Heel soms maakt hij het verschil

Toen gezinsvoogd Ton Moolenaar 32 jaar geleden begon, zag hij zichzelf nog als redder in nood. Inmiddels weet hij dat hij mensen nu eenmaal niet kan veranderen. HP/De Tijd liep een maand mee en kreeg een uniek inkijkje in de wereld van de jeugdzorg. ‘Ik zal nog eens met je vader gaan praten.’

Bureau Jeugdzorg Noord-Holland huist achter een statige oude gevel aan de Haarlemse Zijlweg. Een dubbele deur met daarboven een muurornament geeft toegang tot een hal met muurschilderingen die verwijzen naar de tijd dat in dit pand Hin Kousenfabriek was gevestigd. Vers opgeknapte spreekkamers wachten op kinderen, ouders, pleegouders en jeugdwerkers. Geen slechte werkplek, complimenteer ik Ton Moolenaar. Inderdaad, zegt hij, maar helaas, zijn bureau staat elders. We verlaten het pand aan de achterzijde en lopen over een parkeerplaats naar een kluitje nondescripte nieuwbouw dat daar wat lukraak lijkt neergezet en waar ook een aantal jeugdbeschermers kantoor houdt. Moolenaar, met 63 een oude rot in het vak en behalve gezinsvoogd ook voorzitter van de Belangenvereniging voor Medewerkers van de Bureaus Jeugdzorg, deelt er een kamer met vier teamgenoten. Zijn eigen werkhoek in die kamer is een schilderachtig universum van paperassen, schrijfwaren, post-its en onbestemd roerend goed.

Deze donderdagochtend vergadert hij met de andere leden van zijn team onder leiding van een gedragswetenschapper van het bureau. Het betreft een zogeheten methodische casuïstiek-bespreking, een regelmatig overleg waarin men met elkaar analyseert welke successen er zijn behaald, welke actuele problemen er spelen en welke koers het best kan worden gevolgd. De gedragswetenschapper vat ideeën en conclusies samen en noteert ze op een flip-over.

Vandaag gaat het voor een groot deel over Wesley*, een jongetje van drie dat Ton Moolenaar onder zijn hoede heeft. Al een paar maanden na Wesleys geboorte kreeg het Meldpunt Kindermishandeling van verschillende kanten signalen dat het kind gevaar liep. Wesleys (zwakbegaafde) ouders waren in een slepende vechtscheiding verwikkeld. Moeder dronk en blowde en had een nieuwe partner die verslaafd was aan cocaïne en zich agressief gedroeg. Ook kwamen er veel gebruikers over de vloer. Dat alles leverde een zo onveilige situatie voor de baby op dat de politie samen met de Raad voor de Kinderbescherming en Ton Moolenaar van Bureau Jeugdzorg bij moeder binnenviel om het kind uit de box te plukken. Wesley werd op een tijdelijk opvangadres ondergebracht en onder voorlopig toezicht geplaatst. Navrant detail was dat moeder als jong meisje ook met de kinderbescherming te maken had gehad.


Sinds de ondertoezichtstelling slonken sommige problemen, maar ontstonden er ook nieuwe. De cokesnuiver en ook de gebruikende bezoekers verdwenen goeddeels uit beeld en Wesley keerde terug naar zijn moeder. De gezinsvoogd wist een omgangsregeling met de biologische vader tot stand te brengen. Na een tijdje echter beschuldigde moeder vader van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat maakte ze op uit bepaalde woorden en gedragingen van haar zoontje. Ton Moolenaar: “Volgens moeder steekt Wesley soms zijn vinger in de mond steekt en zegt ‘piel!’, waarmee hij dan op Chiel, zijn vader, zou doelen.” Daarnaast viel haar op dat Wesley vaak met zijn piemel speelde en dat die soms flink stijf werd; hij had ook onverwachte driftbuien. Ze deed aangifte van mogelijk seksueel misbruik, maar daar kon de politie niet mee uit de voeten, omdat een zo jong kind niet viel te verhoren. De huisarts zag bij het jongetje geen fysieke of gedragsmatige aanwijzingen voor misbruik.

Wat doe je met een strijdzaak waarin beide ouders jou voor hun karretje proberen te spannen, vraagt Moolenaar aan zijn collega’s. Die raden hem aan te proberen met beide ouders in contact te blijven door hen erop te attenderen dat ze allebei willen dat het hun kind goed gaat. Een gezinsvoogd moet ouders laten merken dat hij oor heeft voor hun opmerkingen en hen niet als zeurkousen beschouwt. Maar hij moet hen ook weten te begrenzen door bijvoorbeeld voortdurend geklaag over ex-partners af te wijzen. Uiteindelijk moet het welzijn van het kind de focus blijven.

Na de bespreking schuift Ton Moolenaar achter zijn bureau, zet een hoofdtelefoon op en voert enkele telefoongesprekken. Dan wekt hij zijn pc om post te verzorgen en een rapportage af te ronden. “Telefoneren en typen: dat is een groot deel van het werk van een jeugdbeschermer,” zegt hij. “We leggen zo veel mogelijk vast, van contactjournaals tot plannen van aanpak en beschikkingen. Zelfs een niet-beantwoord telefoontje moeten we noteren en een tussentijdse evaluatie beslaat al gauw tien pagina’s. Dat heeft te maken met het feit dat we in toenemende mate verantwoording moeten kunnen afleggen, vooral als er iets misgaat en we daarmee weer eens de krant halen. Dan moet je kunnen achterhalen wie op welk moment wat deed. Een indekcultuur: vreselijk, maar wel noodzakelijk om onszelf te beschermen.”


Een deel van de bureaucratie is noodzakelijk, legt hij uit, omdat beleid, doelen, afspraken en vervolgstappen vast moeten liggen, zodat collega’s die kunnen terugvinden als een gezinsvoogd uitvalt. Maar vaak verplichten de overheid en ook de eigen organisatie tot een omslachtigheid die alleen maar archiefkasten vult en tijd verslindt. Voorbeeld: “Voor allerlei maatregelen zijn ingewikkelde indicatiestellingen verplicht, waar iedereen gek van wordt. Vroeger gaf je op één A4-tje aan welke hulp er nodig was. Veel zou simpeler en korter moeten kunnen. Ik zit vijftig tot zeventig procent van mijn tijd achter het bureau en dat vind ik veel te veel.”

Voor huisbezoeken heeft hij maar vier à vijf uur per week tijd. Op een middag gaat Ton Moolenaar langs bij de vijftienjarige Eefje en haar moeder Aïda. De ouders zijn al jaren gescheiden. Eefje heeft daarna lang in een pleeggezin gewoond. Vorig jaar keerde ze terug bij haar moeder, die inmiddels met een nieuwe partner met kinderen samenwoonde. Moeder Aïda en vader Dries maken elkaar nog steeds grote verwijten. Het jongste dispuut betreft de door moeder geopperde vraag of haar ex Dries wel de biologische vader van Eefje is.

De gezinsvoogd heeft een DNA-test voorgesteld; voor de kosten, 209 euro, wist hij wel een speciaal potje. Deze middag komt hij de uitslag brengen: met 99,99 procent zekerheid is Dries inderdaad de vader. Eefje reageert schouderophalend en doet er verder het zwijgen toe. Moeder zegt dat ze liever een andere uitslag had gezien, want dan had Eefje zich niet meer verplicht hoeven voelen regelmatig bij Dries op bezoek te gaan. Dat doet ze niet graag, volgens moeder; de laatste keer was Eefje niet blijven logeren omdat ze de badkamer te vies vond en omdat Dries weer had gedronken. En hij had ook nog eens met Eefje ge-msn’d over zijn seksuele avontuurtjes en dreigementen geuit aan het adres van Aïda en haar nieuwe partner. Moolenaar gaat niet op Aïda’s beschuldigingen in, maar vraagt aan Eefje of ze zich wel veilig voelt bij haar vader thuis. Gaat wel, mompelt Eefje. “Ik twijfel daar toch aan,” zegt de gezinsvoogd. “Ik zal nog eens met je vader gaan praten.” Dat vindt Eefje best. Als ze nu maar eindelijk naar buiten kan.


Op een kast staan foto’s van haar broertje Bas. Die woonde bij moeder Aïda en haar nieuwe gezin, totdat een jong stiefzusje, dochtertje van Aïda’s partner, hem betichtte van seksueel misbruik. Toen Bas dat min of meer bevestigde, zette de vader van het meisje hem met instemming van Aïda uit huis. Via Jeugdzorg kwam hij in een pleeggezin terecht. Er is nauwelijks nog contact met Bas, zegt Aïda desgevraagd.

Een paar dagen later fietst Ton Moolenaar naar een vreugdeloze hoogbouwwijk aan de rand van Haarlem. Een recente opknapbeurt heeft de meeste groezeligheid verdreven, maar niet de sfeer van minima, uitkeringen, zorgen en gebrek aan perspectief. Op tienhoog reageert Dries niet op de bel, wel op een roffel op de deur. De bel is kapot, excuseert hij zich, net als de koffiezetter, en luxe heeft hij ook niet; hij zit nu eenmaal chronisch krap bij kas, zo’n bijstandsuitkering is maar een schijntje. Het flatje oogt haveloos. Vergeelde lamellen hangen driekwart dicht voor vuile ramen. De meubels zijn afgeleefd en bedekt met mottige dekens. De asbak ziet uit op een groot televisietoestel.

Als Dries de schriftelijke uitslag van de DNA-test krijgt, reageert hij blij: “Die ga ik maar inlijsten, geloof ik.” Op verzoek toont hij de gezinsgezinsvoogd zijn badkamer en hij bevestigt diens conclusie dat hier een grondige schoonmaakbeurt moet plaatsvinden. Verder is hij naar eigen zeggen vrijwel van de drank af. Ook ziet hij in dat hij beter niet met Eefje had kunnen msn’en over seksuele avontuurtjes. Als Moolenaar aankondigt dat hij de binnenkort aflopende ondertoezichtstelling voor beide kinderen wil laten verlengen door de kinderrechter, reageert Dries gelaten. Al is hij het niet eens met de opstelling van Aïda en haar nieuwe partner. “Daar ga ik het met jou niet over hebben,” zegt de gezinsvoogd. “Ik ben er voor de kinderen.”


Op de terugweg over de galerij: “Deze mensen zijn al tien jaar in de weer metBureau Jeugdzorg. Onder de nieuwe, aangescherpte wetgeving waren ze al lang ontheven van het ouderlijk gezag. Kinderen grootbrengen, sommige mensen kunnen het gewoonweg niet. Daar zit ook meteen de tragiek, want geen enkele ouder zet een kind op de wereld om het vervolgens bewust te laten mislukken.”

De duisternis valt, deze donderdagmiddag. Zijn werkweek als gezinsvoogd zit erop. Morgen is zijn ouwelullendag en die besteedt hij aan zijn werk als voorzitter van de Belangenvereniging voor Medewerkers in de Jeugdzorg. Daar heeft hij de handen aan vol, want de BMJ gaat vanaf 2011 samen met de beroepsvereniging voor maatschappelijk werkers een platform vormen dat zo veel mogelijk jeugdzorgprofessionals bij elkaar wil brengen om op die manier meer invloed te kunnen uitoefenen op de werkgevers en de politiek.

Om te voorkomen dat minder veeleisende zaken op de achtergrond raken, bespreken de Haarlemse jeugdbeschermers hun hele caseload eens in de zes weken met de gedragswetenschapper van het bureau. Doorgaans heeft een voltijds werkend teamlid vijftien tot zeventien kinderen onder zijn hoede, zodat er per team altijd tientallen dossiers aan de orde zijn.

Op een ochtend neemt Ton Moolenaar zijn lopende zaken met de gedragswetenschapper onder de loep. Het dossier van Larissa, bijvoorbeeld, een mooie meid van vijftien uit een villadorp achter de duinen. Ze woont sinds een half jaar op de Wyldemerk, een Friese campus waar 36 probleemjongeren wonen die geen zin meer hadden in school en vice versa. Via een intensief en strak programma worden ze gesteund in hun persoonlijke ontwik-keling met als doel hen alsnog een schooldiploma te laten halen. Larissa kwam via de Jeugdzorg op de Wyldemerk terecht toen zij door haar cannabisverslaving afgleed naar apathie en onbereikbaar werd voor haar (gescheiden) ouders. Zij had ook al taakstraffen opgelopen wegens diefstal. Het ziet ernaar uit dat Larissa twee jaar op de Wyldemerk zal blijven.


“De vraag is hoe we haar perspectief blijven bieden,” zegt de gedragswetenschapper. Moolenaar verwacht wat dat betreft wel iets van de Eigen Kracht Conferentie die binnenkort plaatsvindt. Dat is een bijeenkomst waarvoor het hele netwerk rond een cliënt van de jeugdzorg wordt opgetrommeld: van familieleden tot leerkrachten en goede bekenden. Zo’n kring van intimi inventariseert hoe een kind praktisch kan worden geholpen en wie daaraan een bijdrage kan leveren. Het idee stamt van de Maori’s, die een manier zochten om kwesties in eigen kring op te lossen voordat buitenstaanders zich ermee zouden bemoeien. “Uitgangspunt is dat het probleem eigendom is van het gezin en niet van de instanties,” licht Ton Moolenaar toe. “Voor het betrokken kind is het heilzaam dat bekenden zich intensief met zijn sores bezighouden. Meestal wordt een aanpak gevonden.”

Een week later zoeken we Larissa op in het Friese Harich, een eindje boven Lemmer. Daar komen begeleiders van de Wyldemerk, Larissa, haar ouders en gezinsgezinsvoogd Moolenaar samen om te bespreken hoe het met het meisje gaat. Vader wilde aanvankelijk niet komen omdat hij razend is op zijn ex, maar is toch naar Friesland gereisd. De ouders kijken elkaar niet aan; de atmosfeer is geladen.

Larissa houdt een presentatie van wat zij van plan is hier te bereiken. Moeizaam formulerend en met veel stiltes zegt ze dat ze zich redelijk aan de regels weet te houden en beter haar bed uit kan dan vroeger. Maar het blowen kan ze niet laten, ook al wil ze er vanaf. Toen ze afgelopen weekend met vier Wyldemerkers naar Heerenveen was geweest, kon ze de verleiding van de coffeeshop niet weerstaan. Het weekendverlof is ook nog geen succes, dan maakt ze ruzie.


Als Larissa op verlof is, voegt moeder toe, is ze vooral weg en heeft moeder geen idee wat ze uitspookt. Ze vraagt er ook niet meer naar, want ze krijgt toch nooit een antwoord. Is Larissa thuis, dan hangt ze zwijgend op de bank. Vroeger hockeyde ze veel en graag, maar daar heeft ze ook geen zin meer in. “Wat voor meisje ben jij eigenlijk?” vraagt een begeleidster van de Wyldemerk. “Je laat weinig over jezelf los.” Larissa zoekt wel een minuut naar woorden en antwoordt dan: “Ik weet het zelf niet. Ik weet niet waarom ik iets niet kan of wil, of waarom ik iets doe.” Een andere begeleider stelt Larissa nog een reeks indringende vragen, maar er komt bijna niks uit. “Als ze bij mij is, sluit ze zich ook helemaal af,” zegt vader. Dat kan aan het drugsgebruik liggen, meent een begeleider: jongeren die veel blowen, worden vaak onherkenbaar voor hun ouders. Vader knikt. Larissa zwijgt. “Het verlof is een punt voor de Eigen Kracht Conferentie,” zegt de gezinsvoogd dan. “Maar als die geen verbetering oplevert, ga ik in de weekendverloven snijden, want die breken maar af wat je hier in Friesland door de week opbouwt.”

Een dag of tien later vindt de conferentie plaats. Zo’n vijftien betrokkenen bespreken een hele middag hoe ze eraan kunnen meehelpen dat Larissa’s weekends thuis plezieriger uitpakken. Een oom regelt een fiets, een goede kennis probeert haar te laten scheidsrechteren bij de hockeyclub, er wordt een strak en gedetailleerd schema voor weekends en vakanties gemaakt, er staan zes mensen paraat om zonodig in actie te komen en binnen een maand vindt de eerste nabespreking plaats. En Larissa spreekt af het gezag van haar ouders te accepteren, haar emoties te uiten en het cannabisgebruik tot een minimum te beperken


“Ik zou het liefst aan het begin van elk traject met een kind zo’n conferentie houden,” bepeinst Ton Moolenaar.

Toen hij 32 jaar geleden als gezinsvoogd begon, koos hij bewust voor dat vak. “Ik zag de gezinsvoogd toen als redder in situaties waarin ouders het hadden verknald. Ik zou laten zien dat en hoe het anders moest. Zo niet, dan moest het kind het huis uit. Ik vond ook dat ik dit werk voor langere tijd moest doen, anders was ik voor het kind en de ouders de zoveelste voorbijganger die zich even met hen bemoeide. Vroeger voelde ik me gehouden oplossingen te leveren en zag ik ouders eigenlijk als tegenstanders, nu zie ik hen meer als gelijkwaardige partners en als eigenaars van het probleem in hun gezin.”

In die begintijd had hij de verantwoordelijkheid voor 47 kinderen. “De kinderrechter was door mijn rapportages en telefoontjes volledig op de hoogte van wat er speelde in een gezin. Eén telefoontje volstond om een uithuisplaatsing te regelen. Ouders mochten op de zitting nog wel hun mening geven, maar de beslissing was in feite al genomen. Dit druiste in tegen alle principes van rechtsgelijkheid voor ouders en kinderen. In 1995 werd de wet op dat punt veranderd. Voor ons als jeugdbeschermers leidde dat tot uitgebreidere rapportages en minder rechtstreeks contact met onze cliënten. Dat was het moment waarop alle gezinsvoogden van Nederland op hun achterste benen gingen staan en zich bundelden in de belangenvereniging BMJ. Inmiddels is onze jarenlange roep om minder bureaucratie opgepikt door het ministerie en lopen er projecten waarbij de regeldruk wordt aangepakt en de cliënten meer bij ons werk worden betrokken.


“Wat me vanaf het begin altijd heeft gefrustreerd, is dat de overheid altijd maar wil beknibbelen, terwijl investeren in de jeugd zichzelf altijd terugverdient. En wat me nog steeds gek maakt, dat zijn de wachtlijsten van de zorgaanbieders, waardoor bijvoorbeeld het inzetten van intensieve gezinsondersteuning wel een halfjaar kan vergen. Intussen moet iedereen maar zien hoe men zich redt.”

Een volgende rit voert naar het Spalier in Santpoort, een opvangcentrum voor kinderen met psychosociale problemen. Hier verblijft Patrick, die geen thuis meer heeft omdat vader noch moeder hem wil hebben. Zijn ouders zijn uit elkaar. Moeder heeft een nieuwe lesbische relatie, vader is boos op iedereen. Patrick is agressief, heeft een meisje bedreigd met een mes en volgt daarvoor therapie.

Patrick, zijn moeder, twee jeugdwerkers van het Spalier en de gezinsvoogd bespreken of er een adres is te vinden waar Patrick in de weekends en vakanties terecht kan. Bij zijn moeder en haar nieuwe geliefde komt het namelijk niet altijd uit, en de verstandhouding met zijn vader is verstoord. Hij zou welkom zijn bij een oude huisvriend die Patrick min of meer als zijn kleinkind beschouwt. “Maar dat mag niet van jou,” bijt de jongen Ton Moolenaar toe. “Van jou mag helemaal niks.” De gezinsvoogd legt uit dat gastopvang aan regels dient te voldoen. Zo zou de huisvriend moeten instemmen met een justitieel antecedentenonderzoek. Dat weigert hij om redenen van privacy. Zijn goed recht, zegt Moolenaar, maar Bureau Jeugdzorg kan zijn cliënten niet aan mensen toevertrouwen zonder te checken of die misschien iets op hun kerfstok hebben. “Dan ga ik,” roept Patrick en hij beent met slaande deur de spreekkamer uit.


De anderen praten nog wat na. Ze spreken af dat moeder probeert de huisvriend over te halen toch mee te werken aan het vereiste onderzoek. Daarna zoekt de gezinsvoogd Patrick op omdat die nog een verzoek had: hij wilde met een meisje uit zijn groep en haar vader naar een party in een pretpark. De gezinsvoogd wijst dat verzoek af. Dat leden van een behandelgroep samen op stap gaan, is ongewenst, en bovendien is de vader onbekend. “Dat dacht ik al,” mokt Patrick. “Maar toestemming of niet, ik ga toch.” “Dan zijn de consequenties voor jou,” zegt Moolenaar.

Als we weer buiten staan, bespiegelt de gezinsvoogd dat de assertiviteit van kinderen en ouders sterk is toegenomen in de 32 jaar dat hij in de jeugdbescherming werkt. “Mensen pikken maatregelen niet zomaar. Kritiek krijg je ongezouten op je brood. Groeiende mondigheid is een goede zaak. Maar de korte lontjes en de agressie zijn ook flink toegenomen. Collega’s zijn weleens aangereden door kwade cliënten. Mij is ooit iemand met een stoel te lijf gegaan. Meestal blijft het beperkt tot verbale agressie en dreigementen. Toch vervelend als een vader op één centimeter afstand in mijn gezicht staat te schreeuwen.”

De laatste afspraak speelt bij de Haarlemse kinderrechter. Die zal zich uitspreken over Moolenaars verzoek, de ondertoezichtstelling van Eefje en Bas te verlengen. Ter informatie van de rechter heeft moeder Aïda samen met Eefje een brief geschreven waarin ze haar beklag doet over Eefjes vader Dries. In een interpunctieloze woordenstroom gaat het over ‘bedrijgingen’ en ‘belastende dingen die door vader gezecht zijn’ en over diens ‘onverandwoord gedrag’, namelijk ‘dat vader nog steets drinkt ook al zecht vader tegen jeugdzorg van niet.’


Vóór de zitting toont Aïda zich nerveus omdat Dries onverwacht is komen op-dagen. Vijftien meter van elkaar wachten ze in de hal tot de bode hen oproept. Als de zitting is begonnen en de gezinsvoogd zijn verzoek heeft toegelicht, richt de vrouwelijke rechter zich tot Dries. Hoe staat het met zijn alcoholgebruik? “Hartstikke goed,” zegt Dries. “Ik hoef geen medicatie meer en de laatste weken heb ik niet meer gedronken.” “Eefje heeft het zelf gezien,” roept Aïda en ze zwaait met haar brief. Daarop ontsteekt Dries in woede: “Waarom heb ik die brief niet? Waarom hoor ik dat nu pas? Anders had ik een advocaat kunnen nemen.” “Kalm, meneer,” maant de rechter. Aïda staat op. “Ik moet weg zijn voordat hij me klappen gaat geven.” De rechter: “U blijft zitten, mevrouw. Ik vraag u beiden kalm te blijven en te zwijgen totdat ik u het woord geef.”

Dan wil de kinderrechter weten hoe het met Bas gaat, die na het seksueel misbruiken van een stiefzusje het huis uit moest en sindsdien in een pleeggezin woont. Dries zegt dat zijn contact met Bas heel goed is en dat hij het niet eens is met de plaatsing in het pleeggezin. “Daar blijft hij nog een jaar,” reageert de rechter gedecideerd. Aïda springen de tranen in de ogen. “Bas komt er bij ons nooit meer in. Hij heeft te veel schade aangericht. Ik wil nog wel contact met hem houden, maar als ik hem zie, word ik misselijk. Ik vind dat heel erg als moeder.”

Na nog enkele vragen doet de kinderrechter uitspraak: ze verlengt de ondertoezichtstelling van Eefje en Bas met een jaar.

Weer op straat rollen hun ouders allebei een shagje en bakkeleien erop los.

Ton Moolenaar slaat het gade en schudt zijn verweerde hoofd. “Mensen en levens zijn niet te veranderen. Soms kun je het verschil maken: alsnog voor een opleiding zorgen, of een jong kind in een goed pleeggezin onderbrengen. Maar vaak kunnen we alleen maar voorkomen dat er nog grotere brokken vallen. Als jeugdbeschermers moeten we bescheiden zijn met onze pretenties. De werkelijkheid is weerbarstig.”


* De namen en sommige antecedenten van cliënten zijn gefingeerd om hun privacy te beschermen.

Matt Dings