‘Ben ik vijfendertig jaar met nonsens bezig geweest?’

Frénk van der Linden (1957) is schrijver, documentairemaker, journalist en interviewer. Op 16 februari wordt naar een idee van hem het Grote Interviewgala gehouden in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Het gaat natuurlijk om de blunders, de keren dat je keihard op je smoel gaat. Van wat goed gaat leer je weinig.

Ik herinner me de eerste keer dat ik een premier interviewde, Van Agt, uitvinder van het ‘ethisch reveil’. Het herstel van de christelijke normen en waarden, daar stond hij voor. Ik dacht na een minuut of vijftien: waarom zegt die man toch zo weinig? Kwam thuis, luisterde de band af en hoorde mezelf na vijf minuten zeggen: ‘Ja maar godverdomme meneer Van Agt, u weet toch zelf wel dat…’ Interviewer van tweeëntwintig leest minister-president de les, inclusief vloeken. Ja, daar wordt zo’n man niet erg mededeelzaam van.

Misser twee: China, Plein van de Hemelse Vrede in 1989, honderdduizenden studenten waren daar al weken aan het demonstreren voor meer vrijheid. Op een gegeven moment veegde het Volksbevrijdingsleger het centrum van Peking en het plein leeg. Ik schreef een stuk waarin stond dat die troepen duizenden vreedzaam protesterende studenten op het plein hadden vermoord, het algemeen bekende verhaal dat nu nog voor de waarheid doorgaat. Klein probleempje: het klopt niet. De werkelijkheid is dat er een paar honderd studenten en burgers zijn vermoord terwijl het leger vanuit de buitenwijken optrok naar het centrum. Op het plein is volgens talloze getuigen niemand omgebracht. Later heb ik dat eerlijkheidshalve nog wel opgeschreven, maar wat in dat eerste artikel stond was het verhaal van de studenten, met wie ik sympathiseerde.

Nummer drie: twee jaar terug interviewde ik de dirigent Gustav Leonhardt, een zwaar gereformeerde man van rond de tachtig en een grote naam in het vak, bijna net zo groot als Bernard Haitink. Dat interview liep niet, het bleef stroef; hij was en bleef naar binnen gekeerd. Dus wat was mijn briljante oplossing? Tien minuten voor het einde vroeg ik hem: ‘Klopt het dat uw vrouw ook in de muziek zit?’


‘Ja,’ zei hij, ‘zij speelt viool.’

Ik: ‘Wat is er nu prettiger, samen muziek maken of de liefde bedrijven?’

Het bleef vijf seconden stil en dat is vrij lang op de Nederlandse radio. Ik bood vervolgens mijn verontschuldigingen aan en vroeg: ‘Wilt u die accepteren?’ Weer een lange stilte, en toen: ‘Net aan, meneer Van der Linden. Net aan.’ Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Een mislukt interview proberen te redden door vlak voor het einde een steen naar iemands hoofd te gooien.

Oké, dat is tot daaraan toe, en er gaat ook weleens wat goed, maar er is nog iets. Ik heb Wij zijn ons brein van de hersenonderzoeker Dick Swaab gelezen en dat kan ik iedere journalist afraden. Hij schrijft in essentie dat wie wij zijn en wat we doen eigenlijk al vanaf de baarmoeder vastligt. We veranderen niet of nauwelijks en leren als het om ons gedrag gaat vrijwel niets van wat we meemaken in het leven. Nu was ik mijn fiducie in de psychologie op het niveau van ‘ik ben misbruikt door mijn moeder en daarom ben ik zo en zo geworden’ al een tijdje kwijt. Ik begrijp wel dat we ons leven van logica willen voorzien, maar ik ben dat gaan beschouwen als het schrijven van een soort literatuur over onszelf. We moeten ‘op verhaal komen’ als het ware. Maar mensen kunnen precies hetzelfde meemaken en daar volkomen verschillend uitkomen. Mijn zus Désirée, die op de millimeter dezelfde jeugd als ik doormaakte, heeft er een compleet ander verhaal over.

Ik begrijp dus dat mensen een vertelling fabriceren over wie ze zijn en dat ze dat nodig hebben om zichzelf staande te houden. Ik begrijp ook dat je mensen daarover kunt ondervragen, interviewen ja… en dat je vervolgens een artikel kunt schrijven waarin allerlei gebeurtenissen in iemands leven een logische samenhang hebben. Maar of er ook maar iets klopt van wat je je gesprekspartner ontfutselt, of al dat gepsychologiseer ook maar enigszins de waarheid benadert – ik heb daar steeds grotere twijfels over. Dus ik vraag me ondertussen af: ben ik de afgelopen vijfendertig jaar niet met nonsens bezig geweest?”

Gijs De Swarte