Carp diem!

Vissen, en alles dat daarmee te maken heeft, kun je in deze koude wintermaanden maar beter binnen doen. In de TT-hall in Assen werd voor een tweede keer het CarpEvenTT georganiseerd, een massaal evenement waarbij alles draait om karpers.

Wel eens een vis naar adem zien happen?

Zo moet ik er ook hebben uitgezien toen ik voor het eerst de naam van het spektakel zag dat ik zou gaan bezoeken.

Het draaide allemaal om het geschubde wezen dat karper wordt genoemd. Dat is carp, in het Engels. Hebt u dat?

De karper zou centraal staan op een speciaal georganiseerd evenement. Daarvoor hebben Engelssprekenden de term event uitgevonden. Dat hebt u ook?

Het karperevenement werd in Assen gehouden. Preciezer: in de TT-hall aldaar. Een ervaren puzzelaar voelt ‘m al aankomen.

Carp + event + TT.

Dat wordt dus?

Juist.

CarpEvenTT.

Op naar Assen.

Waar ik meteen stuitte op een paar spuuglelijke vissen.

En dat was dan nog maar in de haringkar vóór de TT-hall!

Een haring in Drenthe, daar is iets mee. Die zit niet lekker in z’n vel. Die hóórt daar niet. Die ligt daar natuurlijk ook veel te lang. Vandaar dat ik de verleiding makkelijk kon weerstaan en die zilte zooi links liet liggen. Naar binnen!

Het was de tweede editie van deze karperbeurs, zo kreeg ik van initiatiefnemer Hans van den Brink te horen. Dat nam evenwel niet weg dat men de TT-hall moest delen met de organisatie van een vlooienbeurs. Zodat Assen op deze bitter koude zondagmiddag niet één, maar wel twéé events binnen z’n stadsgrenzen had.

Van den Brink wees me op ‘het grootste verrijdbare aquarium van West-Europa’, dat midden in de hall (hierna gewoon te noemen: hal) was geplaatst. Twintigduizend liter kon erin, maar de organisatie van CarpEvenTT had er uit voorzorg wat water uit laten lopen, omdat de overenthousiaste vissen eruit dreigden te springen. En daar zou niemand wat aan hebben; een karper smaakt immers nog slechter dan een inferieure haring.


Karpers zelf hebben trouwens niets te klagen, als het op eten aankomt. Hoogstens is het vervelend dat de lekkernijen die ze in Nederlandse sloten en plassen krijgen aangeboden vaak een vlijmscherpe haak bevatten – denk aan het houten prikkertje in onze eigen cordon bleu. Maar vlak voordat het metaal zich een weg in zijn gehemelte boort, heeft zo’n karper wel een unieke smaaksensatie beleefd. Dat bleek in elk geval uit een bezoek aan de stand van KGB Baits, een fabrikant van aas die verder helemaal niets met de voormalige Russische geheime dienst te maken heeft. Op karpers wordt gejaagd met zogeheten boilies, die eruitzien als borrelnootjes en in een groot aantal exquise smaken worden geleverd. Er zijn red crab-boilies, maar ook varianten met namen als tutti ’n tuna en spicy liver. Het vissen zelf mag dan een smakeloze bezigheid zijn, het aas dat daarbij wordt gebruikt is dat allerminst.Desondanks leek karpervissen me net zo’n dieronvriendelijke activiteit als gansknuppelen, palingtrekken, katslingeren en stierenvechten. Maar dat zag ik toch echt verkeerd, verzekerde beursbezoeker Pim Dijkgraaf (21) me. “Karpervissers hebben een onthaakmat en een ontsmettingsmiddel voor wonden,” zei hij, en inderdaad: die attributen had ik bij een toreador nooit waargenomen. “Voor karpervissers staat de gezondheid van de vis altijd voorop.”

Dijkgraaf, net als tout vissend Nederland azend op het wereldrecord van ruim veertig kilo karper, wilde ook nog wel even kwijt dat deze tak van sport ‘zo veel méér is dan even een hengeltje uitgooien’. Zonder zich te bekommeren om de prachtige beeldspraak vertelde hij dat er binnen de karpervisserij ‘meerdere stromen’ zijn waar te nemen. “Het penvissen is de klassieke manier. Simpel de waterkant afstruinen en zoeken naar een teken van leven in het water. Echt achter de vissen aan dus, met je hengel en je dobber. Dan is er oppervlaktevissen. Vergelijkbaar met penvissen, maar dan alleen met een haak en drijvend aas. Je spot de vis en probeert rustig je aas boven hem te laten drijven. De populariteit van deze twee methoden komt de laatste tijd weer een beetje op vanwege nieuwe ontwikkelingen als soft hookers.”


En hier had hij mijn volledige aandacht terug.

“Soft hookers zijn zachte voerkorrels van tussen de twee en twintig millimeter. Ze zijn zacht, zodat ze rechtstreeks op de haak kunnen worden geplaatst, zonder speciale hair.”

Noteren, zei ik tegen mezelf: een soft hooker heeft geen hair.

Dijkgraaf, college gevend: “De nieuwste en inmiddels meest populaire manier is karpervissen vanuit de luie stoel. Vóór hij aan de gang gaat, heeft de visser vaak al een stek gezocht. Diepte peilen, activiteit opzoeken aan de oppervlakte en voeren om vertrouwen te wekken bij de karper. Als hij aan het water komt, gooit hij de hengels uit en is het wachten. Sommige van die vissers hebben zelfs een radiografisch bestuurde voerboot, waarmee ze de bodem af kunnen speuren en de vissen kunnen voeren. Verschil in het bodemverloop en vissen van enig formaat worden daarbij op het schermpje van de dieptemeter getoond. Deze vorm van vissen kan wel de hele nacht doorgaan, waarbij de vissers dan langs de waterkant een tentje hebben opgezet.”

Tweeënveertig stands telde het Carp-EvenTT, en daarin werd handel gedreven door verkopers van hengels en schepnetten en – inderdaad – tentjes en voerboten. Het bedrijf Carp Connections bood daarnaast karpervisvakanties aan. Tripjes met soft hookers naar de Beekse Bergen, maar net zo makkelijk naar le Domaine des Forges en Bounty le Mans in Frankrijk en zelfs richting de Canadese Fraser River. In de Noord-Italiaanse Po werden meervallen van meer dan honderd kilo in het vooruitzicht gesteld, en om potentiële klanten alvast te laten watertanden, had men in de folder een foto van de kop van zo’n monster afgebeeld. Het leek een beetje op een niezende Herman den Blijker.


Elders in de hal kon je voor één euro een sticker van een karper aanschaffen, maar voor het vijfvoudige daarvan had je al een echte. Een kleintje, dat precies in je binnenzak paste. Na die suggestie weigerde de neringdoende trouwens zo’n beestje van de hand te doen.

Maar goed ook eigenlijk, want voor de zoveelste keer mijn neus drukkend tegen de ruit van het grootste verrijdbare aquarium van West-Europa kon ik niet anders dan concluderen dat de karper (Cyprinus carpio) een uitermate onaantrekkelijke vis is. Het dier valt in negatieve zin op door z’n kleur, of beter gezegd het ontbreken daarvan, door de vier baarddraden die al net zo vies ogen als dat het woord klinkt en, vooral, door de immer pulserende bek, die doet denken aan het wanhopige zuigmondje van een naar fellatio snakkende nymfomane in een nonnenklooster. Des te knapper dat kunstschilder Remko van den Berg uit de Violenstraat in Rosmalen iets moois van dit beest kan maken. Van den Berg bemande een van de 42 stands op het CarpEvenTT. “Ik sta ook weleens op roofvisbeurzen,” zei hij, als om zijn veelzijdigheid te illustreren. “Dan sta ik voornamelijk met snoekbaarsschilderijen.”

Of het moeilijk is om een karper te schilderen, wilde ik van hem weten. Gewoon, uit belangstelling.

“Ach,” antwoordde hij, “elke vis is moeilijk. Vissen schilderen is een vak apart. Als je even een vin op de verkeerde plaats zet, ziet een kenner dat meteen. Maar des te groter de uitdaging. Elk schilderij is weer een gevecht.”

En aan elk werkstuk moest wel een loodzwaar prijskaartje bungelen, schatte ik zo. Mistroostige blik. “Ik mag als schilder mijn uren niet tellen. Maar gelukkig hoef ik er niet van te leven. Ik zit in de zorg.”


Trouwens, zo liet hij nog doorschemeren, een koe schilderen is ook geen sinecure. “Eén fout en het is meteen een ezel of een paard.”

Dat leek me een flinke fout.

“Maar het liefst,” mijmerde hij, “maak ik zo’n mooi, klein ijsvogeltje.”

En, bij het afscheid nemen zijn elevator pitch sublimerend: “Ik doe ook hondenportretten!”

Zonder al te veel aandacht te schenken aan de schermutselingen bij het NK voerbootvaren in een speciaal voor de gelegenheid gecreëerd nepmeertje – opmerkelijk genoeg won er iemand met de naam Plas – stiefelde ik af op de stand van de Hengelsportfederatie Groningen Drenthe. Dit tot zeer grote vreugde van ‘beleidsmedewerker’ Albert Jan Scheper.

“U bent van HP/De Tijd? O, het is al jaren mijn droom om in een opinieblad een gedegen artikel over vismigratie te lezen!”

Ik kon het niet over m’n hart verkrijgen om ‘Dream on’ te zeggen.

“Onze Nederlandse kusten zitten potdicht,” begon hij, waarna een verhandeling volgde over de waterhuishouding die in dienst van de landbouw was gaan staan. Het klonk als een aanklacht.”Iedereen kijkt tegenwoordig op National Geographic naar Great Migrations, en dat ziet er ook allemaal heel spectaculair uit, duizenden van die gnoes die een krokodillenrivier moeten oversteken. Maar de rivierprik, die paait in de bovenlopen van de Drentse Aa, is procentueel gesproken veel meer de klos dan de gnoe.”

Ik wist dat het zaak was nu vooral geconcentreerd te blijven luisteren.

“De prik moet van zee het zoete binnenkomen. In dat zoete zit de winde…”

Héél geconcentreerd!

“…en daar moet de prik zich dan aan vastzuigen. En dan heeft-ie een snoepreisje. Een winde? Dat is een zoetwatervis die tot de karperachtigen behoort. Weet u trouwens dat de blankvoorn… Ach, ik kan hier úren over praten!”


Dat wilde ik graag geloven.

“Het wringt wel een beetje bij me, hoor,” zei de beleidsmedewerker ineens schuldbewust. “Ik ben zelf heel ecologisch ingesteld, maar als ik een hengel in de hand heb, dan móet ik vissen! Maar op een verantwoorde manier, dat wel. Wist u trouwens dat de allereerste Drent een visser was?”

Ja, dat vermoeden had ik al. En z’n vangst wordt nog steeds in Assen verkocht. Met uitjes en zuur.

Michiel Blijboom