? Je moet het wel willen als je jong bent, anders wordt het nooit wat. Laten zien wat er écht gebeurt, met als doel het te veranderen. Dat is het echte werk, dat is journalistiek: d’r tegenin! De connectie met Keith en het schrijven van Life is misschien dat hij die spirit ook altijd heeft uitgedragen.”

Volgende keer: Frénk van der Linden

import als ik eerlijk ben