‘Het gaat mij om de hemel en de dood’

Herman Finkers gaf de liedjes uit zijn succesvolle comebackshow Na de Pauze een tweede leven door ze in de studio nogmaals op te nemen, nu met goede muzikanten. En omdat een liedje in 2011 geen bestaansrecht heeft zonder videoclip, voorzag hij ze alle zestien van een zelfbedacht filmpje.

‘Vroeger kon het zo hard sneeuwen: zo’n dik pak. O, wat kon het sneeuwen!”

Precies een jaar geleden nam Herman Finkers samen met Daniël Lohues het liedje Sneeuwen op. Eind 2010 blijkt de tekst van Willem Wilmink achterhaald te zijn. Uitkijkend over de witte Amsterdamse grachten kan men constateren dat het woordje ‘vroeger’ niet meer van toepassing is. De verkeerschaos die de sneeuw van 2010 veroorzaakte, had het interview bijna onmogelijk gemaakt, maar daar zitten we dan toch, in het restaurant van het Amrth Hotel, dezelfde locatie waar Finkers en Lohues elkaar ten tijde van de opname eind 2009 met enige regelmaat troffen. “Ik was bezig met Liever dan Geluk en Daniël werkte in een andere studio aan zijn eigen project,” vertelt Finkers terwijl hij een jaloersmakende vissoep eet. “Aan Daniël heb ik Liever dan Geluk te danken. Want als hij niet met het idee was gekomen, waren de cd en de clips er niet geweest.”

Opmerkelijk dat jullie elkaar hebben gevonden. Daniël komt toch uit een heel andere wereld?

“Mensen als hem zie je niet veel. Hij gaat naar Amerika, dompelt zich helemaal onder in die muziek, kruipt helemaal in de ziel van die mensen en verdiept zich vooral in hoe zij met die ‘soul’ omgaan. Alles wat zij dagelijks meemaken of wat zij van hun familie hebben gehoord, verwerken ze gewoon in hun muziek. Die bagage neemt hij mee terug naar Drenthe, waar hij weer met nieuwe ogen rondkijkt en dan zingt hij over het dorpje Erica. Dat de bieten er weer mooi bij staan of over een bord dat hij aan de kant van de weg ziet staan. ‘Gerrard is vieftig joar’, en dan voegt hij eraan toe: ‘Alsof we dat nie wusten.’ Dat vind ik zó mooi! Dat vind ik bijna een Wilmink-achtige zin. Zo’n zin zegt heel veel over dat dorp. Zich in Amerika voeden, om thuis weer sterker te voorschijn te komen. Dat is heel wat anders dan naar Amerika gaan om vervolgens zo veel mogelijk te klinken als een Amerikaan. En wat ik ook geweldig vind is dat hij in Louisiana met plaatselijke muzikanten in de studio gaat zitten en vervolgens in het Drents zingt. En die muzikanten vinden dat prachtig. Die wilden weten wat dat nou voor een taal is en waar het nummer over gaat om zich beter te kunnen inleven. Ik ga dat zelf ook eens onderzoeken. Eens een keer met andere ogen door Almelo lopen. Ik kom daar zo vaak en weet er zo veel van. Iemand zei ooit eens tegen John Lennon: ‘Jij hebt het maar makkelijk met liedjes schrijven omdat je uit zo’n bruisende havenstad komt waar van alles gebeurt. Maar ik kom uit een gat in Schotland waar nooit wat aan de hand is.’ Lennon werd pissig en zei: dan schrijf je toch een prachtlied over een fucking bushalte! En het is waar: Strawberry Fields was ook niet meer dan een duf kindertehuis.”


En u schrijft over plaatsen die u goed kent, zoals Almelo, maar ook over een plaats die u even goed líjkt te kennen: de hemel.

“De idee van een hemel komt bij alle natuurvolken voor. Het is kennelijk iets universeels. Zoals een mens in zijn slaap droomt, zo droomt een hele groep mensen zijn mythes en archetypes bij elkaar.”

Dus in uw leven is de hemel iets concreets?

“Ja. Stel dat je de hemel wegdenkt, dan wordt het er in de kunst niet beter van. Kunst is voor mij een graadmeter. Als je er betere kunst mee kunt gaan maken, dan zou ik er maar snel in gaan geloven. Met beelden van de hemel kun je heel mooie kunst maken. Kunst vind ik een vorm van waarheid. De hemel hebben wij verzonnen, maar het is ook meer dan dat. Het is niet iets wat snel in elkaar is geknutseld, het is de droom van een beschaving. Iets wat van generatie op generatie wordt doorgegeven. De liedjes van Jacques Brel zijn verzonnen en daarom bestaan ze. Daarmee is niet bewezen dat de hemel ook bestaat. Maar het feit dat de hemel is verzonnen, is geen argument om te beweren dat hij níet bestaat.”

Misschien is het zoiets als een roman? Helemaal verzonnen, maar je kunt ‘m toch als een tastbaar ding op tafel leggen.

“Ik moet dan wel zeggen dat ik de boeken van Reve minder verzonnen vind dan die van Mulisch. Misschien kan ik dat beter niet zeggen, want Reve heeft ook verschrikkelijke dingen geschreven. Maar in het boekje dat ik bij mijn programma Na de Pauze schreef, zeg ik ook dat de hemel van Mulisch niet zozeer een ontdekking is maar iets wat in elkaar is geknutseld. Ik begrijp Mulisch niet zo. In Reve lees ik meer een noodzaak om te schrijven. En wat het wel of niet bestaan van de hemel betreft, Reve zei altijd: waar gebeurd is geen excuus. En mijn familie zegt altijd: het maakt niet uit of het echt zo is gebeurd, als het verhaal er beter van wordt, mag je er best iets bij verzinnen.”


De hemel en de dood zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. In het liedje Gedachtenkwel zingt u:

“Je vraagt je af waarom de één een kwaal te dragen heeft

en die hem op zijn langst een jaar of tien te leven geeft

En waarom krijgt hij dan toch nog een jaar of tien met goed fatsoen

Terwijl een ander die veel jonger is het met een maand of twee moet doen.”

Leeft u met de dood sinds bij u leukemie werd geconstateerd?

“Ik spreek niet over mezelf in dat liedje, hoor, maar in het algemeen.”

Maar uw publiek weet wat er met u aan de hand is, dus betrekt dit meteen op u.

“Het zou beter zijn geweest als men niet had geweten dat ik ziek ben. Dan kon ik gewoon over mijn werk of mijn cd’s praten. Die ziekte komt altijd wel weer ergens tussen te staan. Ik zeg in mijn voorstelling ergens: ‘Kanker krijg je niet ongestraft.’ (Hij gniffelt). Iedere interviewer wil erover praten en dan wordt het haast een soort ballast omdat ik er zelf niet zo mee bezig ben. Je hoort mensen die iets onder de leden hebben waarvan ze weten dat ze er niet oud mee worden weleens zeggen: ‘Je beseft ineens dat je sterfelijk bent.’ Dat heb ik nooit gehad en heb ik ook nooit begrepen. Voor mijn gevoel had ik het besef van sterfelijkheid al voordat ik geboren was, bij wijze van spreken. Dan denk ik: hoe lopen die mensen dan op de wereld rond? Er zijn kerkhoven, begrafenissen, de kat komt onder een auto… Realiseer je je niet dat je sterfelijk bent wanneer je iemand gaat begraven? Of elk jaar als het herfst wordt?

Maar u bent er niet mee bezig?


“Het is niet actueel op dit moment. In januari 2009 wel, toen heb ik 45 voorstellingen moeten afzeggen. Toen kreeg ik een heel stel infecties tegelijkertijd en na elkaar. En op een bepaald moment reageerde ik niet meer op de antibiotica. Ik moest geopereerd worden maar was niet operabel vanwege die toestand. Toen was het even: wat nu? Maar als door een zegening pakte het lichaam de draad toch weer op en kon ik worden behandeld. Maar ik besef dan onmiddellijk: ik heb dit niet bedacht. Wanneer ik van een torenflat val omdat ik niet goed heb uitgekeken, is het mijn eigen schuld omdat ik zo stom was om vlak langs de reling te lopen. Maar hier heb ik niks aan kunnen doen. Dit heeft iets of iemand anders voor mij bedacht. Dan is dit onderwerp voor mij afgedaan.”

Heeft u het geaccepteerd?

“Dat niet eens. Ik moet ineens denken aan de zwemlessen die ik kreeg in de jaren vijftig. In Almelo bestond het zwembad uit een grote betonnen bak waarin men kanaalwater liet lopen. De bodem bestond uit groen slib met kikkers erin. We kregen allemaal een touw om ons middel geknoopt, dat ergens aan vast werd gemaakt. Daarna gooiden twee badmeesters ons onverwacht één voor één het diepe in. De theorie was dat we uit een aangeboren reflex vanzelf zouden gaan zwemmen. Maar ik weet nog dat ik dacht toen ik in het water werd gegooid: ik heb dit niet bedacht, dus ik hoef niks te doen. Ik was heel rustig en liet me gewoon naar de bodem zakken (hij lacht). Maar er brak natuurlijk paniek uit. Ik werd omhoog getakeld, het water werd uit mijn longen geslagen en de badmeesters gaven elkaar de schuld. De manier waarop ik met mijn ziekte omga, lijkt hier een beetje op. Daarom had ik liever gehad dat men het niet wist. Ik vind het ook een beetje gnant om het er steeds weer over te hebben. Ik heb deze aandoening nu acht jaar en het gaat ontzettend goed met me. En er zijn zoveel aardige en lieve mensen die acht jaar geleden niets mankeerden en die nu dood zijn. Dus ik denk: waarom moeten we hier weer over praten? Of is dat raar gedacht? Ik praat liever over de cd met liedjes en een dvd met bijbehorende clips die ik heb gemaakt.”


Liedjes met titels als Als ik denk dat ik doodga, Daarboven in de hemel, Lieve dode dichter, Mijn laatste eer..

“Ik snap wel dat mensen denken: nu hij ziek is, gaat hij het ineens over de dood en de hemel hebben. Maar wat ze niet weten, is dat ik het daar privé altijd al over heb gehad. Alleen heb ik het mij sinds 2000 en later in mijn programma Na de Pauze toegestaan om het daar ook in het openbaar over te hebben. Vergeet niet dat in mijn allereerste programma Op Zwart Zangzaad maar liefst drie gedichten over Maria zaten. En een gedicht van anderhalve meter over Sint-Joris. Later is dat minder geworden. Ik had aanvankelijk ook niet de intentie om grappig te zijn; ik wilde dichter worden. Dat is in die zin dan ook mislukt. Mensen zeiden niet: wat een goeie dichter, maar: wat een grappige dichter. Toen ben ik dus de grappenmaker maar gaan uitbuiten. Gelukkig maar, daar ben ik heel blij om. Dat lag mij, tot mijn verrassing, ook wel.”

Is het niet ontzettend moeilijk om steeds maar weer de leukste te zijn?

“Ze vragen me wel eens hoe ik aan mijn ideeën kom, maar dat is het probleem niet. Het probleem is dat ik veel te veel ideeën heb, dat buitelt maar over elkaar heen. Dat gaat maar door en dat gaat maar door. Daar moet je orde in aanbrengen. Je weet ook niet welk idee je moet gaan volgen, waar het naartoe moet. Het is makkelijker om maar twee ideeën te hebben, dan kun je aan het werk. Maar als ik twee ideeën heb uitgekozen, komt er weer een hele lawine binnen. Daar word je knettergek van.”

Hebt u wel eens aan mediteren gedacht?


“Ik heb dat vroeger wel gedaan, maar dat heeft me niet geholpen. Wat wel helpt, is Gregoriaans zingen. Wanneer ik voor het slapen gaan de completen zing, het katholieke avondgebed, en ik denk niet na over de tekst, dan ga ik heel rustig slapen. Drank, daar doe ik niet aan, dat is niet zo gezond. Je moet niet meer drinken dan nodig is.”

En als u niet zou zingen?

“Na afloop van een voorstelling vroeg een man of hij de tekst van Gedachtenkwel mocht hebben, want wat ik zong sloeg precies op zijn zoon. Die jongen werd zo gekweld door gedachten dat hij zich voor de trein heeft gegooid. Dat is hem letterlijk voor de helft gelukt, want hij leeft nog steeds maar mist beide benen. Zo erg kan het dus zijn. Het is een zegen wanneer je daar een oplossing voor hebt gevonden. Voor sommigen zal dat medicatie zijn, en anderen zoeken het in drugs.”

Hoe was het voordat u met cabaret bezig was?

“Ik zat toen niet zo lekker in m’n vel. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik erg verkrampt rondliep. Mensen zullen er niet veel van gemerkt hebben: ik was een introvert type. Het was allemaal opgekropt.”

Baarde u dat zorgen?

“Ja. Ik wist totaal niet wat ik moest op deze wereld. Uiterlijk heel rustig en van binnen één grote storm, die pas tot bedaren kwam toen ik erachter kwam dat de mensen gingen lachen wanneer ik op een podium ging staan. Daarom word ik altijd een beetje boos wanneer ze zeggen: het is alleen maar grappig wat hij doet. Maar voor mij betekent dit alles. Mensen lachten vroeger nooit om mij en nu wel. Dat is fantastisch. Ineens heb je een functie.”


Is dat het enige wat telt? Dat mensen om u lachen?

“Dat was mijn functie: mensen na een dag hard werken laten lachen. In 2000 ben ik ermee gestopt, ik was er klaar mee. Het publiek is toch consumptief ingesteld. Amerikanen zeggen: ‘That guy is funny and we pay to laugh.’ Dat is dodelijk. Dan is het geen bevrijding meer, maar een opsluiting. Ik ben niet het type om de zaal à la Hans Teeuwen uit te dagen of te treiteren. Ik heb nooit getreiterd, ook als kind niet. Als Teeuwen na een mislukte grap zegt: ‘Lach dan, godverdomme!’ vind ik dat fantastisch. Maar uit mijn mond zou het onecht klinken.”

Hoe staat u op het podium? Wim Sonneveld moest van de zenuwen vaak overgeven voordat hij opging.

“Ik ben altijd zeer geconcentreerd maar heel relaxed. Dat vind ik wel een mooi cadeau. Voor mij is het podium een veilige plaats. Die paar vierkante meter zijn helemaal van mij. Daarom heb ik ook niet zo graag een band achter me, want dan moet je ineens in een groep functioneren. In mijn geval is het podium een plaats waar niemand anders mag komen, mijn domein. Daar schep je jouw logica en jouw wereld. Ik werd wel steeds zenuwachtiger in mijn laatste programma’s omdat ik steeds sterker het gevoel kreeg dat ik moest voldoen aan de verwachtingen van het publiek, dat wil lachen.”

Had u dat niet meer toen u in 2007 terugkwam met Na de Pauze?

“Toen dacht ik: dit is wat ik doe, en als de helft wegloopt, is dat heel vervelend maar dan zij het zo. Dat is gelukkig niet gebeurd.”

En nu?

“Mijn nieuwe project is erg intensief geweest. Het opnemen van de cd ging nog wel, maar in het maken van de clips is erg veel tijd gaan zitten. Ik bedenk nu ineens dat ik waarschijnlijk de eerste ben die bij al zijn liedjes een clip heeft gemaakt. Hoewel, Henny Vrienten heeft dat voor Nacht eigenlijk ook al gedaan. Ik heb ze allemaal zelf bedacht, maar zonder Jan van den Nieuwenhuijzen, die naast de regie zo ongeveer al het andere heeft gedaan, zou het me niet zijn gelukt. Wat Daniël voor me was bij de cd-opname was Jan bij de clips. Maar tijd heeft het gekost. Ik ga het nu weer rustig aan doen, weer schrijven.”


Een nieuwe show?

“Ik ga gewoon schrijven. Dat kan een show zijn of een cd of een boekje. Ik zie wel wat het wordt.”

Herman Finkers: Liever dan Geluk. cd/dvd, € 17,99.

Ruud Meijer