‘De pijn zit vaak in heel kleine zinnetjes’

Jaap Scholten schreef een boek over de vervolging van de adel onder het communisme in zijn nieuwe land, Hongarije, en herontdekte al doende zijn eigen wortels. Een gesprek over de verschillen tussen oost en west en over de gevolgen van de vernietiging van de aristocratie. Plus: het verhaal van een overlevende.

Het was nog altijd een onverteld verhaal, een verborgen geschiedenis. In de nacht van 2 op 3 maart 1949 werd de gehele Transsylvaanse aristocratie uit huis gehaald en gedeporteerd. Zestig jaar na dato hebben nog steeds maar weinig mensen weet hiervan, en zij die er weet van hebben, doen er liever het zwijgen toe.

Kameraad Baron, het nieuwe boek van auteur Jaap Scholten, werpt licht op deze onbekende bladzijde uit de Oost-Europese geschiedenis. Jaren geleden hoorde hij al flarden verhalen over de teloorgang van oude roemrijke families. Scholten, die sinds 2003 met zijn half-Hongaarse vrouw en hun drie zoons in Hongarije woont, bewonderde de onverzettelijkheid van de getroffenen en de strijd van de nazaten om dat wat was afgepakt en verloren is gegaan terug te krijgen en weer op te bouwen. Deze verhalen moeten worden opgeschreven, dacht hij.

Jaap Scholten (47), tot voor kort te zien als gids in het televisiereisprogramma Oostwaarts! over Oost-Europa, is vooral bekend van de succesvolle romans Tachtig (1995), Morgenster (2000) en De wet van Spengler (2008). Ook schreef hij reisverhalen en columns, onder meer gebundeld in Reisavonturen & bedevaartstochten (2002) en Heer & Meester (2008).

Familiebanden en afkomst vormen de belangrijkste thema’s van zijn autobiografische romans, die zich afspelen in het Twentse milieu van textielindustriëlen waar Scholten zelf uit voortkwam. Inhoudelijk ligt Kameraad Baron dus niet zo ver af van de rest van zijn oeuvre, al had hij voor dit boek aanvankelijk niet zichzelf als auteur voor ogen. Toen echter de grootmoeder en de tante van zijn vrouw kwamen te overlijden, wist hij: de tijd dringt. “Ik besefte dat met die oude mensen een heel archief van verhalen wegvalt, en daarmee een connectie naar een verleden en een verdwenen wereld. De mensen die de tijd vóór het communisme nog hebben meegemaakt, zijn allemaal 75 jaar of ouder. Die generatie sterft uit.”


In Kameraad Baron tekende Scholten de verhalen op van de verdwenen aristocratie van Transsylvanië, een gebied dat ooit gedeeltelijk tot Hongarije behoorde en waar nog altijd een aanzienlijk aantal Hongaren woont, maar dat nu binnen de grenzen van Roemenië valt.

Ten tijde van het communisme werden alle aristocratische families, alle grootgrondbezitters, bestempeld als klassenvijanden. In 1949 werden in één nacht tijd alle bijna drieduizend Transsylvaanse families (zo’n 7800 mensen) van hun bed gelicht en afgevoerd. Hetzelfde gebeurde in 1951 met de Hongaarse adel. Daarbij werden nog eens vijftienduizend mensen slachtoffer van deportatie. Zij mochten geen opleiding meer volgen, alleen handenarbeid verrichten, ze moesten in een kleine kelder wonen (in een woonplaats die ze vaak niet mochten verlaten) en hun bezittingen werden onteigend. Complete bibliotheken en familiearchieven werden verbrand, kennis en cultuur werden vernietigd, landhuizen en kastelen geplunderd en vernield. Wie het slechter getroffen had, kwam in een gevangenis terecht of een werkkamp, waarvan het kamp bij het Donau-Zwarte Zeekanaal (dat door gevangenen werd gegraven) het meest beruchte was. Het stond bekend als het graf voor de Roemeense bourgeoisie.

Scholten bezocht al deze plekken en sprak met de oudere en jonge generatie aristocraten over het verleden, heden en toekomst van de mensen, het land en de gerestitueerde landgoederen. Met veel geduld lukte het de Nederlandse schrijver de oudere generatie ertoe te bewegen over hun ervaringen te vertellen. “Mensen wilden de dingen niet oprakelen, niet voor zichzelf, maar ook niet voor hun kinderen of kleinkinderen. ‘Niemand is erbij gebaat te weten wat voor ellende ik heb moeten doorstaan,’ vinden ze. ‘Een waarachtig gentleman valt een ander niet lastig met zijn problemen.’ Het is een klasse die er zelf vrijwel niet over spreekt. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig waren alle schoolboeken op marxistisch-leninistische grondslag geschreven. De aristocratie werd beschouwd als de ‘uitbuiters’, de ‘parasieten’. Die klasse werd vervolgens uitgemoord, en daarna is dat hele verhaal doodgezwegen, tot op heden. De gemiddelde Hongaar weet hier helemaal niets van. Ik denk dat dit boek pas over een jaar of tien kan verschijnen in Hongaarse of Roemeense vertaling. Voor veel mensen is het nog te lastig of te pijnlijk.”


Kameraad Baron schetst een wereld die mijlenver van de onze af staat. Een wereld waarin mensen decennialang zijn onderdrukt en ook vandaag de dag nog altijd onvrij zijn. Waar nog steeds een geheime dienst werkzaam is; niet ter bescherming van het land voor gevaren van buitenaf, maar ter bescherming van de machthebbers zelf.

“Mensen kunnen gewoon hun folteraar tegenkomen op straat. Iemand die ik heb geïnterviewd vertelde hoe ze over straat liep en uit een portiek de man zag stappen die haar gemarteld had. Ze herkenden elkaar. Daarna kwam er weer een paar weken lang elke dag iemand posten bij haar huis. Dat is een realiteit waar wij niet vertrouwd mee zijn. Nu pas beginnen er boeken te verschijnen over de terreur van het communistische bewind. Het raffinement van het systeem en de gruwelijkheid ervan, is ongelooflijk. Alleen al in Roemenië zijn er tweehonderdduizend mensen vermoord door het regime, een gigantisch aantal.”

De vernietiging van de aristocratie is daar slechts een klein onderdeel van, maar heeft, zo maakt Scholten in zijn boek inzichtelijk, veel verstrekkender gevolgen dan alleen het uitwissen van een sociale klasse; zij had ingrijpende gevolgen voor de samenleving als geheel. Het waren juist deze mensen die een groot verantwoordelijkheidsgevoel hadden voor de gemeenschap, die zorgden voor hun werknemers, die de samenleving verrijkten met hun kennis en prettige omgangsvormen, hun internationale blik en langetermijnvisie. Van dat alles is weinig bewaard gebleven.

“Er heeft een ongelooflijke vernietiging plaatsgevonden van rijkdom in elke zin van het woord: van talent, van cultuur, boeken, kennis. Mensen zijn vaak geneigd te denken dat overerving van titel en bijbehorend bezit oneerlijk is en dat aristocratische families een volkomen zorgeloos bestaan leiden. Maar die families beschouwden hun positie juist als een rentmeesterschap: ze waren er sterk van doordrongen dat hun eigendom niet hun eigen verdienste was en dat ze zorg moesten dragen voor anderen en voor het land. Zij namen grote verantwoordelijkheid voor de samenleving. Die sociale component is verloren gegaan. Kapitalisme zonder die sociale component is evengoed een gruwelijk systeem. Het zijn nu alleen maar überkapitalisten die de dienst uitmaken, die alleen maar aan zichzelf denken en zich verrijken. Terwijl het grootste deel van de bevolking het gewoon slecht heeft en weinig perspectief dat er iets zal veranderen.”


Zelf was hij ook veel optimistischer, naïever misschien, toen hij in Hongarije ging wonen. “Als je na het communisme daar komt, denk je al snel: ach, het is een beetje grijs geweest, of: mensen zouden wellicht wat vrolijker kunnen zijn. Ik snap nu veel beter waarom ze zijn zoals ze zijn. In veel van die landen is de stemming onder de bevolking desperaat. Mensen dachten dat het na het communisme beter zou worden, maar dat is eigenlijk nauwelijks het geval gebleken. Het zijn de voormalige communisten die de macht hebben behouden. In de communistische tijd ging je als je iets verkeerds zei de gevangenis of een werkkamp in, nu verlies je je baan. Mensen hebben veel minder dan wij het gevoel dat ze zelf de controle hebben over hun eigen leven, zij voelen zich overgeleverd aan de machthebbers. Het is nog steeds een hiërarchisch systeem waarin men gedwee orders opvolgt – ook als die contraproductief zijn – en niet zelf nadenkt of ingrijpt. Die landen zijn nog steeds heel kwetsbaar. Daarom is het denk ik verschrikkelijk belangrijk dat West-Europa zo veel mogelijk de hand reikt en zo veel mogelijk doet om te helpen.”

Wat Scholten het meest trof, was het sadisme dat in mensen werd wakker geroepen en gestimuleerd. Dat kwam niet alleen in martelingen en moord tot uiting, maar ook in kleinere zaken die geen ander doel dienden dan mensen geestelijk te breken. Zoals in het geval van de negentigjarige gravin Erszébet T., die na de deportatie gescheiden leefde van haar vader. Zij verbleef in Hongarije, hij in Roemenië, en de grens was dicht. In 1955 lag haar vader op sterven, maar zijn dochter werd een bezoek aan haar stervende vader geweigerd. Zulke dingen raakten Scholten diep. “Wat heeft het voor nut om een dochter niet bij haar stervende vader te laten zijn, wie of wat is daarmee gediend? Het is vreselijk, en bovenal zó nutteloos.”


Hij vertelt over het bezoek dat hij met een vrouw bracht aan de kelder waar zij zestien jaar had gewoond. Scholten staat op, loopt naar een muur en schetst gebarend met zijn armen de afmeting van haar huis: zo’n 1,5 bij 3 meter, met daarin ook nog een keukentje. “Echt een minuscuul hok. Ze woonde daar met haar man, die later overleden is. Zij hield heel erg veel van hem, en daarom was het de gelukkigste periode van haar leven. Toen ze de kelder terugzag, was ze er kapot van – ik voelde me daar achteraf vrij schuldig over. ‘Voor mij was het een droomplek,’ zei ze, ‘maar het was niet meer dan een gat in de grond.’

“Een andere vrouw die ik sprak, bleek een zoon te hebben van mijn leeftijd. Hij was zeer begaafd, maar was tot niets meer in staat; hij zat alleen maar depressief op de bank. Zijn vader was gemarteld, aan de drank geraakt en agressief geworden. Zo veel mensen zijn verschrikkelijk aangepakt. Met het sluiten van de folterkamers is de ellende niet afgelopen; die wordt nog generaties lang doorgegeven.”

In toon en inhoud is Kameraad Baron terughoudend; de gruwelen spatten niet van de pagina’s af. Degenen die hun verhaal vertellen, doen dat ingetogen, feitelijk haast. Over de psychische en emotionele gevolgen van de ontberingen wordt nauwelijks gerept. “De adel komt voort uit een militaire traditie van eer en je groot houden. Het zijn over het algemeen stoere mensen, ze vertellen dingen heel onderkoeld. Op sommige momenten besefte ik terdege dat ik echt alleen maar het puntje van de ijsberg zag. Als ze zeggen: ‘Het was niet zo leuk,’ dan betekent dat waarschijnlijk dat ze gemarteld zijn en elektroshocks kregen. Dat is iets wat ik ook uit mijn eigen opvoeding ken: dat dingen onderkoeld gezegd worden, niet heel expliciet. Je gaat niet zitten grienen. Ik heb het idee dat ik wat dat betreft door anderen niet altijd word begrepen. In Nederland wordt drama soms verward met heel hard kut roepen. Dat is niet mijn opvatting. De pijn of het verdriet zit vaak in heel kleine zinnetjes.”


Zijn afkomst verloochent zich niet, al heeft Scholten zich lange tijd tegen zijn milieu afgezet. Zijn vader kwam uit een geslacht van textielindustriëlen, zijn moeder kwam uit de Stork-familie, van de bekende machinefabriek. Zijn vader en moeder scheidden toen Jaap Scholten nog klein was. Zijn moeder, vier broers en hij leefden op bescheiden voet, maar het landgoed waar zijn grootouders leefden, herinnerde aan de vroegere welgesteldheid, en ook werd hij volgens de regels van die wereld opgevoed.

De jongere Jaap had een afkeer van de druk die daarvan uitging en zette zich af tegen zijn familie door vlak voor het einde zijn studie industriële vormgeving af te breken, allerlei baantjes te nemen en er een wild leven op na te houden.

Zijn leven nu ziet er heel anders uit. In de winter woont de schrijver in Boedapest, in de zomer op het platteland, zoals de aristocratische families ook vaak deden. Soms bevindt hij zich in een gezelschap van graven en prinsessen of ambassadeurs, dan weer zit hij tussen de boeren. Scholten heeft een aanzienlijk bos onder zijn beheer en heeft zes miljoen bomen laten aanplanten. Zijn kinderen bezoeken een internationale school.

Hij lacht: “In zeker opzicht leid ik het leven van mijn grootouders. Ik heb land, personeel. Van de vijf broers ben ik degene die zich het meest heeft afgezet en ben ik uiteindelijk degene die in deze situatie is beland. Dat is wel opmerkelijk. Maar het bevalt erg goed, al is het veel gedoe. Ik heb een veelzijdig en vol, rijk leven.”

Mede door het boek heeft hij meer waardering gekregen voor de Nederlandse elite en zijn eigen wortels. “Vroeger zag ik er alleen maar alle lulligheid van in, en de verschrikkelijke predestinatie. Nu zie ik ook het waardevolle. In Hongarije heb ik pas echt de goede kanten van mijn opvoeding opgemerkt. Je netjes gedragen, met veel verschillende mensen kunnen omgaan, daar heb ik voordeel bij. Ik ben in Hongarije hoffelijker geworden. Ik help mijn vrouw vaak in haar jas; in Nederland durf ik dat niet te doen, want word je bijna een soort vrouwenonderdrukker gevonden. Ik vind het héérlijk om weg te zijn uit Nederland. Mensen geven zich er veel minder rekenschap van anderen. Het recht van het individu is volkomen doorgeschoten.”


Het leven in verschillende culturen is verrijkend, vindt hij, vooral als je het beste uit de culturen probeert te verenigen. “Mijn vriend Pista Pálffy is een geweldig voorbeeld van iemand die het beste uit twee culturen – de Hongaarse en de Engelse – heeft verenigd. Hij is een echte oude Hongaarse Dubbelmonarchie-heer, maar met een Engels gevoel voor humor en zelfrelativering. Hij is enorm open, welbespraakt, en ondertussen deelt hij handkussen uit. Geweldig. De nieuwe elite in Hongarije daarentegen heeft het slechtse van twee werelden bij elkaar gebracht. Ze hebben de onopgevoedheid van de communistische beulen en de bekrompen, xenofobe, afgesloten blik op de wereld van mensen die niet hebben gereisd, gecombineerd met een afschuwelijk Amerikaans materialisme, grote waarde hechtend aan snelle auto’s, speedboten, jacuzzi’s en breedbeeldtelevisies.”

In zijn boek beschrijft Scholten hoe Transsylvanië, net als Nederland waar het rijkelijk door is beïnvloed, altijd een plek van grote tolerantie is geweest, waar Saksen, Széklers, Hongaren, Roemenen, Armeniërs, Joden, mensen uit Wallachië en zigeuners met elkaar samenleefden. “De Hongaarse componist Zoltán Kodály reisde daar rond om volksmuziek op te nemen. Hij was geïrriteerd als een dorp helemaal Hongaars of helemaal Roemeens was, want dat leverde totaal geen interessante muziek op. De dorpen waar al die mensen bij elkaar leefden, dáár ontstonden de interessante dingen. Die gemengdheid moet je koesteren.”

Een verhaal van gravin Erszébet T. is daarvoor een mooie metafoor, vindt hij. “Zij had vroeger allemaal dieren bij haar huis: wolven, reeën, adelaars, van alles. Die dieren liepen los en dat ging gewoon goed. De regel was: als er een nieuw dier komt, ga je ermee langs alle andere dieren om ze aan elkaar te laten snuffelen. Zo simpel is het: iedereen moet aan elkaar snuffelen. Uiteindelijk denk ik dat wat mensen willen in het leven elkaar niet zo veel ontloopt. Wat de aristocratie deed, wat die oude wereld deed, is dat men elkaar in elk geval hoffelijk tegemoet trad. Als we dat nu ook zouden doen, zouden we een grote stap verder zijn.”


Jaap Scholten: Kameraad Baron. Contact, € 21,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Graaf Pista Pálffy (1933) stamt uit een adellijke familie uit Boedapest en werd in de jaren vijftig naar een werkkamp gestuurd.

“Het eerste wat ik zelf van de communistische klassenoorlog merkte, was dat ik in ’49 – ik was zestien – van het gymnasium werd verwijderd. In 1951 begonnen de deportaties. Ik woonde bij mijn moeder. Om de autoriteiten te misleiden, lieten we ons wekelijks op een ander adres inschrijven, waar we niet verbleven. Mijn moeder werd gearresteerd – ik niet, ze hadden mijn naam verkeerd geschreven. Zes weken wisten we niets van elkaar; toen lukte het haar om iemand in de gevangenis bereid te vinden een stukje papier met een paar regels erop te posten. Een paar maanden later kon ik haar voor het eerst bezoeken.

“Tijdens mijn militaire dienst werd ik ontmaskerd als ‘klassevijand’. Een week lang werd ik ondervraagd, steeds opnieuw moest ik mijn levensverhaal vertellen. Ze vroegen of ik informant wilde worden, maar dat heb ik geweigerd. Toen werd ik naar een werkkamp gestuurd: eerst een kolenmijn, later een bouwplaats. Ik werd metselaar.

Hoe het daar was? Overbevolkt en ondervoed. In de kolenmijn werkten we in shifts van acht uur, met een uur heen en een uur terug om er te komen. Er was weinig voedsel, maar na verloop van tijd werd dat beter om de productie op peil te houden. Daardoor verhongerden we niet helemaal.

“In het dwangarbeiderskamp waar ik daarna terechtkwam, werd het voedsel steeds slechter en schaarser. Het was zomer en men had bedacht dat we van zonsopgang tot zonsondergang moesten werken. Op papier werden we betaald, maar daar werd op ingehouden voor huisvesting, eten en bewaking, dus uiteindelijk kreeg je niets.


Sommigen moesten zelfs achteraf nog betalen voor hun verblijf en eten in de gevangenis. Ik heb geluk gehad; ik werd in 1956 met de revolutie bevrijd. Ik ben lopend naar Oostenrijk gevlucht en ben vervolgens gaan studeren in Cambridge. Mijn ervaringen hebben me gehard en ik heb praktische dingen geleerd. Ik kan nog steeds een huis bouwen als het nodig is.

“Maar er waren ook mensen die al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in een kamp zaten, of zelfs daarvoor al in een Duits concentratiekamp hadden gezeten. De meesten waren verbazingwekkend veerkrachtig en leerden elkaar talen om de geest bezig te houden, maar velen hebben wel een bitterheid over zich gekregen.

Mensen in West-Europa en Amerika denken vaak dat de Tweede Wereldoorlog is geëindigd in 1945. Maar voor de mensen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn hield die pas op in 1989, met het einde van de Sovjet-bezetting.”

Vivian de Gier